Hoofdstuk 23 · 9 minuten lezen
Een zee van blauwe tule
Vlak voor zevenen zat er een jongetje op het voorste kussen dat steeds naar de toneellamp wees. Zijn vader fluisterde iets in zijn oor. Het jongetje knikte en wees opnieuw.
Mila kon hem zien door de kier naast het gordijn. Oma zat op de tweede rij, met Eva naast zich. Ze had haar sjaal losgemaakt. Een van de uiteinden lag op Eva's knie.
Aron gaf Mila het regenblik. Hij had een papiertje op de onderkant geplakt, zodat ze meteen zag hoe ze het moest vasthouden.
‘Niet meteen een wolkbreuk,’ fluisterde hij.
‘Ik weet het.’
‘Ja. Ik zeg het ook voor mezelf.’
Hij trok de visser over zijn hand. Achter het gordijn stond de gewone stoel waar hij straks op kon zitten. Het geschilderde raam stond met de blauwe kant naar het publiek. De grote zilveren doek lag veilig opgeborgen in zijn hoes in de zijruimte.
Ilyas kwam voor het gordijn staan. Hij vroeg of iemand wist hoeveel sokken een octopus nodig had. Het jongetje op het voorste kussen riep twee. Daar begon al een discussie over voordat er één pop te zien was.
Toen de plafondlampen uitgingen, werd de blauwe tule een zee. Mila keek naar de gewone toneellamp. Hij bleef rustig branden.
De visser kwam op met een lege hengel.
‘Vandaag,’ bromde Aron, ‘vang ik mijn avondeten.’
Uit het water verscheen één paarse tentakel. Hij pakte het uiteinde van de hengel en verdween weer. De visser boog voorover.
‘Dat is een heel grote worm.’
De octopus kwam omhoog. ‘Pardon?’
De visser schrok zo dat zijn pet bijna achter het gordijn verdween. Ilyas liet de tentakels over de rand vallen. Er zat één sok aan een arm. Een andere arm voelde er onzeker aan.
‘Die was ik kwijt,’ zei de visser.
‘Deze? Ik heb hem gevonden.’
‘Waar?’
‘Om mijn voet.’
Het jongetje op het kussen moest lachen. Mila hoorde oma nog niet. Ze schudde het blik heel zacht. Een paar druppels tikten tegen het water.
De visser keek omhoog.
‘Dan ga ik maar naar huis.’
De octopus hield hem tegen. Hij dook onder en kwam terug met de laars. De bloemen staken scheef uit de bovenkant. De kleinste, met de drie blaadjes, stond vooraan.
‘Ik heb al een huis,’ zei de octopus. ‘Alleen de tuin is een beetje hoog.’
De visser keek naar de laars. Hij tikte tegen de zool.
‘Die was ik ook kwijt.’
‘Wat ben jij onvoorzichtig met je woningen.’
Ilyas liet de octopus proberen de laars in te kruipen. Twee armen gingen goed. De derde stak door de bloemen. De visser wilde helpen en kreeg een tentakel om zijn neus. Mila moest haar lip op elkaar bijten om het blik stil te houden.
Uiteindelijk kwam de octopus weer naar buiten, met één bloem tegen zijn hoofd. Hij nam hem plechtig af en zette hem terug.
‘Ik geloof dat ik een aanbouw nodig heb.’
De visser keek naar het publiek. ‘Ik geloof dat ik een deur nodig heb.’
Mila liet het wat harder regenen. Ilyas zette de laars achter het toneel neer en wees haar met zijn vrije hand naar de krant. Ze legde het blik in het gevouwen doekje dat ervoor klaarlag. Zo rolde het niet weg.
De visser vond het blauwe raam. Hij klopte. Eerst zacht, toen met drie driftige tikken. Achter het raam kwam de octopus op.
‘U bent erg laat.’
‘Ik wist niet dat ik ergens verwacht werd.’
‘Dan had u eerder moeten komen.’
Aron liet de visser naar de blauwe kozijnrand kijken. Hij stak zijn hand omhoog om de wolk te verjagen. Mila ritselde de krant. Het waaide een beetje. De visser hield zijn pet vast, maar de regen ging door.
Hij stak zijn neus aan de andere kant van het raam. Mila stopte het blik. Zodra hij terugging, begon het weer te tikken.
De visser keek links. Rechts. Weer links.
‘Ik heb een idee,’ zei hij.
De octopus boog naar hem toe. ‘Dat kan gebeuren.’
Aron gaf Mila het afgesproken knikje. Ze legde de krant neer en zette het blik terug in het gevouwen doekje. Daarna pakte ze het raam bij de zijkanten. De gordijnenvrouw maakte de twee klemmen los. Mila draaide het karton een halve slag. De rode brievenbus kwam tevoorschijn onder de gele rand. De vrouw klemde het raam weer aan de steunen vast.
De visser ging aan de droge kant zitten en haalde zijn boterham tevoorschijn.
‘Hier blijf ik.’
De octopus stak een tentakel uit. ‘Mag ik er één?’
Aron bewoog de visser om de boterham te beschermen. Het kleine stokje tikte tegen de onderkant van het raam. Het papieren brood schoot uit het klemmetje en viel op de blauwe tule.
Mila hield haar adem in. Ze kende de volgende zin. De octopus moest vragen of de visser zijn boterham wel wilde delen. Maar er was geen boterham meer in zijn hand.
‘Je brood!’ riep het jongetje op het kussen.
Aron liet de visser heel langzaam naar zijn lege hand kijken.
‘Ik wist niet dat het kon zwemmen.’
Er werd gelachen. Mila zag het papiertje liggen, vlak bij haar knie achter de onderste rand. Ze schoof haar vrije hand langs het tule en pakte het. De octopus boog zich voorover om het publiek te vragen of het bruin of wit brood was geweest. Ondertussen stak Mila het weer in Arons lege klemmetje.
Aron keek haar heel even aan. Daarna liet hij de boterham aan de andere kant van het raam omhoogkomen.
‘Gered,’ bromde de visser. Hij onderzocht het papier van dichtbij. ‘Alleen aan de natte kant een beetje soep.’
Oma lachte zo hard dat Mila haar stem nu duidelijk boven de rest uit hoorde. Mila begon zelf ook te grinniken. Ze moest het regenblik met twee handen vastpakken om het niet tegelijk te laten hagelen.
De octopus bood de visser aan om bij hem te komen wonen. Ze konden de laars rechtop zetten en er samen een verdieping bovenop bouwen. De visser wees op de bloemen.
‘Die blijven buiten.’
‘Die gaan mee,’ zei de octopus.
De visser dacht lang na. Toen schoof hij zijn boterham opzij.
‘Dan moeten we een grotere vensterbank.’
Ze zochten samen een plek voor de tuin. De visser wilde de laars voor de deur, de octopus wilde hem op het dak. Het publiek mocht kiezen. Er werd zo veel door elkaar geroepen dat Ilyas de octopus alle armen liet opsteken om zelf ook te stemmen.
Uiteindelijk kwam de laars naast het gele raam te staan. De visser kon de bloemen water geven zonder nat te worden. De octopus paste net door de deur, als hij zijn armen keurig achter elkaar hield. Hij ging twee keer terug omdat er eentje nog buiten lag.
Mila liet het laatste beetje regen op de verre kant van het raam vallen. Daarna werd het stil. De visser pakte zijn pet af en zette hem onder de grootste bloem.
‘Voor als die haar sokken kwijt is,’ zei hij.
Het gordijn ging dicht. Even kon Mila alleen Arons schoenen zien en de steunen van het raam. Toen kwam het applaus. Ze voelde een tikje tegen haar elleboog. Aron hield zijn lege klemmetje omhoog en grijnsde.
Ze gingen samen voor het gordijn staan, met Ilyas en de poppen. De gewone zaallichten brandden weer. Op de klok boven de deur was het vijf over halfacht.
Oma hield haar sjaal in één hand en klapte met de andere op haar knie. Toen Mila naar haar keek, stak ze haar duim op. De bloem met de drie blaadjes trilde nog even na boven de laars.