Hoofdstuk 7 · 9 minuten lezen
Drie kamers zijn nog geen huis
Voor het grote doek open mocht, veegde Aron de hele lengte van het tuinpad. Er lag één nat blad dat aan de bezem bleef plakken. Hij probeerde het los te schudden. Het blad schoof een stukje op, maar bleef zitten.
Mila pakte het bij de steel.
‘Ook een manier,’ zei hij.
Ze legde het in de plantenbak. Daarna hielpen ze de schone onderlegger goed leggen. Oma en Ilyas droegen de grote stof naar buiten. De drie patroonvelden kwamen naast elkaar te liggen. De maan was nog vrij van wolken.
Tijdens het wachten zette Aron zijn vis op de bank. Hij had een stukje papier tussen de twee helften van de wasknijper gestopt, zodat de bek open bleef.
‘Hij wacht op zijn eten,’ zei Mila.
‘Hij vraagt om een beter uitzicht.’
Aron draaide hem naar de muur. De muur bleef stil. Mila tekende op hun papier de drie kamers als blokjes naast elkaar. Dat ging veel sneller dan haar tekening van de keuken.
Toen de stof genoeg licht had, namen de volwassenen hem weer op. In het raam lieten ze de gele zone naar het midden glijden. Oma deed het rustig. Mila zag de gewone steken bewegen, daaronder de zilveren draden. Toen verscheen de oude keuken.
Aron zette een voet door de opening en trok hem meteen terug.
‘Het is koud.’
‘Een beetje,’ zei Mila. ‘Je went eraan.’
Hij stak zijn voet weer naar binnen. Zijn tweede schoen bleef nog op de echte vloer. Hij keek van zijn eigen handen naar de tafel, draaide zich om en stapte terug.
De kartonnen vis zat nog in zijn hand.
‘Die gaat dus gewoon mee.’
‘Jij ook,’ zei Ilyas.
Aron haalde zijn schouders op, maar bleef nog even aan de echte kant staan. Toen liep hij helemaal naar de tafel. Hij legde de vis erop en trok een van de geleende stoelen naar zich toe.
‘Die kan voor het gordijn.’
Oma legde een hand op de rand van het raam. ‘Laat maar zien.’
Aron tilde de stoel een stukje op. Hij liep achteruit naar de opening. Bij de rand werd het hout dun. Mila zag zijn broek erdoorheen. Hij zette nog een stap en hield ineens niets meer vast.
De stoel stond weer in de keuken, op zijn oude plek.
Aron keek naar zijn lege vingers. ‘Dan moeten we zelf een stoel halen.’
Mila pakte de kartonnen vis van tafel en bracht hem mee naar buiten. De wasknijper deed nog steeds precies hetzelfde als eerst. Ze liet hem één keer happen naast Arons hand.
‘Die wel.’
Hij knikte, langzaam dit keer.
Daarna moest iedereen uit de keuken. Oma verschoof de stof over de rollen. De tafel verbleekte al voordat de gele lijn helemaal opzij was. Even zag Mila een stoelpoot zonder stoel. Toen waren er alleen zilveren draden.
De donkerrode steken kwamen in het midden.
Er verscheen een kamer met een smal raam en een lange plank langs de muur. Daarop stonden houten klossen, een vaas met iets donkers erin en een naaimachine met een groot rond wiel. Een meetlint hing naast de deur. Het hing zo recht dat Mila eerst dacht dat het vastgeplakt zat.
‘De naaikamer,’ zei oma.
‘Boven in het huis?’
‘Naast de kleine slaapkamer. Later hebben we er boeken neergezet.’
Mila kende die kamer. Ze kende alleen die plank niet, en de naaimachine evenmin. Het raam hoorde volgens haar veel groter te zijn. Misschien kwam dat doordat er nu een donkere rol stof voor lag.
Aron liet zijn vinger langs de omtrek van het wiel gaan. Het draaide een klein stukje en viel terug. Er kwam geen machinegeluid.
‘Kun je er iets mee naaien?’ vroeg hij.
‘Het zijn lichtvormen,’ zei oma. ‘Je krijgt er geen echte draad uit.’
Mila keek naar de plek waar vroeger haar stapel stripboeken had gestaan. Ze had daar ooit een hele middag gelezen terwijl oma beneden werkte. In deze versie van de kamer paste net één stoel.
‘Zat jouw moeder hier de hele dag?’
‘Soms. Soms ook nog 's avonds.’ Oma pakte een rand van het raam vast. ‘Dan bracht ik haar thee. Ze liet hem meestal koud worden.’
Mila keek naar de lege plek naast de machine. Er stond geen kopje. Er zou nooit iemand binnenkomen om het neer te zetten.
Aron maakte met zijn tong een kort tikkend geluid.
‘Niet die machine nadoen,’ zei oma. ‘Die hoorde je beneden nog.’
Hij hield op. Mila dacht even dat oma boos was, maar ze keek alleen naar het raam, met haar mond een beetje opzij.
De groene kamer was lichter.
De serre had ramen aan twee kanten en een rieten stoel met een dikke zitting. Op een lage vensterbank stonden drie lege potten. Achter het glas hing een stil gordijn van regendruppels. Aan een dun takje bleef een grote druppel hangen die maar niet viel.
Aron zette zijn rijstblik neer op de echte vloer. Hij ging de kamer in en tikte met zijn nagel tegen het lichtglas. Er kwam geen regen bij. Hij liep terug, pakte het blik en schudde heel langzaam.
Nu hoorde Mila de regen.
De kartonnen vis keek om de leuning van de stoel. Hij deed zijn bek open.
‘Daar had ik graag eerder van geweten,’ zei Aron met een stem die hoger was dan de zijne.
‘Van wat?’ vroeg Mila.
De vis draaide naar het regenraam. ‘Dat jullie hier lucht bewaren waar ik niet in kan zwemmen.’
Ilyas ging op een echte stoel naast de opening zitten. Hij lachte één keer kort, om het einde van de zin niet te missen.
Mila kwam dichterbij. ‘Dan kan de visser binnenkomen en uitleggen dat het een serre is.’
Aron liet de vis naar haar draaien. ‘Misschien weet de visser dat ook niet.’
‘Het is toch oma's huis.’
‘Voor de vis niet.’
Mila keek naar oma. Die zat even op de rieten stoel. Haar handen lagen los op haar schoot.
‘Hier zaten we als het in de keuken te warm werd,’ zei ze. ‘Mijn moeder had er bijna nooit tijd voor.’
‘Maar jullie zaten altijd aan die grote tafel,’ zei Mila.
‘Jij en ik vaak genoeg.’ Oma kwam overeind. ‘Niet iedereen die in dat huis gewoond heeft deed hetzelfde.’
Ilyas keek op zijn horloge. Ze hadden tijd om alles rustig uit het raam te nemen. Tegen de tijd dat ze de grote doek weer in de tuin spreidden, was de maan achter wolken verdwenen.
Mila bleef staan met de onderlegger recht onder haar vingers.
‘Kan het nu wel?’
Oma knikte. ‘Voor lenen moet de maan zichtbaar zijn. Terug kan ook zo. Kijk maar.’
De zilveren glans werd zwakker. Er was nergens een gat in de wolken, geen maanlicht op het pad. Toch liepen de randen leeg, daarna de rest. Mila liep nog een keer langs het doek om te zien of er geen omgeslagen hoekje was.
Aron legde hun kamertekening op de bank. ‘Ik wil die regen doen.’
‘En de keuken,’ zei Mila.
‘Ook,’ zei hij.
Die avond bleef de grote rol in de berging van het buurthuis. Thuis bond Mila het blauwe lint nog eens netjes om de kleine lap en stopte hem met het kaartje achter de slopen. Ze schoof de stapel ervoor.
Op het kamertekeningetje had Aron onder de serre een vis getekend. Mila zette onder de keuken een tafel.