Hoofdstuk 9 van 13
Bijna hetzelfde
Imaan zette haar ene schoen tegen de drempel van de winkelachterdeur. Ze was nog niet verder gelopen. De kopie hield ze voor haar borst. Naast het papier kon ze de muur zien, maar de drie ramen stonden niet in dezelfde schuine rij als op de foto.
‘Hier is het nog niet,’ zei ze.
Ada draaide zich naar haar om. Ze wilde al zeggen dat het toch echt drie ramen waren. Toen zag ze dat Imaan niet naar het hofje wees, maar naar de plek van haar eigen voeten.
Ada ging naast haar staan. Nu verdween het achterste raam een beetje achter de hoek van de deur. Op papier was de hele boog zichtbaar. Ze deden samen een stap opzij, naar de linkerhoek van de nabije muur.
Het achterste raam schoof tevoorschijn.
‘Nog een beetje,’ zei Noud.
Imaan hield de foto tussen hen in. Ze stapte geen rondje door het hofje, maar zocht langs die ene muur een plek vanwaar ze alles kon zien. Ada keek over haar schouder. Toen zag ze de twee muren op papier en in het echt tegelijk schuin weglopen.
‘Daar,’ zei Ada.
Ze stonden dicht tegen elkaar aan. Noud wilde ook kijken en kwam erbij. Zijn schouder drukte tegen Ada's vlecht. Imaan moest lachen en liet de kopie zakken.
‘Om de beurt. Anders zie ik alleen jullie.’
Ada ging voor hen op haar hurken zitten. Zo kon Noud boven haar hoofd de foto zien. Het derde raam zat niet meer verstopt. Eén, twee, drie: dezelfde lage bogen langs de linker muur. De verste boog leek nog steeds het kleinst, net als op papier.
De ronde lichte steen zat op de achterwand. Ada keek naar de hoge raamopening eronder. De bakstenen rand was dezelfde rechthoek als om de deur op de oude foto.
‘Het dak?’ vroeg Imaan.
Noud wees. ‘Daar.’
Ada keek omhoog. Achter de verre muur, links van het raam, lag het rode pannendak. De schoorsteen stond op de goede plek. De lichte band kwam net boven de muur uit. Vanuit deze hoek zag ze niet de voorkant van het huis in de Lindestraat, alleen het bovenste deel dat ook op de foto stond.

Ze ging overeind. Het dak zakte niet echt, maar er kwam meer van in beeld. Ada boog haar knieën weer. Nu was het kleine stukje lucht achter de schoorsteen bijna gelijk.
‘Iemand heeft hier gestaan,’ zei ze. ‘Met die foto.’
Haar vader keek over de kopie heen. ‘Met een camera, denk ik.’
‘Ja, dat bedoel ik.’ Ze moest lachen om haar eigen zin. Het was raar om op de plaats van iemand te staan die ze niet kende. Die had zijn camera vastgehouden en gedacht dat hij dit moest bewaren. Misschien gewoon omdat de rode trap mooi was in de zon.
André liep naar het potje onder het raam. Hij tilde het op en zette het naast de andere lege potten.
‘Hier kun je straks beter staan als je van dichtbij wilt kijken,’ zei hij.
Ada liep niet meteen achter hem aan. Ze wilde de hele plek nog één keer zien voordat ze hem weer in stukjes uit elkaar haalde. De planten waren nieuw. Het spinnenweb vast ook. Het raam was nieuw. De lichte ronde steen had niemand verplaatst.
‘Wil je die trap nog terug?’ vroeg Noud.
Ada dacht even na. Ze had op de foto het liefst op de bovenste trede gezeten. Nu was ze blij dat ze niet naar een trap hoefde te zoeken die er niet meer was.
‘Ik zou wel willen zien hoe het eruitzag zonder die deur.’
‘Dat kan,’ zei André. ‘Ik heb een foto van de verbouwing. In mijn werkmap, binnen. Kom maar mee door de zijgang. Dan zien jullie meteen waar we de werkruimte nu ingaan.’
Noud liet Ada voorgaan. Imaan schoof de kopie terug in de envelop, met de kaart erachter. Het adres op Ellens karton was nog leeg. Maar de plek lag nu achter hen, niet meer alleen voor hen op papier.