Hoofdstuk 7 van 13
Het dak daarachter
In de Lindestraat blies de wind tegen de deur van Ada's huis. Ze zette haar voet ervoor, zodat de deur niet tegen Noud aan kon klappen. Imaan was al naar haar eigen straat gegaan. Noud bleef nog even op de stoep.
‘Waar woon jij precies?’ vroeg hij.
Ada wees naar de ramen naast de voordeur. Op het glas zat aan de binnenkant nog een vierkant stukje plakband van de verhuizing. Achter het glas stond hun enige plant. Ze had thuis voor haar eigen raam nog nooit hoeven wijzen.
Noud keek niet naar de plant. Hij keek omhoog, naar het dak van de huizen aan de overkant. ‘Dat ding lijkt erop.’
Ada volgde zijn vinger. Boven de dakgoot stond een korte schoorsteen. Onder de bovenrand zat een bleke strook.
Ze trok het elastiekje van de envelop. Het knapte niet; ze liet het voorzichtig om haar pols glijden en haalde de kopie eruit. Noud ging naast haar staan.
Het dak op de foto was rood. Dit dak ook. De schoorsteen was niet hoog en smal zoals die van het huis ernaast, maar kort en breed, met dezelfde lichte band.
‘Niet alleen de kleur,’ zei Ada.
‘Ik kijk ook naar die rand,’ zei Noud.
Ada keek van het dak naar de foto. Op papier stond de schoorsteen links van de deur op de verre muur. Hier stond een huis voor haar neus. Aan de voorkant had dat huis gewone ramen met witte gordijnen. Ze zag geen enkele boog.
Haar vader deed de deur verder open. ‘Blijven jullie aan de stoep geplakt?’
Ada liet hem de twee daken zien: één op papier, één in de lucht. Hij stapte naar buiten. Noud legde de kaart op de lage vensterbank. Er kwam een windvlaag; Ada drukte haar hand op de hoek.
Haar vader wees op de kaart hun raam aan en daarna het huis tegenover hen. ‘Jullie staan hier. Dat dak is van die rij.’ Hij schoof zijn vinger over het hele huizenblok. ‘Als je daaráchter wilt kijken, kom je aan de Wilgenstraat.’
Ada draaide haar lichaam om, alsof de kaart met haar mee kon draaien. Ze wees naar de achterkant van het huis tegenover hen. ‘Ligt die plek misschien daarachter?’
‘Dat kan. Aan de andere kant van dit huizenblok staat de winkelrij aan de Wilgenstraat. Tussen deze huizen en die winkels zitten achterplaatsjes. Die kunnen we vanaf hier niet zien.’
Noud tikte op een klein rechthoekje. ‘André zit hier ergens. Ik weet het van de grote schoen. Ik wist niet dat het zo dicht bij jou was.’
Ada evenmin. Ze kon haar eigen huis zien en toch een plek missen die er bijna tegenaan lag. Ze dacht aan het lege binnenplaatsje, ergens aan de andere kant van de muur. Misschien hoorde ze het al dagen zonder te weten wat het was: een deur, een bezem, een stoel die werd verschoven.
‘Morgen na school?’ vroeg ze aan haar vader.
Hij knikte. ‘Dan lopen we die kant op. Eerst wel gewoon vragen bij de winkel.’
Ada belde Imaan met de telefoon van haar vader. Ze praatte zo hard dat Noud naast haar begon te grijnzen. Imaan was net thuis. Ze wilde de foto morgen zelf naast het dak houden voordat ze besloten dat het klopte.
‘Neem de hele kaart mee,’ zei ze.
Vrijdagmiddag stonden ze met vier bij Ada's raam. Imaan keek lang naar de schoorsteen. Daarna wees ze naar de lage muur op de foto, die voor het dak stond.

‘Als dit het dak is, ligt de plek aan de andere kant van die muur,’ zei ze. ‘Maar we moeten nog steeds drie ramen en die ronde steen vinden.’
Ada's vader had zijn jas thuisgelaten. Hij stopte zijn telefoon in zijn broekzak en pakte de kaart niet van hen over. Noud liep voor tot de hoek. Daar wachtten ze bij de oversteekplaats tot iedereen mee kon.
De Wilgenstraat rook naar warm asfalt en ergens naar patat. Ada keek niet meer alleen omhoog. Ze keek nu ook naar de deuren onder de daken, waar je iets kon vragen.