Hoofdstuk 13 van 13
Aan deze kant van de straat
Toen ze naar huis gingen, was het Pleintje nog warm. De fontein spoot niet. Een klein kind stond aan de rand te wachten met een schepje, alsof het water dat alleen vergeten was.
Ada's vader liep naar de bakkerij om brood te halen. Noud mocht van zijn moeder tot halfzes buiten blijven. Imaan wilde nog mee naar de Wilgenstraat en daarna naar huis. De kopie hing bij Ellen en de kaart zat in de tas van Imaans moeder.
Ze liepen langs de wolwinkel. Noud keek naar de onderste rode trede en koos heel bewust de andere kant om langs de deur te gaan. De witte veeg was verdwenen. De trap was nog steeds van steen en had nog steeds twee treden.
‘We hadden hier ook al klaar kunnen zijn,’ zei Ada.
Imaan knikte. ‘Alleen verkeerd.’
Noud hield stil bij de etalage. Er lag een gebreide groene slang tussen de truien. ‘Die zou ik wel willen,’ zei hij.
Imaan boog voorover om de ogen te zien. Ze waren van twee verschillende knopen gemaakt.
Bij de schoenmaker stond de deur open. André zat achter zijn werkbank. De enorme gele laarzen waren van de onderste plank verdwenen; in hun plaats stonden twee donkerbruine schoenen, net zo gewoon als de schoenen van Ada's vader.
Ada stak haar hand op. André deed zijn hand ook omhoog, met een veter tussen duim en vinger. De veter hing een eind over zijn pols. Hij hoefde niet op te staan om te weten wie er langs kwam.
‘Het hangt,’ zei Noud.
‘Mooi,’ zei André. ‘Dan ga ik morgen even kijken.’
Ada wees haar vrienden niet opnieuw alle muren aan. Ze liepen om het huizenblok, door de straat waar ze de dag ervoor met haar vader hadden overgestoken. Bij de bocht bleven ze even staan. Een fietser reed voorbij. Daarna konden ze samen naar de andere stoep.
In de Lindestraat stond de schoorsteen boven de daken. Ada kon hem nu meteen vinden. Vanuit haar kant zag ze niet de ronde steen of de drie lage ramen. Maar ze wist waar ze waren. Dat was een ander soort kijken dan proberen door een muur heen te zien.
Voor haar voordeur lag een folder op de mat. Ada raapte hem op. Binnen stond de blauwe schaal nog op het aanrecht, precies op de plek waar ze hem zelf had gezet. De sleutel met het rode dopje lag op de bodem. De huissleutel die ze nu gebruikten lag ernaast.
Ze stopte de folder onder de schaal en ging weer naar buiten. Haar vader kwam aanlopen met het brood. Deze keer stak er geen lange punt uit de zak.
‘Nog even naar het plein?’ vroeg Ada.
Hij keek naar de klok op zijn telefoon en zei ja. Hij wist waar ze heen gingen. Ada trok de deur achter zich dicht en liep met Imaan en Noud terug.
Bij het Pleintje lag nog hetzelfde kleine knikkerkuiltje als donderdag. Ada ging ernaast op haar hurken zitten. Ze had geen knikker bij zich. Noud wel. Hij gaf haar de heldere die toen bijna onzichtbaar op de steen had gelegen.
Het kind met het schepje liep weg bij de fontein. Vlak daarna begon het water te spuiten. Imaan stak haar hand erdoor en spetterde een beetje op haar eigen blauwe schoen.
Ada legde de knikker in de holte van haar gebogen wijsvinger. Ze keek naar de rand van het kuiltje. Dat lag dichtbij genoeg om met één duw te bereiken.
Ze zette haar duim erachter en schoot.
