Hoofdstuk 2 · 10 minuten lezen
De verkeerde trein
Ivo wilde koffie in een beker, maar veranderde van gedachten toen hij de koeken zag. Hij zette zijn gereedschapskoffer naast de deur en vroeg of hij nog tien minuten had. Vera wist niet waarvoor. Het was kwart voor zeven; de avondploeg van Ivo begon gewoonlijk ergens wanneer zij zin begon te krijgen om te gaan zitten.
‘Voor een koek altijd,’ zei ze.
Hij koos degene met het meeste glazuur. Op zijn jas zat een natte afdruk van iets wat tegen hem aan had geleund. Hij veegde eroverheen, zonder resultaat.
‘Ben jij net op de brug geweest?’ vroeg Vera.
‘Daar beginnen we straks.’
‘Er zit geen schroef in die naamplaat.’
Ivo keek op. ‘Die schroef ontbreekt sinds juni.’
Hij zei het met zijn mond nog halfvol. Vera wachtte tot hij had geslikt.
‘Heb ik gemeld. Twee keer.’ Hij hield twee vingers omhoog, de koek ertussen. ‘Waarom?’
Ze vertelde over het blik en de vrouw die drie avonden op de brug had gestaan. Ivo kende haar niet. Wel had hij er iemand met een telefoon gezien, vastgeklemd op de leuning. Het krijtstreepje kon een markering voor de plek zijn. Er zaten twee rubberafdrukken naast.
‘Een telefoon?’
‘Wat had je gedacht?’
‘Dat ze op iemand wachtte.’
Ivo vouwde het papieren servetje dubbel. ‘Kan ook met een telefoon.’
Hij droeg zijn beker naar de toonbank en nam zijn koffer weer op. Vera vroeg of ze het blik ergens moest afgeven, bij iemand van het station. Hij schudde zijn hoofd. Voor zover hij wist was er 's avonds niemand meer die beter op een koekblik kon passen dan zij. Als de vrouw terugkwam, kon hij de schroef wel toelichten.
‘Doe maar niet meteen,’ zei Vera.
‘Nee?’
‘Ik weet nog niet of ze weet dat ik hem gezien heb.’
Hij trok één wenkbrauw op, maar was al bezig zijn mouw uit het hengsel van de koffer te bevrijden. Buiten wachtte een collega bij een karretje. Ze reden samen naar het hek achter het seinhuis.
Milan kwam binnen terwijl Vera het kopje van Ivo afwaste. Ze vertelde hem waar het blik stond. Als de vrouw het kwam halen, wilde zij haar graag spreken. Hij vroeg of zij de gevonden paraplu's dan ook persoonlijk wilde overhandigen.
‘Alleen de blauwe,’ zei ze.
Ze nam de foto nog één keer uit de envelop. Niet omdat ze nu verder mocht zoeken, hield ze zichzelf voor, maar omdat ze iets over het hoofd had gezien dat gewoon op de voorkant stond. Het vertrekbord achter de mannen. Onder de plaatsnaam stond een tijd. Drieëntwintig veertien.
De sigarettenautomaat naast de deur was er al niet meer geweest toen zij het café overnam. Die werd in het boekje over het station nog genoemd als een van de zaken die mensen zich herinnerden. Een knop die je hard moest indrukken, een pakje dat soms bleef haken. Het was geen foto van vorige week. Natuurlijk niet. De broekspijpen en het bordje hadden haar dat al kunnen vertellen.
Ze schoof het beeld weer in de envelop. Misschien stond er daarom geen jaartal op de achterkant. Voor wie erbij was geweest, had die tijd genoeg gezegd.
In de keuken knipte ze een stuk karton voor onder het blik, zodat het niet tussen de paraplu's kon zakken. Ze zette het neer en ging de inkooplijst afmaken. Ze bleef dat halfuur niet naar de deur kijken. Het café was nog van haar en de leverancier wilde de bestelling vóór achten.
Later zat ze met een kom soep aan de kleine keukentafel. Milan kwam vragen hoeveel brood er nog mocht worden gesneden. Hij had zelf al een boterham uit een trommeltje gegeten. Ze zei dat de halve overgebleven bol voor de gasten mocht. Er waren twee mensen binnengekomen die hun aansluiting hadden gemist en zich voorlopig met koffie overeind hielden.
‘Die trein van elf uur bestaat niet meer,’ zei ze toen hij terugliep.
‘Dat weten ze. Daarom zitten ze hier.’
‘Ik bedoel die vrouw.’
Milan bleef bij de deur staan. ‘Als ze het blik komt halen, kun je het vragen.’
‘Ja.’
‘Anders moet je het bewaren.’
Hij tilde de broodmand op en ging de zaal in. Vera at verder. Onder in de soep lagen stukjes knolselderij die ze bij het snijden veel kleiner had willen maken. Ze prikte er één doormidden.
Om halfelf zette ze het blik op de toonbank, bij de hoek waar geen glazen werden neergezet. Ze ging op de hoge kruk ernaast zitten. Ze had haar jas over de rugleuning gehangen om de indruk te wekken dat ze ieder ogenblik weg kon. Er was niets dat haar nog thuis verwachtte behalve de was in de machine, en die kon niet weglopen.
Elf uur kwam en ging. Op de brug verscheen niemand.
De reizigers van de gemiste aansluiting waren vertrokken. Milan vulde de vaatwasser en zette de muziek zachter, want het nummer bleef in de lege zaal hangen. Buiten trok iemand een rolcontainer over de tegels. Het geluid hield op bij het hek waar Ivo aan het werk was.
Om kwart over elf kwam de vrouw binnen. Ze was buiten adem en droeg geen jas, alleen een vest over een bloes waarvan de ene mouwknoop openstond. Toen ze het blik zag, liep ze recht naar de toonbank.
‘Dat is van mij.’
Ze legde haar handen op het deksel, maar nam het niet meteen op. Haar nagels waren kort en er zat een dunne rode streep op haar wijsvinger.
‘Ik ben mijn jas ook al kwijt. Die ligt bij mijn zus. Het wordt een gewoonte.’
‘Er staat Bas op,’ zei Vera.
‘Mijn broer. Ik ben Ria.’
‘Vera.’
Dat kon de vrouw waarschijnlijk wel raden van het kassascherm, maar ze had het nu gezegd. Ze wees naar de envelop zonder hem te pakken.
‘Ik zocht een telefoonnummer. Meer niet.’
‘Dan heb je de mannen gezien.’ Ria trok een kruk iets naar zich toe. ‘Bas links. Mijn man rechts. Wil het deksel er nu wel op? Ik krijg het nooit goed.’
Vera drukte op de hoek waar de rand hoogstond. De andere kant sprong omhoog. Ria haalde er een kabel tussenuit en toen sloot het.
‘Die microfoon is van de buurjongen,’ zei ze. ‘Hij wil geld als ik hem kapotmaak. Heeft hij gezegd voor hij hem uitleende. Hij heeft hem nog geen maand.’
‘Film je de brug?’
‘Ik probeer het.’
Ria ging nu wel zitten. Ze had blijkbaar zo hard gelopen dat ze haar adem nog moest zoeken. Vera schoof een glas water naar haar toe, schonk er ook een voor zichzelf in en liet Milan met een gebaar weten dat hij niet hoefde te komen. Ria dronk de helft leeg.
‘Ik krijg er steeds het verkeerde op,’ zei ze.
‘De trein?’
‘Onder andere.’
Ze maakte het blik weer open, omdat er nu iets uit moest. De microfoon lag bovenop. Zo klein dat Vera zich afvroeg of je er meer mee opnam dan de wind tegen je eigen hand. Ria hield hem vast aan het snoer.
‘Bas kan niet meer de trap op. Voorlopig niet, zegt hij. Hij is aan zijn heup geopereerd.’
‘En die trein van veertien over elf?’
Ria keek van de envelop naar haar. ‘Die gaat al lang niet meer.’
‘Dat zag ik op de foto.’
‘Hun laatste gezamenlijke dienst. Mijn man ging daarna naar het depot. Bas bleef op het station. Ik heb hem die foto's gegeven. Hij heeft zelf de tijd achterop gezet.’
Ze wreef met haar duim langs het randje van de envelop. Het was niet een beweging die om medelijden vroeg. Ze leek eerder te controleren of de flap nog heel was.
‘Bas wilde die trein onthouden. Ik wilde er voor maandag nog iets opnemen. Voor ze de boel afsluiten.’
Van buiten klonk een harde klap. Ivo sloeg met de vlakke hand tegen het hek, waarna hij iets zei wat door het dichte onderste raam niet te verstaan was. Ria draaide haar hoofd. Vera zag ineens dat haar eigen vragen haar langs het eenvoudigste antwoord hadden gevoerd. Er stond een vrouw met kabels en een microfoon naast haar. Geen koper van messing platen, geen afspraak met een trein die iemand uit een dienstregeling had gewist.
‘Hij heeft hier dus gewerkt,’ zei ze.
‘Jaren. Nachten vooral. Ik ook, al ziet niemand dat op die foto.’ Ria legde de microfoon terug. ‘Hij heeft nog meer foto's dan ik. Die zijn thuis.’
‘Kun je hem niet even bellen om te vragen wat hij wil zien?’
‘We bellen met beeld. Hij is doof geworden, na een ziekte. Als ik mijn handen vol heb, zet ik de ondertiteling aan. Maar die maakt er ook wel eens iets anders van.’
Vera keek naar de microfoon. Ze wilde de vraag niet stellen en deed het toch.
‘Voor wie is die dan?’
‘Voor mij.’ Ria antwoordde zonder omhaal. ‘Ik wil het geluid ook hebben. Ik heb er drie avonden met zo'n ding staan klungelen. Dan wil ik straks thuis kunnen horen wat ik daar stond te doen.’
Ze dronk het glas leeg. Vera vulde het bij.
‘De eerste avond nam de telefoon helemaal niet op. Ik had alleen op het beeld gedrukt, niet op het knopje. De tweede keer keek ik terug en zag je druppels. Alles was water. Woensdag dacht ik dat ik een stukje had, maar ik had de lens niet goed schoon. En gisteren belde mijn zus. Toen heb ik alles ingepakt en ben ik het blik vergeten.’
‘Je stond altijd op dezelfde plek.’
‘Daar heb je de bocht en die lamp samen. Eerst dacht ik: dat is goed. Maar nu zegt Bas dat hij naar een spoorlijn zit te kijken.’
Ria zocht op haar telefoon. Ze hield het scherm niet aan Vera voor zolang er nog berichten op stonden. Pas toen ze de opname had gevonden, draaide ze het toestel.
Rails. Een stuk van de leuning. In de verte een licht dat even tussen twee donkere vormen bewoog. Er stond geen mens in beeld. Het filmpje duurde kort. Onder het afgespeelde beeld stond een vraag van Bas over een radiatorrooster.
‘Dat hangt binnen,’ zei Vera.
‘Precies.’
Ria glimlachte nu voor het eerst breed genoeg om haar vermoeidheid even weg te drukken.
‘Hij wil een werkplek zien. Ik film een trein.’
Vera keek door het bovenraam. Ivo was nog bij het hek. Ze kon hem roepen, maar dan stond ze hier straks te zwaaien alsof er brand was. Ze schoof haar glas op de toonbank en stond op.
‘Ik kan vragen of hij de deur voor ons open wil doen. Dan moet jij weten wat je binnen wilt filmen.’
Ria keek naar het blik. ‘Ik heb geen licht bij me.’
‘Er zit licht in het gebouw. Misschien doet het het.’
‘En als de trein komt?’
‘Er is er nog geen geweest.’
Vera zei het stelliger dan ze wist. Milan keek van de vaatwasser op.
‘Goederentrein?’ vroeg hij. ‘Nee. Die horen we hier wel.’
Ria stond op en vouwde de kabel voorzichtig in twee lussen. Ditmaal stopte ze niet alles in het blik. Ze hield de telefoon bij zich en pakte het hengsel met haar andere hand.
Bij de deur bleef Vera even staan. ‘Milan, lukt het hier?’
Hij keek de zaal rond. Eén man zat nog op zijn telefoon te tikken bij het stopcontact. De laatste glazen stonden in het rek.
‘Ik ben er toch,’ zei hij. ‘Als je de deur maar niet voor middernacht voor me op slot doet.’
Vera haalde haar jas van de kruk. Ria probeerde ondertussen de losse knoop van haar bloes dicht te krijgen met het blik nog in haar hand. Vera nam het even van haar over.
Buiten stond Ivo met zijn voet tegen de onderkant van het hek. Toen hij hen zag, liet hij het los. Het bleef op een kier staan.
‘Zeg niet dat er nog een schroef weg is,’ zei hij.