Hoofdstuk 10 van 13
Waar de deur zat
De zijgang lag rechts van het hofje, net buiten het stuk dat op de oude foto stond. Aan het einde zat een gewone deur met een rubberen mat ervoor. André opende hem en liet de kinderen en Ada's vader voorgaan.
Binnen stond een lange werktafel. Aan de ene kant lagen opgerolde stukken leer. Aan de andere kant stond een heel gewone waterkoker. Door het hoge smalle raam kwam licht op de tafel. Vanaf deze kant keek Ada terug het hofje in.
‘Hier was de deur,’ zei ze.
Ze stond niet naast het raam, maar ervoor. Buiten was het lager. Zonder de drie treden had iemand hier niet handig naar binnen kunnen stappen.
André knikte. ‘Die hoefden we niet meer te gebruiken. Deze zijdeur had ik al. Toen die houten trap slecht werd, hebben we het in één keer veranderd.’
Hij trok een platte map van de plank. Voor hij hem kon neerleggen, moesten twee lege schoenendozen van de tafel. Noud pakte de bovenste. Hij was zo licht dat het deksel eraf schoof.
Noud ving het deksel op en legde het terug. Het bleef aan één kant scheef zitten; hij drukte het voorzichtig recht.
‘Mag ik deze daar zetten?’ vroeg hij.
André wees een lege plank aan. Imaan tilde de tweede doos op, zonder dat iemand haar vroeg. Ada bleef bij het raam staan. Buiten zag ze de tuinbak, die André net had verplaatst, en de achterdeur van de winkel.
‘Ik woon daarachter,’ zei ze. Ze wees over haar schouder, in de richting van de Lindestraat. Haar eigen raam kon ze van hieruit niet zien.
Haar vader kwam naast haar staan. ‘Dichtbij, hè?’
Het was dichterbij dan de wolwinkel. Dichterbij dan de bakker. Zelfs dichterbij dan Nouds huis. Ada keek naar de muur die al die tijd tussen haar nieuwe straat en dit hofje had gestaan.
‘Hier,’ zei André.
De map lag open. Er zaten rekeningen in, tekeningen en een paar foto's in hoesjes. André haalde één afdruk eruit en legde hem op tafel. Ze hoefden niet te zoeken. Hij wist precies welke hij bedoelde.
Op die foto stonden de rode treden niet meer. Op de grond lag een opgerolde doek. De oude deur was uit zijn kozijn gehaald; je keek door de opening een donkere werkruimte in. De bakstenen rand was blijven staan. Boven de opening zat de ronde lichte steen.
Imaan legde hun kopie ernaast. Het beeld van het lege hofje was van verder weg genomen. Ze keek eerst waar de muren op beide foto's stonden.
‘Dezelfde rand,’ zei ze. Haar vingers bleven op de witte papieren randen. ‘Alleen zonder deur.’
Noud keek van de twee foto's naar het raam. ‘En nu met glas.’
André wees op de werktafel, die onder het raam stond. ‘Hier kan ik tenminste zien welke kleur iets heeft.’
Hij legde een donkerrood en een bruin stukje leer naast elkaar. In het licht zag Ada het verschil meteen. Het rood glansde bij de rand. Ze boog eroverheen en zag de kleine gaatjes waar ooit een naad had gezeten. André schoof het stukje opzij voor de foto.

Ada vroeg of ze het plaatje van de verbouwing ook aan Ellen mochten laten zien. André zei ja en haar vader maakte er met zijn telefoon een foto van. Daarna ging de afdruk terug in de map.
Op weg naar buiten keek Noud naar de werktafel bij het raam. ‘En als het donker wordt? Dan lijken die twee stukjes toch weer even bruin?’
André wees naar de lamp boven de tafel. ‘Dan doe ik die aan.’
Noud keek naar de lange lamp en knikte. Hij liep als laatste de zijgang uit en trok de deur dicht zoals André hem vroeg.
Op het hofje stond Ada's vader met zijn telefoon klaar. Ada hield hem niet meteen de foto voor. Ze liep terug naar de hoek waar ze net hadden gestaan. Daar moest de nieuwe opname vandaan komen.