Hoofdstuk 3 van 13
Achter de bakker
In de bakkerij was de vloer van kleine zwarte en witte tegels. Ada zag eerst alleen schoenen: twee kinderlaarzen, een paar sandalen en Joosts grote witte klompen achter de toonbank. Er stonden nog drie mensen voor hen.
Noud hield de foto omlaag, zodat de man met de boodschappentas er niet tegenaan stootte. Imaan keek naar de grote bak met koekjes. Ada rook boter en wilde ineens ook een boodschappentas hebben, één waar iets in zat.
Toen ze aan de beurt waren, zette Noud de kopie niet op het glas. Er lagen kruimels op. Hij hield hem aan Joost voor.
‘Kent u deze plaats?’
Joost veegde zijn handen aan zijn schort. ‘Even zien.’
Hij keek, schoof zijn bril hoger op zijn neus en keek nog een keer.
‘Niet mijn deur. Maar dit is wel echt een achterplaatsje. Daar zouden die lage raampjes voor kunnen zijn.’
‘U hebt er toch ook een?’ vroeg Noud.
‘Jazeker. Met lege kratten en een bezem die altijd omvalt.’ Hij keek langs hen heen. De laatste klant stond nog geld uit haar portemonnee te halen. ‘Als zij klaar is, mogen jullie even mee. Dan doe ik meteen de kratten buiten.’
Ada stopte een muntje op de toonbank. ‘Drie kleine koekjes, graag.’
Ze had het muntje eigenlijk voor stickers bewaard. Maar stickers roken niet zo. Joost deed de koekjes in een zakje en rekende af. Daarna bracht hij de lege kratten naar de achterdeur. De kinderen liepen achter hem aan. Joost gaf de kopie aan Imaan terug. Ze hield hem hoog genoeg om geen krat te raken.
Achter de bakkerij was het koeler. De muren stonden dicht op elkaar. In een hoek lag een stapel plastic manden. De bezem stond er nog, rechtop, maar wel heel scheef.
‘Die zijn rond,’ zei Ada.
Ze wees naar de twee lage ramen onderaan de linker muur. De bovenkanten waren bogen, net als op de foto. Erboven zat een groot vierkant raam met een gordijntje dat bewoog.
Imaan hurkte zonder haar knieën op de grond te zetten. ‘Twee. En hier is de muur al afgelopen.’
Ada ging naast haar staan. Tussen de twee ramen zat een steen die uitstak. Op de foto stonden drie lage ramen, met ongeveer evenveel muur ertussen. Hier kon geen derde zitten achter de stapel manden; daar stond een deur.
Noud keek omhoog. Boven deze muur kwam geen rood dak met een schoorsteen uit. Alleen een plat dak met een duif erop. De duif streek met zijn snavel langs een vleugel.
‘Het past niet,’ zei hij.

Joost zette de kratten neer. Ze rammelden zo hard dat de duif opvloog. Ada dook een beetje in elkaar. De duif vloog over de muur en was uit het zicht.
‘En die ronde steen?’ vroeg Imaan aan Joost. Ze hield de kopie met één vinger bij de rand vast.
‘Boven die deur? Daar gaat lucht door. Wij hebben ook zoiets, maar aan de andere muur.’ Hij wees, zodat ze het verschil konden zien. Zijn steen was vierkant. ‘Ik herken deze plek verder niet. Aan de voorkant ziet een huis er vaak heel anders uit.’
Ada keek terug naar de deur waardoor ze gekomen waren. Buiten stond de naam van de bakkerij groot op het raam. Hier was alleen een handgreep en een streep op de muur waar kratten langs geschuurd hadden.
Ze gingen terug naar de winkel. Bij de toonbank gaf Ada ieder een koekje uit het zakje. Noud beet het zijne meteen doormidden. Ada wachtte tot ze zelf de buitendeur had opengeduwd.
Op het Pleintje was het even warm als daarnet. Imaan hield de kopie tegen haar buik, met het beeld naar hen toe.
‘We moeten drie ramen zoeken,’ zei ze. ‘Niet iets wat rood is.’
Ada knikte. Ze had voor vandaag twee plekken minder. Dat was nog geen plek meer, maar het was tenminste iets dat ze zeker wisten.