Hoofdstuk 3 van 12
Het kleine bord
Mam ging op de grond zitten om het papier uit de doos te halen.
‘Wacht,’ zei ik. ‘Deze moet bovenop blijven.’
Ze hield de grote schaal al in haar handen. Noor pakte het witte schaaltje eruit, dat nog veilig in het midden lag.
‘Ik heb hem.’
We zetten alles op de tafel. Noor maakte met haar vingers een staart achter haar eigen bord en zwom ermee langs de stapel. Mam hield haar hand onder de vis toen Noor een bocht maakte.
‘Die is geweldig.’
Noor keek naar mij. Ik keek heel nadrukkelijk naar de witte borden.
Ze moest naar huis. We gingen eerst samen onze fietsen bij de winkel ophalen. Toen ze wegreed, zat de vis diep in haar tas. Ik bracht mijn fiets naar de schuur en liep weer naar binnen.
Op tafel stonden mijn aankopen in vijf torens.
Ik pakte het kleine platte bord van de verkeerde toren. Op zichzelf zag je er niets aan. Naast een groot bord was het ineens heel duidelijk kleiner.
‘Dat hadden ze gezegd,’ zei ik tegen mam.
‘Wat?’
‘Dat er eentje anders is.’
Ze legde haar hand langs de rand. ‘Die nemen we voor mij. Ik schep toch altijd twee keer op.’
Ik legde het in het midden van een stapel. Er bleef nog een dunne rand van de andere borden omheen zichtbaar. Het was echt mooi. Je kon het ook anders gebruiken dan alleen zaterdag. Ik zag mijn gewone boterham erop en vond dat die er onmiddellijk meer zin in kreeg.
Mam ruimde het papier op. Ze viste de bon tussen twee proppen vandaan en legde hem naast me neer.
‘Achtendertig?’
‘Voor alles.’
Ze keek naar de stapels. ‘Wel heel wat anders dan twee schaaltjes.’
‘Die waren niet los.’
‘Nee, maar je had ook zonder schaaltjes kunnen.’
Ik draaide één bord om en weer terug. ‘Ik wilde ze graag.’
Mam knikte. Ze vouwde het papier plat. Ik pakte de bon en stopte hem in mijn portemonnee, boven op de zeven euro. Ik legde mijn portemonnee in de la van het kastje en haalde een vochtige doek voor de tafel. Er lag grijs stof op de plek waar de doos had gestaan.
We wasten het servies af. Ik mocht niet alles tegelijk in de gootsteen schuiven, want dan kon je er niets meer tussen pakken. Mam deed de borden een voor een door het water en gaf ze aan mij. Ik maakte een droge plek op het aanrecht en zette ze daar neer.
In het warme water werd het wit nog warmer. De randen waren glad. Bij één diep bord zat een klein blauw puntje aan de onderkant van de rand. Dat ging er met de doek niet af. Het zat onder het glanzende laagje.
Ik vond het een prettig puntje. Daardoor wist je welk bord het was, ook als alles op elkaar stond.
‘Waar ga je ze laten?’ vroeg mam.
Dat had ik nog niet helemaal bedacht.
We haalden het kastje naast de tafel leeg. Er stonden kaarsen, drie glazen potten zonder deksel en een blauw schaaltje met allemaal sleutels erin. Ik vroeg van welke deur de kleinste sleutel was. Mam zei dat ze dat allang niet meer wist, maar hem pas kwijt durfde te raken wanneer ze het wel wist.
De potten konden onderin. De kaarsen pasten in de la. De sleutels gingen naar de vensterbank. Ik zette de grote platte borden op de onderste plank, de diepe ernaast.
‘Niet zo hoog,’ zei mam toen ik de kleine erbovenop wilde zetten. ‘Dan moet je steeds alles optillen als je een andere wilt.’
Ik schoof ze opzij. Er was plek.
Van het geld voor mijn zwemdag kon ik nu bijna een heel kastje vullen.
Mam zette haar blauwe ovale schaal op tafel. Hij was groter dan mijn beide nieuwe schalen. Aan de binnenkant liepen donkerblauwe strepen naar het midden, alsof iemand er met een brede kwast in rond was gegaan.
‘Deze kan er mooi bij,’ zei ze.
Ik hield het witte schaaltje ernaast. Het blauw was ineens heel blauw.
‘Misschien voor later,’ zei ik.
‘Goed. Niet weer onder in de kast stoppen, want vanavond wil ik hem.’
Ik zette hem bij de pan op het aanrecht en haalde het kookboek van de plank. Er zat bloem langs de rug. Ik klopte het niet uit. Mam stond net weer met de doek klaar.
Ik bladerde tot ik de hartige taarten vond. Op de eerste foto zat zoveel op elkaar dat je geen punt zou kunnen pakken zonder iets terug te leggen. Op de volgende lag een lage taart met prei en kaas, goudbruin aan de rand. Je zag de stukjes prei nog. In het midden zat een dun bobbeltje waar de kaas donkerder was geworden.
Ik hield het boek onder mams neus.
‘Deze.’
Ze las de bladzijde en schoof haar bril wat hoger. ‘Dat kan. Zullen we morgen eerst een kleine proberen?’
‘Hoezo?’
‘Omdat je hem nog niet hebt gemaakt.’
Ik keek naar de foto. Het was niet iets waarvan ik vanzelf kon weten hoe de bodem voelde als hij klaar was.
‘Met Noor?’
‘Als zij zin heeft. Ik ben morgen thuis.’
Ik stuurde Noor een foto van de taart. Ze antwoordde met haar vissenbord op de keukentafel. Er lag één blokje kaas in de mond.
Dat zag er belachelijk goed uit.
Mijn telefoon ging voordat ik een antwoord had afgemaakt. Papa.
Hij wilde weten of hij zaterdag zijn appelcake zou maken.
Ik keek even naar de bladzijde. Papa’s cake had stukjes appel die naar één kant zakten. Als hij hem uit de vorm haalde, zaten er weleens drie aan de bodem vast. Die peuterden Bo en ik er dan uit terwijl de rest afkoelde.
‘Ik wil iets anders,’ zei ik.
‘Wat dan?’
Ik sloeg de bladzijde om. Bij de zoete dingen zag ik de chocoladerol waar ik eerder al naar had gekeken. Bruin aan de buitenkant, een lichte spiraal vanbinnen. Mam had zoiets vorig jaar eens bij de bakker gehaald.
‘Een chocoladerol.’
‘Ook lekker,’ zei papa.
‘Mam?’
Ik hield mijn telefoon opzij en wees. Mam knikte. ‘Die kan ik morgen bij de bakker bestellen. Dan haal ik hem zaterdag.’
‘Een chocoladerol,’ herhaalde ik tegen papa, alsof het nu pas helemaal bestond.
‘Zal ik dan iets anders meenemen?’
‘Salade?’
Hij vroeg wat voor salade. Ik zei dat hij dat wel wist. Hij zei dat hij heel veel salades wist. Ik moest lachen en keek naar de hartige taart, die ik inmiddels opnieuw had opgezocht.
‘Met tomaat en komkommer. En zo’n dressing die jij doet.’
‘Goed. Zonder rauwe ui voor jou.’
‘Voor iedereen. Anders ligt het straks op alle bordranden.’
Papa zei dat hij er rekening mee zou houden. Hij vroeg of ik nog gewoon naar hen toe kwam. Dat zou ik. Ik moest alleen mijn spullen nog pakken.
Na het bellen ging ik naar boven voor mijn schooltas. Ik nam de grijze jas, mijn boek en de trui voor morgen mee naar beneden. Mam legde een papiertje tussen de bladzijden bij het recept, zodat ik het terug kon vinden.
Ik keek nog één keer naar de tafel. Er stond nu bijna niets op. Alleen het kookboek en mijn kleine witte schaaltje.
In het schaaltje lag een sleutel die mam blijkbaar toch niet goed op de vensterbank vond liggen.
Ik haalde hem eruit en legde hem bij de andere.