Hoofdstuk 4 · 8 minuten lezen
Wat niet in de verhuisdoos past
Zaterdagochtend stond op de kleine tafel een bord met twee boterhammen en een schroef. Mila keek naar de schroef.
‘Die is voor de stoel,’ zei oma. ‘Niet voor op je brood.’
Mila ging op de andere stoel zitten. Buiten reed iemand een groene bak over de stoep. Van boven klonk het als onweer. Ze had verwacht dat ze oma in de keuken zou vinden, met haar rug naar de achterdeur en de waterkoker op de grote tafel. Nu zat oma tegenover haar, zo dichtbij dat hun borden elkaar bijna raakten.
‘Welke dozen?’ vroeg ze.
Oma schoof haar bril hoger. ‘Eerst deze. Dan de lange.’
In de eerste doos zaten onderzetters, een keukenwekker en zeven deksels die niet op de platte doos van gisteren pasten. Mila maakte een rijtje. Van groot naar klein zag het eruit alsof er één deksel ontbrak.
‘Dit hoort vast nog bij de oude tafel,’ zei ze.
‘Een deksel?’
‘Die hele doos. Er zitten altijd spullen in de la daaronder.’
‘Dat klopt. Daarom heb ik de la leeggemaakt.’
Mila zette de keukenwekker op de vensterbank. De lege hoek naast het raam was ruim genoeg voor één kant van de werktafel, dacht ze. Als de andere kant een beetje voor de keukendeur stond, kon je daar nog langs.
Oma volgde haar blik.
‘Daar wil ik een tafel waaraan ik kan zitten zonder mijn knie tegen een la te stoten.’
‘Dat deed je vroeger nooit.’
‘Jij zat aan de andere kant.’
Mila draaide het kleinste dekseltje om. Ze had oma wel eens over die knie gehoord, maar alleen als er iets op de vloer gevallen was. Daarna raapte ze het meestal zelf op.
Ze schoven de stoelen aan de kant om bij de lange verhuisdoos te komen. Ernaast stond een plat houten ding, in een deken gewikkeld. Onder het plakband had iemand RAAM geschreven.
‘Is dit van het oude schuurtje?’ vroeg Mila.
Oma trok de deken los. Twee gladde rollen kwamen tevoorschijn, met een houten verbinding ertussen. Het had geen glas. Als het rechtop stond, was het iets hoger dan Mila.
‘Van mijn moeder.’
Mila liet het deksel van de doos zakken. Daarbinnen lag een brede rol grijze stof, in een dunne katoenen hoes. Aan de uiteinden zaten kartonnen doppen. Geen licht.
‘Nog zo'n lap?’
‘Een veel grotere.’ Oma maakte de hoes een stukje open. ‘Pak de rol hier vast. Niet aan de stof.’
Samen legden ze hem op twee tegen elkaar geschoven stoelen. Mila kon de bovenste laag zien. Er liepen gewone gekleurde steken overheen: geel, verderop groen, en bij het andere uiteinde een donker rood dat bijna bruin was. Daaronder glansden heel fijne draden als je er schuin naar keek.
‘Wat is het?’
Oma streek een kreuk uit de hoes. ‘Daar staan kamers op. Mijn moeder heeft ze gemaakt toen ze hier nog in het oude huis werkte.’
Mila boog dichterbij. De gele steken vormden een hoek, een klein vierkant en iets wat een deur kon zijn.
‘Een plattegrond?’
‘Niet helemaal.’
Mila keek op. Oma stond naar de gele lijn te kijken met haar duim tegen de rand van de rol. Zoals gisteren naar de kleine lap, voordat ze wist wat Mila ermee had gedaan.
‘Kunnen we hem proberen?’
‘Eerst meten.’
Oma haalde een rolmaat uit de keukenla. Die had ze dus al wel een plek gegeven. Op een oud envelopje schreef ze twee getallen. Eén meter tachtig bij twee meter veertig.
Mila deed de balkondeur open. Ze haakte het uiteinde van de rolmaat om de drempel en liep naar het hek. Honderdtwintig centimeter. Ze keek naar het envelopje.
‘Over de lengte kan hij wel.’
‘En over de breedte?’
Mila keek naar de ruimte buiten het hek. Een verdieping lager liep een man met een boodschappentas.
‘Nee.’
‘Dan lenen we er geen licht in. We moeten hem helemaal plat kunnen terugleggen. Niet dubbel, niet half over dat hek.’
Mila rolde de maatband langzaam in. Op de muur naast het balkon stond een smal streepje zon. Ze had het licht graag meteen willen zien.
Oma belde meneer Ilyas. Ze luisterde, keek naar het raamwerk en zei dat het niet om de lamp ging. Daarna gaf ze Mila het envelopje.
‘Jas aan. We gaan eerst kijken.’
In het buurthuis stond de poppenkast met het gordijn open. Aan de kapotte lamp hing een briefje dat de monteur maandag kwam. Ilyas was de vloer aan het vegen. Hij zette de bezem tegen de muur toen ze binnenkwamen.
‘Zonder pop,’ zei hij. ‘Ik heb gisteren genoeg gezwommen.’
Oma vertelde over de grote stof en liet de maten zien. Mila hoopte dat Ilyas meteen zou vragen of hij hem mocht zien. Hij pakte eerst de deur naar de zijruimte en deed hem helemaal open.
‘Hier kunnen we langs. En dan naar de tuin.’
Ze liepen samen de route. Geen nauwe trap, geen deuren die alleen op een kier konden. Achter de zaal lag een ommuurde tuin met een rij plantenbakken. Daartussen liep een breed, recht pad.
Mila mocht het ene uiteinde van de rolmaat vasthouden. Ilyas liep achteruit tot de band niet verder hoefde. Ze keken naar het envelopje. Het grote doek paste, met ruimte langs alle kanten.
‘Hier kan een schone onderlegger,’ zei oma. ‘En er hangt niets boven.’
Mila keek omhoog. Alleen lucht.
‘Vanavond ben ik hier tot tien uur,’ zei Ilyas. ‘Je kunt in de zijruimte werken. Als het langer wordt, zeg je het vóór ik de stoelen op tafel heb.’
Oma keek de tuin nog eens rond. ‘En het raam kan voorlopig hier blijven?’
‘Ik heb plaats in de berging. Zolang je er niet nog een zee bij meebrengt.’
Terug bij oma moest Mila de deuren openhouden. Oma en Ilyas droegen het houten raam tussen hen in, langzaam de gewone trap af. De brede rol ging daarna, nog in zijn hoes. Mila droeg de tas met het envelopje en de rolmaat. Ze moest steeds sneller lopen om de deur vóór hen te halen.
In de zijruimte rolden ze de hoes een klein stukje terug. De hele stof kwam nooit op de kale vloer. Oma liet zien hoe de zijkanten los over de gladde rollen konden rusten. In het midden bleef een smal recht vlak staan, ongeveer zo breed als de deur van Mila's kamer.
‘De rest hoort er dus nog bij,’ zei Mila.
‘Alles. Het is één stuk.’
Mila wees op de gele steken in het midden. ‘Is dat jouw keuken?’
Oma knikte.
‘De echte?’
‘Van lang geleden.’
Mila deed een stap naar het vlak toe. De stof hing grijs en stil. Achter haar ritselde Ilyas de katoenen hoes op een plank. Ze keek nog een keer naar de gele deurvorm, maar er ging niets open.
Ze moesten wachten tot het avond was.