Hoofdstuk 5 van 12
Er moet iets in
Vrijdag kwam Noor met een komkommer de school uit.
Hij stak uit de bovenkant van haar tas. Ze hield hem even omhoog toen ze mij bij het hek zag staan.
‘Voor erbij.’
‘We gaan eerst proberen.’
‘Daar kun je ook komkommer bij eten.’
Ik lachte. Ze duwde hem terug tussen haar boeken, gaf haar tas aan mij en maakte haar fietsslot open.
‘Mijn vis heeft vanmorgen yoghurt gehad,’ zei ze.
‘Die van mij niet.’
Ze keek naar mijn gezicht. ‘Jij hebt geen vis.’
‘Dus dat klopt.’
Ze trok haar tas uit mijn handen en deed hem op haar rug. Ik stond een stukje opzij zodat zij haar fiets uit het rek kon trekken.
We fietsten naar mam. Ik had mijn spullen van papa bij me, maar niets was zo zwaar als gisteren die doos. Bij de bocht reed Noor voor me. Ze ging om een plas heen die helemaal niet diep was en kreeg daardoor juist een streep modder tegen haar broek.
Ik zag het, maar ze reed al verder. Thuis vertelde ik het haar pas. Ze keek naar de streep en zei dat hij er bij het bakken vast gezelschap bij kreeg.
Mam had de spullen klaargezet op het aanrecht. De prei lag naast een kaasrasp, de boter stond in een schaaltje en het kookboek lag open. Er zat een nieuw papiertje bij om de goede bladzijde te houden.
‘Ik heb de rol besteld,’ zei ze. ‘Morgen haal ik hem.’
‘Lekker,’ zei Noor.
‘Zaterdag,’ zei ik.
‘Ik kan dat best nu al vinden.’
Mam gaf haar gelijk. Ze ging bij de tafel zitten met een paar rekeningen en liet ons de keuken in. Ik trok mijn sweater uit en hing hem aan de leuning. Over mijn steenrode T-shirt deed ik het groene schort dat aan de haak bij de koelkast hing. Ik sloeg de banden achterlangs naar voren, zodat ze niet tot mijn knieën hingen.
Noor deed het andere schort om, met een enorme bloem op haar buik. Ze trok de stof aan twee kanten strak om de bloem te bekijken.
‘Hij is groot,’ zei ik.
‘Dat was ook mijn bezwaar.’
We wasten onze handen. Noor hield de komkommer onder de kraan. Ik pakte de kom voor het deeg.
Het eerste stuk boter wilde niet uit het schaaltje. Ik schraapte met een lepel langs de rand en kreeg het grootste deel in de kom. Noor strooide de bloem erover. Het kwam als een kleine witte deken op de gele bobbels terecht.
We keken naar het kookboek.
‘En nu gewoon met je handen?’ vroeg Noor.
Ik knikte en stak mijn vingers erin.
De boter voelde eerst koud. Daarna werd het plakkerig aan de binnenkant van mijn vingers en droog aan de buitenkant. Er bleef een klontje aan mijn ringvinger zitten dat ik met mijn andere hand wilde wegpakken. Toen had ik het aan allebei.
Noor stond naast me te wachten op een opdracht. Ik hield mijn handen boven de kom.
‘Jij moet de kom vasthouden.’
‘Dat is een hoge functie.’
Ze zette allebei haar handen om de rand. Ik kon nu harder kneden zonder dat alles over het aanrecht schoof.
Toen het deeg aan elkaar bleef zitten, was ik er blijer mee dan ik had verwacht. Ik maakte er een bal van en hield hem op. Er zat één droge barst aan de onderkant. Ik kneep hem dicht.
‘Hij ziet eruit als deeg,’ zei Noor.
Ik draaide me naar de tafel. ‘Mam. Kijk.’
Ze kwam erbij en voelde met een schone vinger aan de rand. ‘Goed. Even laten rusten nu. Dan kunnen jullie de vulling doen.’
We pakten de bal in. Noor wilde hem een naam geven. Ik zei dat ze hem dan straks niet meer op zou willen eten. Ze legde hem heel voorzichtig in de koelkast, op een lege plank tussen een pot augurken en een bakje dat mam wel nog nodig zou hebben.
Ik sneed de prei open om het zand eruit te spoelen. In de eerste zat meer dan je aan de buitenkant kon zien. Noor hield de blaadjes uit elkaar en ik liet het water ertussen lopen. De geur kwam al omhoog voordat er iets in een pan lag.
Mam kwam een keer langs om een dikkere stengel door te snijden. Ze liet me daarna weer verder gaan. Noor raspte kaas in een diep bord. Iedere keer dat ze stopte, at ze het kleinste stukje op.
‘Dat moet erin,’ zei ik.
‘Dit kwam er niet meer overheen.’
Ze liet het laatste hoekje kaas zien. Het was inderdaad bijna alleen nog iets wat je vast moest houden.
In de pan werd de prei langzaam donkerder groen. Ik roerde. Het sisgeluid was minder luid dan toen ik alles erin had gedaan. Er kwam een geur bij waar ik trek van kreeg, ook al had ik nog deeg aan mijn pols zitten.
Noor tikte een ei kapot boven de kom. De helft van de schaal hing even aan elkaar voordat het losliet. Ik viste een klein stukje eruit met een lepel. Zij keek heel geconcentreerd de andere kant op.
‘Niemand heeft iets gezien,’ zei ik.
Ze gaf me de kom aan. Ik klopte. De gele strepen werden lichter en daarna zag je niet meer waar de dooier geweest was.
We roerden de prei en de geraspte kaas door het geklopte ei. Toen haalden we het deeg uit de koelkast.
Het uitrollen ging minder goed dan het kneden. Het midden bleef dik, één rand werd flinterdun en er ontstond een vorm die niet bij de ronde bakvorm hoorde. Ik probeerde hem op te tillen. De dunne kant bleef aan het aanrecht liggen.
‘We doen hem erin,’ zei ik.
Noor keek naar de losse kant.
‘Met z’n tweeën.’
We kregen het grootste stuk in de vorm. Het trok zich meteen een beetje terug van de rand. Ik duwde het omhoog. Aan de andere kant zakte het weer naar binnen.
Mam kwam naast me staan. ‘Je mag het ook gewoon aandrukken met je vingers. Het hoeft er niet in één keer in.’
Ik haalde adem. Noor pakte het afgescheurde stuk en hield het boven de kale plek.
‘Herstelwerk.’
We drukten het vast. Ik ging langs de hele rand, Noor draaide de vorm. Er ontstonden kleine afdrukken die naast elkaar pasten.

Daarna hielden we de kom met de vulling erboven.
Er zat nog vrij veel in toen het midden van de taart al vol leek.
‘Ho,’ zei Noor.
Ik hield de kom stil.
We keken naar de vorm. Toen naar de rest. De prei was niet kleiner geworden van het bakken op de manier die ik had gehoopt.
‘Dat is dus de grote hoeveelheid,’ zei mam. Ze pakte het boek van de tafel en draaide het onze kant op. Haar vinger stond bij de maat van de vorm.
Ik had voor de proef de kleine gepakt.
‘O.’
Mam pakte een klein ovenschaaltje voor de rest. Daar hoefde geen deeg onder, zei ze. We konden het gewoon allebei proeven.
Op de rand van de taart zat een klein deegflapje. Ik duwde het naar binnen. Noor drukte haar vinger ernaast en kreeg de richel weer omhoog.
‘Nu is hij mooi,’ zei ik.
Ze deed haar handen achter haar rug.
Mam schoof de vorm in de oven. Het kleine schaaltje ging ernaast. Ze deed de deur dicht en keek door het glas.
Wij stonden naast haar, alle drie op hetzelfde kleine stukje vloer.
Het leek nu al iets wat je straks echt op een bord kon leggen.