Hoofdstuk 3 · 4 minuten lezen
De andere werkplaats
Eddie had een baard laten groeien.
Arthur had hem voor het laatst op de begrafenis gezien, gladgeschoren en in een pak dat gemaakt leek door iemand die de maten niet had opgenomen. De baard stond hem beter. Arthur ergerde zich daaraan, stilletjes en binnen de perken.
Hij kwam de werkplaats uit met een doek in zijn hand.
“Je hebt ons gevonden.”
“Uiteindelijk,” zei Arthur.
“Ik had nog gezegd dat je niet op de navigatie moest vertrouwen.”
“Je zei dat we bij de rode brievenbus linksaf moesten. Die is zwart geverfd.”
“O ja?” Eddie keek naar het weggetje, alsof hij het vanaf hier kon controleren. “Nou. Dat moeten ze niet doen.”
Clara gaf hem een omhelzing. Geen uitbundige. Ze deed het voorzichtig, en Arthur schaamde zich voor de opluchting waarmee hij dat opmerkte.
De werkplaats zat in een voormalig boerengebouw, naast twee caravans en een laag huisje. Op een bord bij de poort stond REPARATIES IN OVERLEG. Iemand had daaronder MET MATE geschreven.
“Dat is nieuw,” zei Clara.
“Er kwam een man met een elektrische tandenborstel. Je moet ergens een grens trekken.”
Binnen stonden een grasmaaier, drie fietsen, een radio en een keukenstoel. De lange werkbank was zo opgeruimd dat Eddie er kennelijk zijn best op had gedaan. Arthur bekeek het gereedschap. Er was goed gereedschap bij. Het meeste lag waar hij het zelf ook zou hebben gelegd.
“Wil je het blad binnenzetten?” vroeg Eddie. “Hier is het droger.”
“Het is droog in het busje.”
“Prima.”
“Het zit met spanbanden vast.”
“Goed.”
Ze bleven even staan, allebei vastbesloten te laten zien dat ze niets van de ander nodig hadden.
Clara pakte haar tas op.
“Waar slapen we?”
“Jij slaapt in het huisje. De logeerkamer. Arthur, voor jou is er de caravan. Ik heb de kachel aangezet.”
Arthur keek naar de dichtstbijzijnde caravan. Hij was crèmekleurig, met een bruine streep, en helde een beetje over. Op de verontschuldigende manier van iets dat ooit banden had gehad.
“Perfect,” zei hij.
“Ik wil ook wel in de caravan,” bood Clara aan.
“Niet nodig.”
“Hij is echt best gezellig,” zei Eddie.
“Ik zei perfect.”
Clara nam haar tas mee naar het huisje. Eddie veegde opnieuw zijn handen af.
“Ze ziet er moe uit,” zei hij.
“Ze begint een eigen zaak.”
“Ja.”
Er klonk iets in dat ja wat Arthur niet thuis kon brengen.
“Lijkt me niet makkelijk,” voegde Eddie eraan toe.
“Nee.”
Arthur liep naar de caravan.
Tot zijn ergernis was het er inderdaad gezellig. Eddie had schoon beddengoed op het smalle bed gelegd en een kan water ernaast gezet. Er stonden een elektrische kachel en een lamp. Er lag een paperback met een geknakte rug. De gordijnen waren van stof met citroenen gemaakt.
Arthur ging op het bed zitten. Onder hem protesteerde een veer.
Sinds Helens dood had hij niet meer ergens anders geslapen. Daarvoor waren de nachten buiten zijn bed in het ziekenhuis geweest, of thuis op de stoel naast háár bed. De onbekende geluiden van de caravan leken zich eerst aan hem te willen voorstellen.
Hij haalde zijn toilettas tevoorschijn en stopte hem weer weg. Hij controleerde of zijn telefoon oplaadde. Hij las de eerste alinea van het boek drie keer en wist nog steeds niet hoe de man erin heette.
Buiten lachte Clara om iets dat Eddie zei.
Arthur sloot het boek.
Toen hij met Helen trouwde, had hij geweten dat er altijd een kamer in hun leven door een andere man bewoond zou worden. In theorie had hij dat aanvaard. In de praktijk had hij schoolschoenen helpen passen, ouderavonden uitgezeten, broodtrommels gevuld en een woedende veertienjarige opgehaald van een feestje waar het beloofde volwassen toezicht een twintigjarige bleek te zijn die boven lag te slapen.
Eddie had ansichtkaarten gestuurd. Niet altijd. Soms hoorden ze maandenlang niets.
Arthur had die verschillen nooit op papier bijgehouden. Hij begon te vermoeden dat hij toch een lijstje had gemaakt.
Bij het avondeten zette Eddie een groentestoofpot op tafel en brood waarvan hij toegaf dat het gekocht was.
“Volgens het recept moest je het een dag van tevoren maken. Dus in theorie is het nu lekkerder dan gisteren.”
“Heb je het gisteren gegeten?” vroeg Clara.
“Ja.”
“Was het lekker?”
“Laten we de lat niet te hoog leggen.”
Arthur proefde. Het was lekker.
“De bonen hadden iets langer moeten koken,” zei Clara.
“Je bent niet aan het werk.”
“Ik vergeet niet ineens wat ik van bonen weet zodra ik mijn jas uittrek.”
Helen had ook zo gepraat. Niet met precies die woorden, maar met dezelfde vlakke weigering om aan een belachelijk idee mee te werken.
Eddie keek naar Arthur.
“Klinkt als haar moeder.”
Arthur legde zijn lepel neer.
“Ja,” zei hij.
Het was het eerste waar ze het over eens waren zonder er een wedstrijd van te maken.