Hoofdstuk 6 van 13
Nog één straatje
Voor de bibliotheek wees Ada naar rechts. De straat daar liep omhoog, een klein beetje maar. Als ze daar gingen kijken, konden ze misschien over de muren heen het dak zien.
Noud wees naar links. Daar lag het Pleintje.
‘Ik ga knikkeren. Ik had met Sem afgesproken.’
‘Eén straatje,’ zei Ada. ‘Dan kom ik ook.’
Noud keek naar de klok boven de bibliotheekdeur. ‘We hebben tot vier uur gezocht. Dat is nu.’
Imaan leunde met haar rug tegen de muur. Ze had haar vest om haar middel geknoopt toen de zon warmer werd. Haar witte shirt zat bij de zoom een beetje scheef.
‘Ik wil ook even zitten,’ zei ze. ‘En ik moet straks naar huis.’
Ada voelde de envelop onder haar arm. Het dak op de foto was zo duidelijk. Hoe kon een ding dat duidelijk was toch overal en nergens zijn? Ze wilde naar de hogere straat, niet weer aan tafel vertellen dat ze twee verkeerde plekken hadden gevonden.
‘Ik loop er even heen,’ zei ze.
Ze kon over de stoep tot aan de hoek lopen, zonder een straat over te steken. Noud ging naar het Pleintje. Imaan bleef bij de bibliotheek, op de brede stenen rand onder het raam. Ada liep langs drie huizen en een garage. Ze keek steeds omhoog.
Het eerste dak had twee schoorstenen. Het tweede was plat. Het derde was rood, maar er stond een antenne op en geen schoorsteen. Daarachter stonden nog meer daken. Ada ging verder tot de hoek.
Ze had nog niets geleerd. Ze had alleen meer daken om niet zeker van te zijn.
Bij de hoek stond een bezorger met een steekwagen. Ada ging opzij. De wieltjes ratelden langs haar schoenen. Op de dozen stonden dezelfde pijlen, allemaal naar boven. De man liep rechtstreeks naar een voordeur, belde aan en wachtte. Ada wilde dat zij ook wist bij welke deur ze moest zijn.
Ze draaide om.
Imaan zat er nog. Ze schoof een stukje op zodat Ada naast haar kon zitten. ‘En?’ vroeg ze.
‘Een heleboel rode daken.’
‘Ik heb er hier ook één.’ Imaan wees recht omhoog. Ada keek. Het dak van de bibliotheek was bruin.
‘Bruin,’ zei ze.
‘O, dan hoef je die niet meer te bekijken.’
Ada ging naast haar zitten en begon te lachen. Ze was niet erg goed in stoppen met zoeken, merkte ze. Haar ogen bleven vanzelf op ramen en pijpen hangen. Ze haalde de envelop onder haar arm vandaan en legde hem naast zich.
Noud riep vanaf het plein. Hij had twee grote knikkers in zijn hand. Sem wilde best met drie spelen; Imaan hoefde niet mee als ze niet wilde. Zij bleef eerst zitten. Daarna kwam ze kijken.
Ada rolde haar knikker te hard. Hij vloog over het kuiltje en tikte tegen Nouds rode schoen. Noud gaf hem terug met de punt van zijn voet. Bij de volgende beurt raakte Ada de rand. De knikker bleef trillen voordat hij stilviel.

Imaan telde geen punten. Ze tekende met een dun takje een tweede klein rondje in het zand, een stukje verder. Toen wilde ze toch ook proberen.
Ze speelden tot Imaan naar huis moest. Ada nam de envelop weer mee. Noud had zijn knikkers nog niet allemaal gevonden; één heldere was even onzichtbaar geworden op een zonnige steen.
‘Morgen ga ik met papa,’ zei Ada. ‘Vrijdagmiddag is hij vrij. Dan kunnen we ergens vragen.’
‘Niet overal,’ zei Noud.
‘Nee. Eerst een plek kiezen waar het dak kan staan.’
Noud stak zijn gevonden knikker in zijn zak. ‘Ik loop wel mee naar jouw straat. Welke van al die ramen is dat van jou?’
Ada wees alvast naar de Lindestraat. Ze liepen langs de rand van het Pleintje en door de korte straat met de boekenkast achter het raam.