Hoofdstuk 8 van 13
Gewoon aanbellen
De grote schoen op Andrés raam was groter dan Ada's hoofd. Het was een bruine laars met een nieuwe witte zool. Ernaast stonden echte schoenen op een rek: een rode, een zwarte en een hele kleine met een klittenbandsluiting.
Noud duwde de deur open. De deur tikte tegen een belletje. Het rinkelde boven hun hoofden.
Achter een lage werkbank zat een man met een kaal hoofd en een korte donkere baard. Hij had een schoen in zijn hand. Op de muur achter hem hingen veters in allerlei kleuren.
‘Vier klanten?’ vroeg hij.
‘Eén foto,’ zei Noud.
Ada wachtte tot André de schoen had neergezet. Toen legde ze de kopie op het vrije stukje toonbank. Imaan legde de plattegrond ernaast, maar André had die niet nodig. Hij keek naar de drie ramen en trok zijn wenkbrauwen op.
‘Ons plaatsje. Waar hebben jullie die vandaan?’
Ada vertelde het. Terwijl ze praatte, bleef ze kijken of André misschien een ander plaatsje bedoelde. Hij wees niet alleen naar de trap. Hij wees naar de ronde steen erboven en naar de achterste van de drie boogramen.
‘Die ramen zitten aan onze linkerkant. En dat deurtje bestaat niet meer. Daar hebben we nu een raam.’
‘En de trap?’ vroeg Ada.
‘Weg. De onderste plank was aan het rotten. We gingen toch al via de zijgang naar de werkruimte. Toen hebben we daar een raam van laten maken. Meer daglicht.’ Hij keek naar Ada's vader. ‘Wilt u even mee? Ik kan het zo laten zien.’
De achterdeur zat aan het einde van een korte gang in zijn winkel. André ruimde wel eerst zijn werkbank op. Een potje met kleine spijkertjes kreeg een deksel. Zijn mes ging in een houder aan de muur. Daarna liep hij voor hen uit.
Ada kwam langs een plank met schoenlepels. Ze was niet van plan iets aan te raken. Toch stopte ze haar handen in haar broekzakken. Noud keek naar een paar enorme gele laarzen op de onderste plank.
‘Voor vissen,’ zei André, die zijn blik zag. ‘Ze zijn lek. Nog wel.’
Hij deed de achterdeur open. Er kwam licht over de vloer van de gang. Ada zag eerst alleen een groene tuinbak op wielen, zo breed dat hij bijna het hele uitzicht vulde. Er groeide iets uit met grote bladeren.
‘De rabarber doet zijn best,’ zei André. ‘Loop maar rechts erlangs. De tegels liggen hier goed.’
Ada stapte naar buiten. Noud volgde. Imaan bleef bij de deur staan en hield de kopie omhoog.
Aan de linkerkant zaten twee lage boogramen. Ada zocht naar het derde. Voor het raam dat ze bedoelde stond de tuinbak. Ze boog opzij. Nu zag ze een stukje donkere boog boven de rand.
‘Drie,’ zei ze.
André zette de rem van de bak los en reed hem naar de andere muur. Hij duwde rustig, met twee handen. De kinderen bleven uit de weg. De grote bladeren wiegden nog toen hij weer stopte.
Daar was het derde raam, heel en rond van boven, met een spinnenweb in een hoek.

Ada liep twee stappen verder. Ze keek naar de verre muur en bleef staan. Boven een hoog smal raam zat een ronde lichte steen. Het was precies de plek van de oude deur. Daaronder waren geen rode treden. Er stond een leeg aarden potje op de tegels.
Ze liep om het potje heen en keek naar de vorm van de opening. Het hofje had in het echt een andere geur dan op papier: vochtige aarde en een beetje lijm uit de schoenwinkel. Maar de muren stonden waar ze moesten staan.
Bij de open deur zei Noud zacht: ‘Hij is niet zomaar een beetje hetzelfde.’
Ada keek terug naar Imaan bij de deur. De witte rand van de kopie bewoog in haar handen. Ada keek van de afdruk naar de muur en terug. Nu hoefde ze zich niet meer voor te stellen hoe het er buiten de foto verderging.