Hoofdstuk 1 van 13
De lege regel
Ada woonde elf dagen in de Lindestraat. Ze wist waar de glazen stonden, welke keukenkast nog geen knop had en hoe laat de vuilniswagen kwam. Van de rest wist ze vooral waar ze verkeerd kon lopen. Bij de bibliotheek moest ze niet rechtdoor: dan kwam ze bij een dichte schoolpoort. En de bakker was niet de winkel met brood op het raam. Daar verkochten ze behang.
Op woensdagmiddag bracht ze een schaar terug naar het buurthuis. Haar vader had hem voor de verhuisdozen geleend. Achter de grote tafel zat Ellen tussen de vellen karton.
‘Zo,’ zei Ellen. ‘Mijn schaar heeft weer een huis.’
Ada legde hem op de enige lege plek. Bij de deur kwamen Noud en Imaan binnen. Noud had een broodzak onder zijn arm. Imaan hield de deur open voor iemand met een kinderwagen en struikelde bijna over de drempel.
‘Wat wordt dit?’ vroeg Ada.
‘Een kleine buurtmiddag. Zaterdag.’ Ellen trok een foto onder een vel vandaan. ‘Oude foto's hier, nieuwe foto's erbij. Bij de meeste weet ik de straat. Bij deze niet.’
Op het plaatje stond een binnenplaats. Aan de linkerkant zaten drie lage ramen met ronde bovenkanten. Ada boog zich eroverheen. De ramen stonden keurig naast elkaar, maar door de schuine foto leek het achterste het kleinst.
Op de muur daarachter zat een hoge smalle deur. Drie rode treden gingen ernaartoe. Boven de deur was een licht rond ding met gaatjes. Links van de deur stak helemaal achteraan een rood pannendak boven de muur uit. Op het dak stond een korte schoorsteen met een dunne bleke streep onder de bovenrand.
Verder was er niets. Geen mens. Geen fiets. Zelfs geen vergeten emmer.
‘Daar zou ik willen zitten,’ zei Ada.
Noud keek mee. ‘Op die trap?’
‘Ja.’
‘Hij is nogal klein.’
‘Ik ook.’
Imaan schoof een stapel karton opzij, zodat de hele foto plat kon liggen. ‘Staat er iets achterop?’
Ellen draaide hem om. Op de achterkant stond alleen met potlood een zes. Er was geen tekst onder verstopt. Ellen had ook de andere foto's uit dezelfde map al bekeken. Huizen, een plein met een oude autobus, iemand met een grote vis. Het was niet allemaal dezelfde straat.
‘Van wie is de map?’ vroeg Noud.
‘Hij staat al lang in de kast hier. Sommige mensen hebben er ooit foto's bij gedaan. Wie deze heeft gebracht, staat er niet bij.’ Ellen legde hem weer goedom. ‘Ik ga geen adres verzinnen. Dan laten we de regel liever leeg.’
Ada keek naar het stukje karton eronder. Waar op de andere kaartjes een straatnaam stond, had Ellen hier alleen een potloodstreep getrokken. Het binnenplaatsje bestond ergens. Of het had bestaan. Het was vreemd dat ze wel naar de deur konden kijken, maar niet konden aanbellen.
‘Mogen wij zoeken?’ vroeg ze.
‘Natuurlijk. Maar met een kopie. Dit papier scheurt als ik er al streng naar kijk.’
De printer bromde in het kamertje ernaast. Ellen controleerde de afdruk. Alle drie de boogramen stonden erop, de trap, de ronde steen en het dak. Ada hield hem tegen het licht. De achterkant was wit.

‘Waar begin je?’ vroeg Imaan.
‘Ik weet een rode trap,’ zei Noud. ‘Bij de wolwinkel. Twee straten verder. Ik moet alleen eerst dit thuis afgeven.’
Hij tilde de broodzak op. De punt van een stokbrood stak er ver bovenuit.
Ada keek naar Ellen. Die schoof de oude foto in een doorzichtig hoesje. Ada's vader zat in het kamertje bij een kapotte bureaulamp. Hij hoorde hun plan, belde even met Imaans moeder en sprak af dat ze om vijf uur terug zouden zijn. Noud woonde vlak bij het Pleintje; zijn moeder was thuis voor het brood.
Toen ze naar buiten liepen, begon het stokbrood boven Nouds schouder te wiebelen. Hij liep er even ernstig mee als Ada met haar foto. Bij het hek vroeg hij of zij een deur zocht of een trap.
‘De hele plek,’ zei Ada.
Dat klonk groter dan ze had bedoeld. Ze keek nog eens naar de afdruk. Het binnenplaatsje paste precies tussen haar twee handen.