Hoofdstuk 2 · 5 minuten lezen
Voor de aankomst
Clara had die ochtend drie versies van hetzelfde bericht op haar telefoon getypt. Ze begonnen allemaal met: Voor we vertrekken. Geen ervan had ze verstuurd.
Nu waren ze de ringweg voorbij. Arthur reed alsof de tafel een passagier was die over zijn bochtenwerk zou klagen. Het leek te laat om nog met voor te beginnen.
Haar telefoon trilde tegen haar dij.
Een bericht van Mia: Heb je het hem verteld?
Clara legde hem met het scherm naar beneden.
De keuken van het Oude Station in Saltwick zou vrijdag niet opengaan. Hij zou helemaal niet opengaan, in elk geval niet met Clara erin. Mia had tien dagen geleden een baan in loondienst aangenomen en het geld teruggetrokken dat ze had willen investeren. De verhuurder had niet opnieuw willen onderhandelen. Clara had een bos sleutels teruggegeven die ze maar achtenveertig uur in haar bezit had gehad.
Ze had in een bushokje zitten huilen, wat haar weinig origineel was voorgekomen. Daarna had ze gesolliciteerd op een baan in de ziekenhuiskeuken en geregeld dat ze een kamer boven Rosa’s café kon huren.
Dat waren verstandige dingen. Ze had ze snel gedaan. Ze had het bijna aan iedereen verteld.
Naast haar schakelde Arthur.
“Hoeveel gasten kun je kwijt?” vroeg hij.
“Wat?”
“In jouw zaak. Hoeveel mensen kunnen er zitten?”
“Vierentwintig. Dat was het idee.”
“Aan de tafel zitten er zes ruim. Acht als ze mager zijn.”
“Ja.”
“Je moeder kreeg er tien omheen.”
“Die moesten met hun ellebogen tegen hun lijf eten.”
“Ze had gelijk. Je hebt je ellebogen niet nodig om te eten.”
Clara keek naar de natte weilanden. Er stond een paard met een gele deken op, dat er spijt van leek te hebben.
Arthur had het ondernemingsplan niet begrepen. Hij had het met een potlood in de hand gelezen, bedragen in de kantlijn gezet en zo lang naar stroomkosten en lonen gevraagd dat Clara alleen nog hoorde dat hij dacht dat ze zou mislukken. Ze wist dat hij al dertig jaar zelfstandig meubelrestaurateur was. Ze wist dat die vragen ertoe deden. Toch had ze gewild dat hij, vóór hij over de stroom begon, eerst zou zeggen dat het geweldig klonk.
Toen Helen nog leefde, vertaalde ze wat de een bedoelde voor de ander.
Hij maakt zich zorgen. Zo ziet dat er bij hem uit.
Of tegen Arthur: Ze heeft je niet gevraagd om het te keuren. Ze heeft je gevraagd om te komen kijken.
Clara had zich aan die vertalingen geërgerd, terwijl ze er toch op leunde. Sinds Helens dood hadden zij en Arthur ontdekt hoe weinig zinnen de overkant van de kamer haalden zonder hulp.
Hij wees op een bord naar een tankstation.
“Heb je iets nodig?”
“Nee.”
“Ik zou wel even willen stoppen.”
“Stop dan.”
“Ik vraag het maar.”
“Weet ik.”
Hij parkeerde zo ver mogelijk van de ingang. Ze wilde er net iets van zeggen toen ze zag dat de parkeerplaatsen vlak bij de deur allemaal te kort waren voor het busje. Misschien deed hij niet alles met het doel haar door de regen te laten lopen.
Binnen koos hij twee belegde broodjes uit, legde er één terug en pakte een ander.
“Wat eet je nu?”
“Eten.”
“Ik bedoel: eet je nog steeds geen kaas?”
“Dat was toen ik veertien was.”
“Ik kan het niet meer bijhouden.”
Ze nam het broodje van hem aan. Met kaas.
Ze gingen bij een raam met uitzicht op de benzinepompen zitten. Arthur scheurde een suikerzakje open en deed de suiker in zijn thee zonder eerst te proeven. Helen had dat ook altijd gedaan. Clara had het ooit als bewijs gezien dat ze bij elkaar hoorden.
“Wanneer moet je het huis overdragen?” vroeg ze.
“Eind volgende week.”
“Dat is al gauw.”
“Het heeft een eeuwigheid geduurd voor het verkocht was. En nu moest alles gisteren al klaar zijn.”
“Had je kunnen blijven?”
Hij maakte het suikerzakje plat.
“Niet op een prettige manier.”
“Geld?”
“Onder andere.”
Ze had de verkoop gezien als iets wat hij hun leven aandeed. Het was een onaangename gedachte dat het misschien ook iets was wat hem overkwam.
“Ik had kunnen helpen met inpakken.”
“Je had het druk.”
“Je hebt het niet gevraagd.”
“Ik dacht—” Hij hield op, nam een slok en zette zijn kopje neer. “Nee. Dat heb ik niet gedaan.”
Het was een kleine, onwennige bekentenis. Clara peuterde aan een hoekje van het papier om haar broodje.
“We stoppen bij Eddie,” zei ze.
Arthur keek op.
“Bij mijn vader,” voegde ze er onnodig aan toe.
“Ik weet wie Eddie is.”
“We kunnen bij hem overnachten. En hij heeft een werkplaats, mocht er iets met de tafel zijn.”
“De tafel heeft niets nodig.”
“Oké.”
“Hoelang ga je alweer bij hem langs?”
“Een tijdje.”
“Hoe lang is een tijdje?”
“Sinds mam ziek werd. Iets daarvoor al.”
Arthur keek naar de pompen. Een man in pak probeerde de tankdop open te maken terwijl hij een telefoon onder zijn kin hield.
Clara wilde zeggen dat Eddie veranderd was, maar hield zich in. In sommige opzichten was hij veranderd. In andere niet: zijn verjaardagskaarten kwamen nog steeds te laat en zijn excuses begonnen met een uitleg. Hij was nu nuchter. Hij nam zijn telefoon op. Ze leerde alleen nog te verlangen naar wat hij haar werkelijk kon geven.
“Je hoeft hem niet aardig te vinden,” zei ze.
“Ik heb niet gezegd dat ik hem niet aardig vind.”
“Je trekt dat gezicht.”
“Welk gezicht?”
“Dat gezicht dat je trekt als iemand eikenhout grijs schildert.”
Ondanks zichzelf glimlachte Arthur.
“Alleen vannacht,” zei ze. “Morgen kunnen we naar Saltwick.”
Hij knikte.
Clara pakte haar telefoon. Mia had nog een bericht gestuurd, alleen een vraagteken.
Ze typte: Nog niet.