Hoofdstuk 8 van 12
De envelop
Bo stond helemaal vooraan.
Hij hield een plat pak tegen zijn buik. Zijn kin rustte op de bovenkant. Achter hem droeg Eva een tas met een bak die niet horizontaal wilde blijven. Papa probeerde de tas van onderen recht te houden.
‘Gefeliciteerd!’
Bo zei het als eerste en daarna gingen de anderen erdoorheen. Ik bukte om hem te omhelzen. Het pak kwam tussen ons in.
‘Niet breken,’ zei hij.
‘Zit er iets breekbaars in?’
Hij keek naar papa.
‘Het kan wel kapot,’ zei papa. ‘Alles kan kapot.’
Eva duwde hem zacht met haar elleboog. Ze gaf mij een kus op mijn wang en liet hem de tas overnemen. Mam kwam uit de keuken. Ze droeg nog haar schort en had een beetje bloem bij haar pols zitten.
‘Kom binnen.’
Bo duwde het pak nu helemaal tegen me aan. Ik pakte het over. Het voelde zacht onder het papier. De hoeken van het karton gaven het een vorm die eigenlijk niet bij de inhoud hoorde.
Ik trok een plakbandje los. Het papier wilde op één plek niet mee. Papa had het daar heel goed vastgezet.
‘Dat is nog van mij,’ zei hij.
Ik kreeg er mijn vinger onder en scheurde per ongeluk een halve hoek af. Daaronder zat een lichtblauw vest.
Hetzelfde vest dat ik een keer met Eva had bekeken. Ik had toen mijn eigen geld nog voor het zwembad willen houden. De knopen waren bijna dezelfde kleur als de wol.
Ik streek met mijn hand over de voorkant.
‘Mooi,’ zei ik.
‘Trek eens aan,’ zei Eva.
Ik had mijn schort nog om. Dat deed ik eerst af en hing ik aan de haak. Het vest schoof gemakkelijk over mijn shirt. De mouwen kwamen precies waar ik ze wilde hebben.
Bo kneep de lege papierhoek in elkaar.
‘Ik wilde dat pakje dragen.’
‘Dat zag ik.’
Ik liep naar de spiegel in de gang. Papa stond half achter me. Ik vroeg of hij een beetje opzij kon, want anders zag ik vooral zijn overhemd. Hij ging weg. Eva kwam naast me staan en hield een draadje van mijn schouder.
‘Daar was de winkel nog,’ zei ze.
Ik tikte met mijn vinger tegen het driehoekje onder mijn oor.
‘Van mam.’
Eva keek en glimlachte. ‘Die passen erbij.’
Ik bleef nog even naar het blauw boven het paars kijken. Toen deed ik het vest weer uit. Ik wilde het bij het eten aan, maar niet nu al met roomkaas op de mouw. Het kon boven op mijn stoel liggen.
Toen ik terugkwam, had papa de salade op het aanrecht gezet. Ernaast stond een klein plastic bakje met deksel.
Ik herkende het voordat ik het papier zag.
Bo liep naar de tafel. Hij legde zijn lege prop cadeaupapier op de zesde stoel. Daar lag geen bord voor.
‘Ik heb geen slinger mee,’ zei hij.
Ik pakte het bakje op. De rode lijn van de getekende tafel liep langs één rand. Daaronder lag een half hoofd met één heel groot oog.
‘Ik zie het.’
Bo keek naar mijn tafel. Hij wees op een van de lage glazen die ik voor kaarsjes had klaargezet.
‘Is dat om te drinken?’
‘Nee. Daar komt licht in.’
Hij ging dichterbij staan. Zijn vinger bleef boven de rand hangen. Er zat nog geen kaarsje in.
Ik deed het bakje open en haalde de bovenste strook eruit. Ik had hem donderdag nog in een ring willen buigen. Er zat een dun vouwtje op de plek waar ik hem had vastgehouden.
‘Wil jij nog iets met die stukjes?’ vroeg ik.
Bo schudde zijn hoofd. ‘Nee.’
Ik legde de strook terug.
‘Ik had je tekeningen heel moeten laten,’ zei ik.
Hij keek naar het bakje.
‘De taart was groot.’
‘Ja.’
‘En nu niet meer.’
Ik legde het deksel naast het bakje.
‘Dat spijt me.’
Bo schoof zijn sok een klein stukje over de vloer. Hij had zijn schoenen bij de deur uitgetrokken en er zat een naad onder zijn teen die hem stoorde.
‘Mag ik de stukjes bewaren?’ vroeg ik.
Hij dacht er even over na. ‘Dan moet je ze niet weggooien.’
‘Dat doe ik niet.’
‘Ook niet met het andere papier.’
Hij keek naar de prop op de zesde stoel. Ik pakte hem op en legde hem bij de doos van het vest.
‘Ik doe de stukjes ergens anders in.’
Ik haalde een grote envelop uit de la bij het dressoir. Er stond nog niets op. Bo keek toe hoe ik de repen er voorzichtig in schoof. De kleine bleven achter in het bakje. Ik hield het schuin en tikte heel zacht met mijn vinger tegen de bodem.
Het laatste stukje was een hand.
Ik deed het ook in de envelop en vouwde de flap dicht.

Bo hield zijn eigen handen naast elkaar, met de vingers over zijn broek. Toen keek hij naar Eva.
‘Wat moet er nu?’
Ze stond bij de koelkast en haalde de komkommer eruit.
‘Deze wassen. Wil je helpen?’
Hij liep naar haar toe.
Ik ging naar boven met de envelop. In de bovenste la van mijn bureau lagen kaarten, een oude foto en het bandje van een horloge dat ik niet meer droeg. Ik schoof de kaarten een beetje opzij en legde de envelop plat neer.
Ik schoof de la dicht.
Beneden had Bo een opstapje bij de gootsteen. Eva hield de komkommer met hem onder de kraan. Het water liep over zijn vingers en hij vond dat Eva de achterkant te kort waste. Ze draaide hem nog een keer om.
Papa opende zijn saladebak. Ik keek erin. De dressing zat apart. Er lagen kleine donkere olijven tussen de tomaat en de komkommer.
‘Die wilde ik,’ zei papa.
‘Lekker.’
Ik proefde er één. Hij was zacht aan de buitenkant en stevig in het midden. Papa pakte ook een vork. Hij deed eerst wat dressing op een klein beetje salade en hield me de vork voor.
Ik had mijn mond al open voordat ik zag dat er nog een vrij groot stuk tomaat aan zat. Ik nam het toch. Het sap liep bijna langs mijn kin. Ik pakte snel de doek die naast de kraan lag.
‘Goed?’ vroeg hij.
Ik knikte. Ik moest eerst slikken.
Mam riep dat de vorm naar de oven kon. Ik deed mijn schort weer om en ging naast haar staan. Het deeg zat tegen de rand, de vulling was nu niet te veel en de kaas lag er nog een klein beetje bovenuit.
Papa schoof opzij met zijn bak. Eva tilde het opstapje weg. Mam kon de oven openmaken zonder dat er iemand met een schoen voor stond.
De taart ging erin.
Bo wilde weten of we nu konden eten. Ik wees naar het bord met nog kale toastjes.
‘Bijna.’
Hij keek me aan.
‘Dat zegt papa ook altijd.’
Papa deed alsof hij het niet had gehoord en trok zijn overhemd een stukje recht. Ik pakte het mes voor de roomkaas en schoof de eerste toast naar me toe.