HOOFDSTUK 10 VAN 14
De kas op vrijdag
Het geld van De Kroon lag al op tafel toen Mien terugkwam. Het waren geen bankbiljetten die netjes naast elkaar lagen, maar een hoop geld met een handdoek eronder. Paul was aan het tellen. Hij schoof ieder stapeltje meteen opzij, alsof de hoeveelheid groter werd wanneer hij het vaak genoeg verplaatste.
‘Je bent lang weggeweest,’ zei hij.
Mien hing haar mantel op. Ze had Saars kamer nog in haar hoofd, de kachel en het kopje op de rekening. Ze wilde niet meteen over geld praten, maar het geld lag overal.
‘Ik heb haar uren doorgenomen.’
‘Daar hadden we vanmiddag voor kunnen gaan zitten.’
‘Dat kunnen we nu ook.’
Ze legde haar vel op de lessenaar. Paul telde het laatste rijtje dubbeltjes af. Zijn vader kwam uit het achterkantoor en nam plaats zonder Mien te begroeten. Hij had voor het eerst in jaren geen das om.
‘Voor we beginnen,’ zei Mien, ‘dit geld is niet allemaal beschikbaar voor de rekening van de kolen.’
Cornelis keek naar Paul. ‘Is die al betaald?’
‘Een deel.’
‘Dan moet er een volgend deel heen. Anders krijgen we maandag niets.’
Mien ging niet zitten. Staand kon ze de lijst beter overzien. Ze schoof hem naar Cornelis en wees op de onderste regel.
‘Dit is er aan de vrouwen te weinig betaald. Een deel moet ik nog nagaan, maar dit bedrag staat vast. Mijn eigen vergissingen zitten erbij.’
Hij las het vel. Bij de som onderaan kwam zijn vinger tot stilstand.
‘Wie heeft dit berekend?’
‘Ik.’
‘Op grond van wat mensen achteraf zeggen?’
‘Op grond van het schrift, werkbriefjes en wat mensen zeggen. Als iets onzeker is, staat het erbij.’
Paul pakte de lijst over en begon de kolom op te tellen. Mien liet hem. Zijn som kwam hetzelfde uit. Hij zei dat niet hardop.
‘Er is nog een ander vel,’ zei Mien.
Ze haalde haar eigen verklaring uit haar tas. Die had ze tussen Saars huis en de wasserij niet kunnen schrijven; ze was er die ochtend al aan begonnen en had op de terugweg alleen de laatste zin in haar hoofd aangevuld. Ze schreef die er nu onder. Dat zij op donderdag een eerder ontvangen waarschuwing over de machine niet had genoemd.
Cornelis las mee terwijl ze schreef.
‘Je maakt het jezelf moeilijk.’
Het was de eerste keer in jaren dat hij je tegen haar zei. Vroeger deed hij dat vaak. Sinds zij de administratie zelfstandig voerde, was het u geworden, soms zelfs juffrouw Van Vliet wanneer er bezoek was.
‘Ja,’ zei ze.
Ze gaf hun de verklaring. Er stond dat het werk na het ontslag van de vrouwen was voortgezet, op afroep, in het gebouw. Dat de omschrijving huisnaaiwerk niet overeenkwam met de werkzaamheden. Dat zij die omschrijving zelf had ingevuld. Dat zij dinsdag aanwezig was geweest en had gezegd dat de laatste kleden nog moesten worden afgewerkt. Dat haar vader haar vóór het ongeval een brief had meegegeven met een waarschuwing over een tijdelijke reparatie.
Paul las de laatste regel tweemaal.
‘Je vader hoeft hier niet op die manier in.’
‘Hij staat erin zoals het is.’
‘Je weet niet wat de oorzaak geweest is.’
‘Dat schrijf ik ook niet.’
Cornelis duwde het vel van zich af. Hij begon over zijn eigen vader, die het bedrijf met twee ketels en een paard was begonnen. Mien kende het verhaal. Het paard had Mina geheten, de knecht was met de dochter van de bakker getrouwd en de eerste hotelklant had twee maanden op krediet gewassen. Ze wachtte tot hij uitgesproken was.
‘Ik heb hier mensen gehouden die nergens anders meer terechtkonden,’ zei hij. ‘Je vader bijvoorbeeld.’
‘Dat weet ik.’
‘Ik heb je aangenomen toen je moeder ziek was.’
‘En ik heb vijftien jaar voor u gewerkt.’
De stilte die volgde was niet helemaal onaangenaam. Mien voelde haar hart nog snel gaan, maar ze hoorde ook de klok, het gerinkel van een emmer buiten, een vrouw die in de gang naar iemand vroeg. Het gebouw bestond nog, hoewel zij iets gezegd had dat ze lang als een breuk had beschouwd.
Paul schoof zijn stoel naar achteren.
‘Zullen we dan ook vertellen wat de bank gisteren heeft gezegd?’ vroeg hij aan zijn vader.
Cornelis keek weg. Paul nam de map met de blauwe band van het rek en haalde er een brief uit. Er moest geld komen. Het kleine voorschot dat zij na de hotelorder hadden verwacht, zou er niet zijn voordat duidelijk was hoe de onderneming verder kon. De bank wilde meer zekerheid, die Cornelis niet had. Er was al eerder gepraat met een wasserij uit Broekstad over overname van een deel van de klanten. Dat gesprek kon nu niet langer worden uitgesteld.
‘Dat was al vóór dinsdag,’ zei Mien.
Paul knikte.
‘Waarom zegt u dan dat dit onderzoek het bedrijf kapotmaakt?’ vroeg ze aan Cornelis.
‘Omdat ik het nog niet had opgegeven.’
Hij keek haar aan, voor het eerst zonder verwijt. Zij zag hoe oud hij was geworden. Hij wilde geen papier waarop zijn tekortkomingen stonden, maar nog minder wilde hij een poort waarachter niemand werkte. Mien kon die wens begrijpen zonder hem nog te kunnen helpen vervullen.
Vanuit de gang klonk Antjes stem. De vrouwen kwamen voor het loon. Paul wilde opstaan, maar Mien zei dat ze zelf ging. Ze nam eerst het gewone loonboek, daarna haar lijst met correcties. Cornelis legde zijn hand op het geld.
‘Niet alles kan vandaag.’
‘Dan zeggen we wat wel kan.’
Ze ging zitten en maakte voor iedere vrouw een zakje met het bedrag dat beschikbaar was. Op de achterkant schreef ze wat nog openstond, zonder het te verstoppen tussen oude uren. De rij bij het loket groeide. Dina telde haar geld en vroeg wanneer de rest kwam. Mien zei dat ze dat niet wist. Truus vloekte en bood meteen haar verontschuldigingen aan. Elisabeth van Oort nam het zakje mee zonder het te openen.
Antje bleef tot het laatst. Ze had het vel teruggebracht dat Mien in haar keuken had achtergelaten. Er stonden twee extra tijden op en onderaan haar naam.
‘Bij Saar heb ik het verkeerd,’ zei ze. ‘Die dinsdag.’
Mien nam het aan. Ze bedankte haar niet. Antje zou een bedankje op dat ogenblik niet hebben verdragen.
‘Wat ga je met de rest doen?’ vroeg ze.
‘Aan Koster geven.’
‘Dan weet iedereen waar het vandaan komt.’
‘Mijn eigen naam staat erop.’
Antje keek naar het loonzakje dat voor haar bestemd was. Er zat minder in dan normaal. Ze stak het in haar tas en vertrok.
Toen de laatste vrouw weg was, lagen er nog een paar muntjes op de handdoek. Paul vouwde die dicht en legde hem in de kas. Cornelis was naar zijn kantoor teruggegaan. Mien verzamelde haar afschriften. Ze nam ook het vel dat Paul eerder had opgesteld, met haar doorhalingen. Hij zag het.
‘Dat was een eerste versie.’
‘Dan kan dat erbij.’
Hij wilde iets zeggen, maar deed het niet. Ze knoopte een touwtje om de papieren en legde ze in haar tas. Toen ze opstond, zei hij dat hij zijn vader nooit zo had gezien. Mien bleef bij de deur staan.
‘Ik de mijne ook niet.’
Buiten was het nog licht. Ze had gedacht dat zo'n besluit in het donker zou eindigen, maar er reden kinderen op een step langs de poort en iemand riep dat de groenteboer nog prei had. Mien liep naar huis om haar vader te vertellen waar ze zaterdag heen zouden gaan.