Hoofdstuk 17 · 8 minuten lezen
Aan de achterkant
Mila legde de kartonnen mal op een stoel. Haar potloodstreepjes waren nog zichtbaar. Het zag er kleiner uit dan toen ze ermee tussen de doek en de rol had gestaan.
Aron schoof de stoel met zijn voet opzij. Hij wilde langs haar naar de tafel.
‘Niet weggooien,’ zei ze.
‘Dat doe ik niet.’
Hij legde de mal bij de losse blauwe draden. Daarna ging hij aan de andere kant staan. Mila trok haar handen in haar mouwen. Ze had verteld wat ze gedaan had. De plooi was er nog.
Oma keek naar het raamwerk. Achter de opening stond de gewone achterwand van de zaal. Van de drie kamers was niets meer te zien. In de stof zelf zat nog een bleke glans, vooral rond de dikke vouw.
‘We halen hem er helemaal af,’ zei ze. ‘Op tafel kan ik beter bij de achterkant.’
Mila keek naar de bovenrand. ‘Kan dat met die prop?’
Oma streek met haar vinger langs een vrije zijkant, ruim naast de kuil. ‘Deze kant ligt nergens aan vast. Dat kunnen we dragen.’
Ilyas schoof de poppenkoffer onder de werktafel vandaan. Hij sloot het deksel en zette hem naast de kast, uit de looproute.
‘Die is klaar voor vandaag.’
Oma en Ilyas legden eerst een schone gladde onderlegger op de brede werktafel. De houten naaidoos ging naar de kast ernaast. Mila pakte de glazen van de hoek en zette ze op een andere tafel. Er zat onder één glas een vochtige kring. Ze veegde die weg, hoewel de stof er niet zou komen.
‘Kun jij daar blijven staan?’ vroeg oma. Ze wees naar het open gedeelte van de tafel. ‘Als er een rand gaat schuiven, zeg je het. Niet zelf aan de plooi pakken.’
Mila knikte.
Ilyas hield een van de buitenrollen vast terwijl oma de doek ervan afnam. Aan de andere kant moesten ze even wachten. Er zat een gewone lus om een steun, precies waar die hoorde om de buitenrand te dragen. Oma maakte hem los. Het zilveren weefsel zakte in een brede boog tussen hun handen.
Mila liep mee langs de tafel. De donkere kuil bleef op dezelfde plaats zitten. Het raamwerk stond leeg toen ze de hele doek hadden neergelegd.
Ilyas zette de rollen ernaast. Daarna schoof hij het houten raam tegen de muur, waar het niet kon omvallen.
‘Zo. Mijn armen mogen ook weer iets anders.’
Hij schudde zijn handen los. Oma trok een stoel bij de tafel en ging zitten. Mila merkte nu pas hoe vaak haar oma de afgelopen minuten op haar hakken had geleund.
De voorkant van de doek gaf een koele gloed tegen de onderlegger. De achterkant zag er grotendeels gewoon uit. Grijs, met gekleurde draadjes en wat dikkere steken. Alleen bij de plooi lag alles over elkaar.
Aron schoof de kartonnen mal dichterbij. ‘Moet die deze kant op?’
Mila hield haar hand boven het karton. ‘Andersom. Die stip zat boven.’
Hij draaide hem om zonder iets te zeggen.
Oma pakte haar bril van de tafel. ‘Laat mij eerst zien waar je begon.’
Mila wees. Ze hoefde nu geen draad meer vast te houden om te laten zien hoe het had gezeten. De blauwe verbinding was weg. Toch liepen twee gele steken op een plek waar eerst alleen groen was geweest.
‘Hier ging ik erachterlangs. En toen wilde ik dat het bleef staan.’
Ze voelde Arons blik, maar keek naar de stof. Oma volgde de route met de stompe stopnaald. De punt schoof over de onderlegger waar het weefsel vrij lag. Ze stak hem nog nergens doorheen.
‘Die buitenste kunnen we terugleggen,’ zei ze.
Mila schoof haar stoel aan. Oma liet haar een los geel boogje zien, vlak naast de dichtgetrokken rand. Het lag dubbel over een groene steek. Ze gaf er wat ruimte aan en hield het open.
‘Nu daar.’
Mila hielp met het stompe uiteinde van de naald. Ze hoefde maar weinig te bewegen. Het gele boogje viel terug op zijn oude plaats. De stof ontspande aan één kant.
‘Hij wordt kleiner,’ zei Aron.
Mila boog dichterbij. De bovenste laag van de plooi lag nu iets platter. Onder die laag liep echter nog een tweede vouw terug. Aan de zijkant kon ze drie randjes zien, boven elkaar, als een scheef gevouwen brief.
Ze wilde meteen naar het volgende boogje. Oma legde haar hand op tafel, naast Mila's pols.
‘Wacht. Deze zit anders.’
Mila stopte. Er zat geen kracht in de naald. Ze kon hem eenvoudig terugtrekken en deed dat ook.
Ilyas kwam uit de zaal met zijn telefoon. Hij had Eva gesproken. Ze kwam naar hen toe. Hij zette een bord met boterhammen op de andere tafel en zocht naar de waterkan.
‘Ik heb gezegd dat iedereen gewoon naar buiten kan,’ zei hij. ‘Voor ze hier drie brandweerwagens bestelt.’
‘Mama bestelt geen brandweerwagens,’ zei Mila.
‘Dan heb ik voor niets zo duidelijk gepraat.’
Aron pakte een boterham en ging op het uiteinde van de bank zitten. Mila wilde zeggen dat ze nog niet klaar waren. Op de klok zag ze dat het kwart voor tien was. Haar buik rommelde zodra ze naar het bord keek.
Ze legde de naald neer op oma's naaldenkussentje. Dat paste in haar hand, een klein rood ding met een scheve naad. Ze zette het ver van de rand.
Eva kwam binnen terwijl Mila de laatste korst opat. Haar moeder had haar jas nog aan. Ze keek naar het lege raam, de tafel en daarna naar Mila.
‘Laat eens zien.’
Mila schoof een stoel bij. Ze begon bij de mal. Eva luisterde zonder het karton uit haar handen te pakken. Toen Mila bij de twee extra wikkelingen kwam, keek ze op.
‘Dat had je dus zelf veranderd.’
‘Ja.’
‘Goed dat je het verteld hebt.’
Eva zei het kort. Mila kon niet zien of haar moeder nog boos zou worden. Ze was in elk geval niet naar de deur aan het wijzen.
Oma liet de kleinere plooi zien. ‘Dit is terug. Daarbinnen zit het nog.’
Eva keek langs de grijze achterkant. ‘Kan hij zo niet alvast naar buiten?’
Mila wist wat ze bedoelde. Daar konden ze het licht toch teruggeven, op de plek die al klaar was. Ze keek naar de drie lagen aan de rand.
‘Dan ligt dit nog dicht,’ zei ze. ‘Net als dat hoekje op zondag. Alleen krijg ik dit niet zomaar open.’
Eva knikte langzaam. Ze liep om de tafel om het van de andere kant te bekijken.
Ilyas schoof het bord verder van het werk. Hij zette twee lege stoelen klaar en draaide de gewone lamp boven de tafel aan. De kuil bleef donker, maar de gele draadjes eromheen waren nu veel beter te zien.