Hoofdstuk 5 van 13
Een kaart met achterkanten
De plattegrond in de bibliotheek hing te hoog. Tenminste, het deel dat Ada wilde zien. De Lindestraat stond boven haar hoofd, in een wirwar van dunne zwarte lijnen. Ze ging op haar tenen staan. Daardoor werd de straat niet lager.
‘Ik haal wel een stoel,’ zei Noud.
‘Ik heb een kaart voor op tafel,’ zei iemand achter hen. ‘Die klimt makkelijker naar beneden.’
Het was Tessa, die net een stapel boeken in een karretje had gezet. Ze pakte uit een brede lade een los vel. Ada voelde zich een beetje betrapt, hoewel ze nog niet op een stoel had gestaan.
Tessa legde de kaart op een lage tafel. Ze draaide hem zodat de ingang van de bibliotheek aan hun kant lag. De kinderen schoven eromheen. Noud boog zo ver voorover dat Imaan alleen zijn oor zag.
‘Eerst die even weg,’ zei Imaan.
Noud schoof op. Nu konden ze alle drie het Pleintje vinden. Het leek op de kaart nergens naar: een grijze vlek met dikke randjes. In het echt kon Ada zich er een uur vermaken met de fontein die niet altijd spoot.
Ze gaven Tessa de kopie. Zij bekeek de foto helemaal, ook de witte rand. Ze schoof de kopie naast de plattegrond.
‘Een achterplaatsje,’ zei ze. ‘Ik weet niet welk. Maar die heb je achter een heleboel winkels. Hier bijvoorbeeld.’
Op de kaart zag Ada dat de huizen niet allemaal losse vierkantjes waren. Een paar lagen met hun rug tegen elkaar. Andere vormden een rand om een witte ruimte. Er liepen geen straten door die witte stukjes.
‘Dat zijn tuinen en plaatsjes,’ zei Tessa. ‘Je kunt er niet zomaar in. Daarvoor moet je bij de mensen zijn die er wonen of werken.’
Imaan legde de foto naast zo'n wit stuk. Het was niet dezelfde vorm als op de kaart. Ada wilde zeggen dat dat het dus niet was, maar Tessa liet met haar twee handen zien hoe de foto schuin door de ruimte keek.
‘Een foto is geen tekening van bovenaf. De ramen kunnen hier langs staan, terwijl je denkt dat ze achteraan staan.’
Ada volgde met haar vinger de linker muur op de kopie. Die liep schuin naar achteren. De drie boogramen zaten erlangs. De deur zat in de verre achterwand, die haaks op de linker zijmuur stond.
Ze had het wel gezien. Nu kon ze het ook op de kaart uitproberen, met haar ene hand als zijmuur en de andere als achterwand. Dat zag er zo ernstig uit dat Noud de envelop als dak op haar handen legde.
Het hele huis stortte meteen in.
‘Dat was de wind,’ zei hij, en ving de envelop op.

Tessa maakte een kopie van de plattegrond. Ze hoefden niet de hele grote kaart mee te sjouwen. Op het vel stonden het Pleintje, de Lindestraat en de Wilgenstraat, met twee straten aan de zijkanten erbij.
Ada wees naar haar huis. Ze dacht dat ze goed zat. Tessa vroeg welk nummer het was en vond het samen met haar. De Lindestraat lag aan de ene kant van een lang huizenblok. Aan de overkant van dat blok lag de Wilgenstraat. Daar had Noud weleens nieuwe veters gekocht.
‘Dat is bij André,’ zei hij. ‘Er staat een heel grote schoen op zijn raam.’
Op de kaart stond geen schoen. Er stond alleen een rij kleine rechthoeken.
Ze schreven met potlood een stip bij de bakker en een klein kruis bij de wolwinkel. Dat waren de twee plekken die niet klopten. De rest bleef leeg. Ze hoefden niet alvast te doen alsof ze wisten waar de foto hoorde.
Bij de uitgang gaf Tessa hun een elastiekje voor de twee vellen en de envelop. Noud rekte het op tot zijn handen bijna op schouderbreedte stonden.
‘Niet schieten,’ zei Imaan.
Hij liet het langzaam weer klein worden. Ada deed het om de envelop. Binnen zat de foto met de beeldkant naar de kaart toe. Ada schoof beide vellen tot op de bodem en liep met de anderen naar buiten.