Hoofdstuk 2 van 12
Een vis op je bord
De vis had een open mond waar net een olijf in zou passen.
‘Die,’ zei Noor.
Ze tilde het bord van de stapel. Het was niet alleen een bord met een vis erop. Het hele bord was de vis. Blauwgroen, met een oog dat een eindje uitstak en een staart waar je waarschijnlijk iedere keer je brood tegenaan duwde.
‘Waar leg je dan de rest?’ vroeg ik.
‘Welke rest?’
‘Je eten.’
Ze hield hem vlak. ‘Erin.’
Ik wees naar het oog. Noor keek ernaar en draaide het bord een kwartslag.
‘Dan eet je eerst daar.’
Ik liep door naar de schalen. Noor bleef nog even met haar vis staan. We waren bij de tweedehandswinkel om de hoek van mams straat. Vanuit school waren we er samen heen gefietst. Mam had gezegd dat er vorige week nog twee mooie serveerschaaltjes stonden. Dat had ze tenminste onthouden, want zij bleef normaal vooral hangen bij lampen waarvan niemand wist waar je ze aan moest doen.
Ik wilde iets wat in het midden van de tafel kon. Laag genoeg om eroverheen te kijken. Op mijn foto zag je de hele tafel in één keer, zonder vaas voor iemands gezicht.
Er stond een roodbruine schaal die op een brood leek. Daarnaast lag een langwerpig wit schaaltje, met een dun randje waar het licht tegenaan bleef staan. Ik pakte het op.
‘Daar past niks in,’ zei Noor achter me.
Ze had haar vis nog steeds vast.
‘Kleine dingen.’
‘Hoeveel kleine dingen?’
Ik draaide het schaaltje om. Er stond geen prijs onder. Op de plank zag ik alleen een stukje karton met een pijl.
Hoort bij doos, stond erop.
Onder de plank stonden twee dozen. In de ene zaten glazen die allemaal een andere kant op leunden. In de andere lagen borden, met stukjes bruin papier ertussen.
Ik zette het schaaltje neer en hurkte.
Het bovenste bord was precies de goede kleur. Niet zo wit als een vel papier. Warmer. De rand liep een klein stukje omhoog, zonder bloem, stip of gouden krul. Ik streek met mijn duim over de bovenkant.
Noor ging op haar hurken naast me zitten. Haar tas tikte tegen de doos met glazen. We hielden allebei onze adem in.
De glazen bleven staan.
‘Dat is ook een manier om ons uit de winkel te krijgen,’ zei ze zacht.
Ik trok de witte doos een stukje naar voren. Er zaten meer van die borden onder. Diepe ook. En kleine. De tweede serveerschaal lag onderaan, een stuk groter dan degene die ik had vastgehad.
Aan de zijkant zat een prijskaartje.
Achtendertig euro.
Noor zag het ook. Ze zette haar vissenbord voorzichtig op de vloer naast haar schoen.
‘Voor alles?’
Ik knikte, hoewel niemand het ons nog had verteld.
Een vrouw met een donkerblauw schort kwam langs. Ze droeg een stapel kopjes, steeds met haar duim door een oor.
‘Die horen bij elkaar,’ zei ze. ‘Als je ze wilt bekijken, kun je ze op het tafeltje leggen.’
‘Alles voor achtendertig?’ vroeg ik.
‘Ja. Niet alles is even groot. Even tellen wat je nodig hebt.’
Ze zette haar kopjes neer en schoof een lege houten stoel bij het lage tafeltje. Wij begonnen de borden uit de doos te halen.
Er waren vier grote platte. Nog één plat bord dat iets kleiner was. Zes diepe, vijf kleine en twee schalen. Ik legde de vijf platte naast elkaar. Het kleinere zag je bijna niet als je niet wist dat je moest kijken.
‘Je hebt er maar vijf nodig,’ zei Noor.
Ik zette één diep bord op een groot bord en het kleine ernaast. Met een gewoon glas erbij, een servet, bestek.

Ik hoefde het glas niet echt op tafel te zetten om het te zien.
‘Ik heb vijfenveertig,’ zei ik.
Noor keek naar de doos. ‘Dat is dan bijna alles.’
‘Er blijft zeven over.’
Ze knikte. Haar vinger volgde de blauwe streep op de staart van haar vis.
Ik had mijn geld in mijn portemonnee zitten. Ik had het vanochtend meegenomen omdat ik niet wist of je hier met een pas kon betalen. Het kwam van kleine dingen die ik had gedaan, geld dat ik niet had uitgegeven, twee tientjes die ik heel lang onder de losse kaartjes in mijn la had laten liggen.
Ik had er steeds meer grote glijbanen voor gezien.
Nu zag ik borden.
‘Is ook leuk,’ zei Noor.
‘Wat?’
‘Dit. Als jij het wilt.’
Ik keek naar de vijf plekken die ik had gemaakt. Niet alle vijf tegelijk, want het tafeltje was te klein. Maar ze waren er wel.
Ik liep naar de vrouw met het schort en zei dat ik het servies wilde.
Ze kwam helpen met inpakken. Ik gaf de borden aan, zij schoof er papier tussen. Noor hield de doos recht. De grote schaal paste er schuin bovenop, met het witte schaaltje erin. Het leek veel minder toen alles weer ingepakt was.
Bij de kassa haalde ik de briefjes uit mijn portemonnee. Ik legde ze één voor één neer. Daarna zocht ik de munten. Noor stond naast me en draaide haar vissenbord om om het prijsstickertje te lezen.
Een euro.
‘Daar kun je geen nee tegen zeggen,’ zei ze.
‘Jawel.’
Ze gaf me een heel beledigde blik en kocht hem toch.
De vrouw schoof het wisselgeld naar me toe. Ik telde zeven euro en stopte het in het vak waar net nog de rest had gezeten. De bon vouwde ik klein.
Noor en ik zetten de doos op het smalle plankje bij de deur om onze tassen goed te doen. We konden hem met z’n tweeën dragen. Mam woonde maar een paar minuten lopen verderop. De fietsen lieten we nog even in het rek staan.
De doos drukte tegen mijn been. Noor hield haar kant een beetje hoger. Ik vroeg of ze hem lager kon doen en toen zakte hij aan allebei de kanten tegelijk.
We stopten.
‘We hebben al best veel gedaan,’ zei Noor.
‘Drie passen.’
‘Ja. Zonder iets te laten vallen.’
We pakten hem opnieuw vast. Deze keer kwam de doos tussen ons in en hielden we ieder één kant met twee handen. Het ging langzaam genoeg om alle etalages goed te zien.
Bij de bakker wees Noor met haar kin naar een rij gevulde koeken.
‘Dat zou ik doen. Acht borden koek.’
‘Je krijgt geen acht mensen aan mijn tafel.’
‘Eén mens kan acht borden krijgen.’
Ik begon te lachen. De doos schoof een stukje en ik moest mijn vingers verzetten.
Bij de winkel ernaast lag een rol felgroene stof voor het raam. Noor zei dat je daar sla van kon maken die de hele avond knapperig bleef. Ik zei dat we er gebakken fietszadel bij konden serveren. Er stond een fiets in de etalage aan de overkant.
We liepen verder en maakten ons menu af. Een bolletje vloerbedekking. Vers gesneden schoenveter. Een heel klein stukje van de kapper, geserveerd op een kale plek.
Bij dat laatste moesten we de doos neerzetten.
Ik zat half tegen mams voordeur geleund en lachte met mijn hoofd naar beneden. Noor stond met haar handen op haar knieën. Het vissenbord stak uit haar tas, veilig in een dikke prop papier.
Mam deed de deur open.
Ze keek naar mij, toen naar Noor en toen naar de doos tussen ons in.
‘Serveerschaaltjes?’
Ik knikte en pakte één kant van de doos.
‘Die zitten er ook bij.’