Hoofdstuk 7 · 13 minuten lezen
Achter het bord
Ada had geantwoord dat ze er tot kwart voor twaalf zou zijn. Mara kon de lader komen halen. Het bericht stond boven een foto van een gebroken fietslamp die haar moeder later die avond zonder onderschrift had gestuurd. Mara had gevraagd of ze een nieuwe moest meenemen. Daarop was niets meer gekomen.
Woensdagochtend nam ze geen fietslamp mee. Ze had hem niet in huis en de fietsenzaak ging pas open als zij al bij de drukker moest zijn. Het was niet duidelijk of Ada de hele lamp wilde vervangen of alleen wilde laten zien dat het lipje afbrak. Mara wilde het bij de winkel vragen.
De regen had een donkere rand onder de vensterbank getrokken. Het bord hing op zijn plaats. GESLOTEN. Achter het glas brandde de werklamp. Ze zag haar moeder zitten, de rug een beetje rond, het hoofd vlak boven iets dat glansde.
Mara klopte niet meteen. De vrouw van de bakker kwam met een lege krat naar buiten en groette haar. Ze groette terug, liep langs de winkelruit en tikte toen met haar sleutel tegen het hout. Niet de winkelsleutel. Die had ze niet.
Ada keek op, zag haar en schoof haar kruk achteruit. Toen zij de deur opendeed, hield zij hem maar half open.
‘Snel erin. Anders denken ze dat ik open ben.’
Mara zette haar fiets niet binnen. Het voorwiel stond nog aan het rek. Ze ging langs haar moeder naar de toonbank. Op de plek waar haar laptop had gestaan, lag een vel met twee bedragen onder elkaar. De lader zat in het stopcontact achter het koffieapparaat.
‘Daar is hij.’
‘Ik had hem er bijna uitgehaald. Toen dacht ik, misschien moet jij weten waar hij zat.’
Mara trok de stekker eruit en wikkelde het snoer om het blok. Aan het uiteinde zat een klein stukje van Ada’s plakband, een rafelig randje dat zij niet kende. Ze trok het weg en stopte de lader in haar tas.
De messing tafelklok lag open op de werkbank. Het uurwerk stond apart. Naast een klein zakje met een etiket lag een doosje dat zij gisteren nog niet had gezien. Zij had gisteren niet in de winkel gestaan, bedacht ze daarna. Het was langer geleden dan het op de plek leek.
‘Ben je aan het werk?’
‘Dat zie je toch.’
‘Je bent dicht.’
‘Ja.’
Ada ging weer zitten. Mara hoorde van dichtbij hoe zacht een klok kon tikken. Aan de muur waren de geluiden door elkaar gaan lopen. Hier zaten duidelijke stiltes tussen.
Ze keek op haar telefoon. Kwart over tien. Om elf uur zou Bram de eerste stukken materiaal voor ze klaarleggen. Ze kon een kwartier blijven, niet meer.
‘Die foto van je fietslamp. Wat was daarmee?’
‘Dat is eraf.’ Ada hield haar hand achter zich en wees naar de vensterbank. Daar lag de lamp. Het lipje was inderdaad afgebroken. ‘Ik heb hem met een elastiek vastgezet, maar dat zit niet lekker.’
‘Wil je een andere?’
‘Die ga ik halen.’
‘Goed.’
Mara hield haar tas nog vast. Ze had hem niet op de toonbank gezet. Er stonden te veel dingen, maar ze merkte ook dat ze zonder tas gemakkelijker bleef.
Ada pakte het bestelde onderdeel uit het zakje en legde het naast de klok. Mara kon niet zien waarom dat ene stukje anders moest zijn dan wat er al had gezeten. Zij zag het verschil tussen een goed etiket en een slecht etiket, en wist dat hier iets anders werd beoordeeld.
‘Ik heb dit gisteren besteld,’ zei Ada. ‘Het is net bezorgd. Als ik het nu pas, weet ik of ik verder kan.’
‘Kan dat niet morgen?’
‘Kan alles. Morgen staat er weer iemand.’
Mara keek naar de lege klantenstoel. De ronde afdruk was er nog een beetje, maar je moest weten waar je naar keek. Ze hing haar tas over haar schouder.
‘Ik dacht dat je vandaag voor jezelf had genomen.’
Ada pakte het pincet op. ‘Ik neem om twaalf uur mijn les.’
Dat hoorde Mara ook zichzelf doen: een afspraak noemen die bewees dat de rest van de dag wel geregeld was. Ze wilde die vergelijking niet maken in haar moeders winkel. Ze wilde ook niet zeggen dat het goed was, alsof daar toestemming voor nodig was.
‘Hoe was badminton?’ vroeg ze.
Ada keek heel even op. ‘Ik raakte hem.’
‘De shuttle?’
‘Soms ook het racket van die andere vrouw.’
Ze glimlachte naar het bakje voor zich. Mara vroeg of ze weer ging.
‘Vanmiddag. Als dit klaar is.’
Mara keek opnieuw op haar telefoon. Nog maar vier minuten later. Zij had het gevoel dat zij al zo lang stond dat er toch iets beslist moest zijn.
‘Dat duurt toch niet de hele ochtend?’
Ada legde het pincet neer. ‘Ik moet hier gewoon even kunnen kijken, Mara.’
Ze zei het zonder te schreeuwen, maar Mara voelde haar eigen schouders naar achteren gaan. Zij had dinsdagavond zelf gevraagd wanneer ze langs kon. Ze was binnengelaten voor een lader. Aan de andere kant zat haar moeder achter het bord dat ze samen hadden opgehangen, een week ervoor nog bezig met een middag die nergens heen hoefde.
‘Ik moet naar de drukker,’ zei ze.
‘Dat zei je.’
‘Ik heb het alleen gedacht.’
Ada keek nu wel naar haar. Ze leek even niet te weten wat ze daarop moest antwoorden.
‘Zal ik je fiets even verzetten? De deur moet dicht.’
‘Dat doe ik zelf.’
Mara liep naar buiten en trok de deur achter zich toe. De klink schoot omhoog, niet in het slot. Ada kwam nog even naar de deur en draaide de sleutel om. Ze stak haar hand op. Mara deed hetzelfde en haalde haar fiets van het rek.
Bij het verkeerslicht zette ze haar voet op een natte stoeprand. Ze had de lader in de bovenkant van haar tas gestoken; het harde blok drukte tegen haar rug. De fietslamp was nog kapot, maar zij kon daar nu niets aan veranderen.
De drukkerij lag op een klein bedrijventerrein, achter een dierenarts en een opslag met rolluiken. Mara reed eerst langs het kantoor. Bram stond bij de andere deur en zwaaide met een koffiepot alsof hij haar daarmee kon seinen waar ze heen moest.
Binnen was het warmer dan op het bureau. Er hing een droge geur van papier en bedrukte platen. In de hoek stond een vracht met een vel eroverheen waarop in grote letters NIET AAN KOMEN was geschreven. Daaronder had iemand later één woord van gemaakt.
Bram wees naar de tafel. ‘Die zijn van jullie.’
Er lagen drie proefstukken op het echte materiaal. Lotte kwam uit de kleine ruimte achter de machines. Ze had haar jas al uit en hield een potlood vast.
‘Ik ben er maar even,’ zei ze tegen Mara. ‘Daarna moet ik terug.’
Op de grootste afdruk stond de foto van de bus. Het zwart was dieper dan op papier. De gezichten die Mara op het scherm allemaal had kunnen zien, liepen hier samen met de donkere ramen. Ze boog dichterbij.
‘Die vrouw achteraan valt weg.’
‘Die stond al in de schaduw,’ zei Bram.
‘Op de foto zag je haar nog.’
Lotte schoof het oorspronkelijke beeld op de laptop erbij. De vrouw was daar ook maar net zichtbaar. Mara had niet gemerkt hoeveel haar eigen ogen erbij vulden nu zij wist dat ze er stond.
Ze gingen naar het licht bij de buitendeur. Bram hield één plaat rechtop, Lotte een andere. Buiten reed een heftruck langs met een lading die het licht even wegnam. Toen hij weg was, zag Mara de vrouw achter het raam weer.
‘Dat is ook niet het licht van die zaal,’ zei Lotte.
Bram zette de plaat terug. ‘Daar hebben we een foto van, toch?’
Mara zocht de foto’s. Een van de ruimtebeelden toonde het plafond. De lampen stonden niet allemaal aan. Zij had het over het ophangsysteem gehad en niet gevraagd of dit de normale lichtstand was.
‘Ik bel ze.’
De medewerker was niet op zijn plek. Zij kreeg een andere collega, legde uit waarom zij belde en moest opnieuw beginnen toen die het toestel aan iemand anders gaf. Lotte zette haar potlood op tafel. Bram liep naar een machine die een kort geluid gaf en kwam weer terug.
Ze hadden uiteindelijk alleen de bevestiging dat er ook extra lampen aan konden. Welke en hoe die vielen, wist de medewerker niet. Hij zou er een foto van maken zodra de sleutel van de schakelkast terug was.
Mara keek naar de drie stukken. Zij kon de donkere partij iets lichter laten maken. Dan werd de hele foto anders, niet alleen die ene vrouw. Lotte liet het zien op het scherm. De balk op de schouder van de man kreeg minder gewicht, het donkere hout werd vlakker.
‘Wat is het belangrijkst?’ vroeg Bram.
Mara wilde zeggen dat je iedereen moest kunnen zien. Ze keek naar het meisje met de kinderwagen op de andere plaat. Daar was de nieuwe vraag bij gezet. Wie is het meisje? De letters pasten, het vraagteken hing niet te dicht tegen de rand.
‘Deze laat ik zo,’ zei ze. ‘Voor die bus moeten we de zaal zien.’
Bram pakte de planning erbij. Als het die middag duidelijk was, konden ze nog door. Anders schoof één deel van het werk op. De andere platen stonden los van dit proefstuk, zei hij. Ze hoefden niet alles stil te zetten.
Lotte wees naar de onderste code. Er zat een verschil met de afdruk die Mara bij zich had. Twee cijfers waren omgekeerd. Ze legde de papieren naast elkaar.
‘Welke map is dit?’
Bram opende het bestand van dinsdag. Het had een datum en het woord compleet. Mara zag haar eigen verzendmail in de hoek van zijn scherm. Ze had hem zelf gestuurd. De laatste tekstgoedkeuring was in een apart bericht binnengekomen en moest nog aan de goede pagina gekoppeld worden. Daar had ze Lotte een briefje over gestuurd. Het briefje was niet meegegaan naar Bram.
‘Niet alles hiervan is definitief,’ zei ze.
Bram keek van de mail naar haar. ‘Dat staat er niet.’
Ze voelde Lotte naast haar staan. Die zei niets.
Mara vroeg of er al meer gedrukt was. Alleen de proeven die er nu lagen, nog niet de hele reeks. Er was tijd verloren en materiaal gebruikt.
‘Dat betalen we,’ zei ze.
‘Dat doen jullie sowieso.’ Bram schoof het papier dichter naar zich toe. ‘Maar ik wil wel één iemand die zegt welk bestand ik mag gebruiken.’
‘Ik.’
Lotte trok haar jas van de stoel. ‘Dan moet ik eerst de teksten kunnen sluiten.’
Mara knikte. Ze schreef drie dingen onder elkaar, nu met een vakje voor wie antwoord moest geven. De medewerker van de zaal voor het licht. Hester voor de overgebleven namen. Zijzelf voor de volgorde van de proeven. Lotte keek over haar schouder en zei dat daar nog de maatvoering bij kwam.
Ze voegden die toe. Bram trok met zijn eigen pen een lijn onder de eerste twee. Die moesten vandaag.
Lotte vertrok. Mara bleef om de proefstukken op de juiste manier te laten merken. Zij nam een dunne stift, las hardop welke plaat ze vasthield en schreef op de achterkant. Bram controleerde de code op zijn scherm. Ze deden het met alle drie de platen. Pas daarna rolden ze de papieren afdrukken op.
Toen Mara buiten haar fiets losmaakte, was de regen opgehouden. Op haar telefoon stond een nieuw bericht van Ada. Volgende week toch gewoon twaalf. Kan niet korter. Er kwam nog een zin: Wel betaald natuurlijk.
Mara las het twee keer. Ze wist niet of de les vandaag toch korter was geworden of alleen het verzoek daartoe was afgewezen. Ze schreef: Hoe bedoel je? en wachtte bij het fietsenrek.
Ada antwoordde: Had gevraagd of ik later kon beginnen. Zelfde uur gereserveerd. Doe ik niet meer.
Er stond geen vraag bij. Mara stopte de telefoon weg. Ze moest terug naar het bureau om te zien welke bestanden ze nog kon laten wachten zonder dat iemand alvast begon.
Onderweg stopte ze bij een broodjeszaak waar de laatste warme broodjes net werden ingepakt. Ze kocht een krentenbol, at hem naast haar fiets en keek naar de bovenkant van haar handen. Er zaten kruimels op haar jas. Ze veegde ze eraf voor ze verder fietste.
Op het bureau legde ze de drie proefstukken tegen de lege muur naast haar stoel. Nora kwam kijken. Ze boog zich niet naar de foto’s maar las eerst de kleine letters onderaan.
‘Dit kan dus door?’
‘Gedeeltelijk,’ zei Mara.
Ze legde uit welk deel nog wachtte. Nora keek naar de klok boven de deur. Zij had de eerste locatie al gezegd dat er vrijdag een bevestiging van de leverdatum kwam. Mara had dat niet geweten, maar de datum stond wel op hun gezamenlijke planning.
‘Wat moet ik ze zeggen?’
Mara draaide de laptop zo dat Nora het overzicht kon zien. De twee ontbrekende goedkeuringen stonden nog open. Nora ging op de stoel van Lotte zitten. Samen belden ze het archief.
Deze keer nam Hester meteen op. Ze had tussen twee afspraken door tijd om de foto van de bus te bekijken, zei ze. Mara hoorde Nora een ademhaling inhouden en liet Hester eerst uitpraten. Daarna noemde zij één voor één wat die middag nog beslist moest worden.
‘Ik kan nu drie namen doen,’ zei Hester. ‘De andere moet ik navragen.’
‘We moeten vandaag weten welke tekst naar de drukker gaat.’
‘Dan kunnen jullie die naam toch nog even openlaten?’
Mara legde haar hand op het papier. De plek die Hester bedoelde stond midden in een onderschrift. Er een leeg vak laten staan zag eruit alsof iemand het vergeten was, terwijl dat niet was wat er aan de hand was.
‘Is het nodig dat hij genoemd wordt?’ vroeg Nora.
Hester was stil. Mara hoorde papier verschuiven.
‘Voor de foto niet. Maar hij heeft hem aan ons gegeven.’
‘Kan de naam dan bij de verantwoording?’ vroeg Mara.
Hester zocht het even na. In die lijst stond hij al. Hij zou niet uit de tentoonstelling verdwijnen als ze hem niet twee keer noemden. Ze spraken de andere namen door. Mara streepte haar aantekeningen niet alleen af, maar las terug welke versie daarbij hoorde.
Nora ging in de tussentijd naar haar eigen bureau en kwam terug met de opdrachtbevestiging. De extra proefstukken pasten niet in het oorspronkelijke aantal. Ze legde het vel naast Mara’s toetsenbord. Mara hield een vinger op de regel waar Hester gebleven was.
‘Ik bel je straks terug,’ zei ze toen de drie namen klaar waren. ‘Voor de definitieve lijst, niet voor een nieuwe keuze.’
‘Ik zal bij mijn mail blijven.’
Na het gesprek schoof Nora de bevestiging naar haar toe. ‘Hoeveel extra werk is het?’
Mara schreef op wat ze van Bram wist. Materiaal, machine, controleren. Ze wist nog niet hoeveel van Lotte’s tijd nodig was. Ze schreef daar een vraagteken bij en belde haar niet meteen over de andere opdracht heen.
‘Ik vraag het als ze daarmee klaar is.’
Nora keek naar de drie platen tegen de muur. ‘Dan wil ik dat vanmiddag zien.’
Ze ging terug naar haar kamer. Mara pakte een geel briefje en zette de ontbrekende uren erop. Ze plakte het op de nieuwe lijst, op een plaats waar het niet achter het open scherm zou verdwijnen. Daarna at ze de rest van haar krentenbol uit de papieren zak. Hij was droog geworden, maar ze had nog trek.