Hoofdstuk 24 · 14 minuten lezen
De ruimte voor de bocht
Ada werd wakker van de vuilniswagen. Het eerste geluid leek op een kast die naast haar bed werd omgegooid. Daarna kwam het vertrouwde rammelen van de bakken. Zij keek naar de klok op haar nachtkastje en bleef nog even liggen, met één hand onder de rand van het dekbed.
Het was woensdag. Dat wist ze. Ze moest alleen nog bedenken waarom ze al bezig was haar werkjas te zoeken.
Op de stoel lag de groene jas van de vorige middag. Zij had hem daar neergelegd omdat de kapstok vol zat met een regenjas, een vest dat ze thuis droeg en een sjaal die nergens aan wilde blijven hangen. De werkjas hing bij de winkel. Ada schoof haar voeten in haar sloffen en ging naar de keuken.
Ze had brood, maar niet het soort dat ze wilde. De korst van de laatste plak was hard. Zij roosterde hem en schraapte daarna een donkere rand boven de gootsteen af. Het ontbijt rook meteen naar te veel haast, hoewel er nog uren waren voordat Kamal kwam.
In de tas naast haar stoel zat het schrift. Zij pakte het eruit om het op zijn plek te leggen. Tussen de voorste bladzijden stak het briefje waarmee zij de nieuwe tijden had gecontroleerd. Mara's laptop was weer mee. Op het bord bij de winkel stond duidelijk vanaf wanneer de verandering inging. Voor deze week bleef alles zoals het al was: vandaag dicht, morgen vanaf negen uur open.
De dinsdag ervoor had iemand tegen het eind van de middag een kleine klok uit zijn tas gehaald. Ada had hem gevraagd even te wachten voor hij hem op de toonbank zette. Hij wilde een beurt, liefst voor de feestdagen. Zij had het uurwerk niet aangenomen. Wel had ze verteld wanneer er in januari ruimte was om eerst te kijken. De man was er niet op ingegaan. Hij moest thuis overleggen, had hij gezegd. Hij nam de klok weer mee.
Op de werkbank lag dus geen nieuwe afspraak waarvan zij de helft nu alvast kon doen. Er lagen dingen voor donderdag, maar die waren er maandag ook geweest. Zij zette het schrift in de kast en at haar geroosterde boterham.
Ze keek op haar eigen mobiel. Een bericht van de sportgroep, over de ingang aan de zijkant omdat er in de grote hal iets opgebouwd werd. Een bericht van Mara van gisteravond: hoe laat zij zondag misschien even kon bellen. Ada schreef terug dat na het eten goed was. Zij wist dat haar dochter zaterdag bij Ellen was geweest. Ze had gezegd dat het gezellig was en dat er pasta over was.
In de slaapkamer zocht ze een paar sokken die in haar sportschoenen pasten. Het eerste paar was te dik, het tweede had een harde naad. Zij vond de goede onder in de la, samen met een washandje dat daar niet hoorde. Ze liet het washandje op bed liggen en trok de sokken aan. Daarna moest ze terug naar de keuken omdat de thee nog op het aanrecht stond.
Het plan was eenvoudig. Les om twaalf uur. Daarna wat eten en naar de zaal. In haar sporttas zaten haar schoenen, een fles water en de kleine handdoek die ze inmiddels altijd vergat uit te wassen als ze hem niet meteen op de wasmachine legde. Vandaag zat er een schone in. Ze keek niet of er ook een meetlint in haar tas was. Dat zou nog in de andere tas zitten.
Toen zij naar buiten ging, was de vuilniswagen weg. De stoep glom. Er liep water uit een omgevallen deksel de goot in. Ada stak de straat over en wachtte op de afgesproken hoek. Ze hoefde niet langs de winkel. Het was korter om de andere kant te nemen.
Kamal kwam twee minuten voor twaalf. Ada zag de auto al voordat hij afremde. Het bord op het dak glansde nat. Hij zette hem op de afgesproken plek en pakte iets van de passagiersstoel.
‘Andere parkeerplaats vandaag,’ zei hij toen ze zat.
‘Welke?’
Hij noemde de supermarkt aan de rand van het centrum.
‘Op woensdag?’
‘Ja.’
Ada keek naar buiten. ‘Daar is het druk.’
‘Daar gaan we kijken.’
Zij legde haar tas op de achterbank en nam de tijd voor haar stoel en de spiegel. In het begin had ze de verleiding gehad dit sneller te doen als hij al zat te wachten. Hij leek het wachten niet op te merken. Hij schreef iets op, legde zijn pen neer en vroeg wat zij vorige keer lastig had gevonden.
‘Dat ik dacht dat ik al goed stond.’
‘En stond u goed?’
‘Volgens u niet.’
Hij glimlachte even. ‘Volgens de lijn ook niet.’
Het duurde een paar straten voordat zij rustig zat. Haar handen voelden groot op het stuur. Bij de tweede kruising vroeg ze zich af of ze de richting goed had gehoord. Ze vroeg het opnieuw. Kamal herhaalde het. Er kwam geen opmerking over de vorige keer achteraan.
Op de brede weg haalde een bestelwagen hen in. Ada merkte dat ze haar schouders optrok en deed haar jas bij de hals wat losser toen zij bij het volgende licht stilstonden. De auto rook naar een schoonmaakmiddel dat zij niet kon thuisbrengen, iets tussen citroen en natte spons. Op het dashboard lag een papiertje dat Kamal met zijn hand vasthield zodra er lucht uit de ventilatie kwam.
De parkeerplaats was voller dan zij had gehoopt. Auto's stonden niet alleen in de vakken maar ook in de beweging ernaartoe, wachtend op een plek waar iemand misschien ging wegrijden. Een vrouw duwde een kar met een tas eronder naar een auto zonder dat zij nog een hand vrij had om die tas tegen te houden. Ada zag het handvat over de grond schuiven.
‘Wat ziet u?’ vroeg Kamal.
‘Die tas.’
‘En verder?’
Ze keek verder. Ze noemde een auto die achteruit wilde, een leeg vak en een fietser die bij het hek afstapte. Het ging minder vlot dan in haar hoofd. Ieder ding dat zij benoemde had alweer een andere plaats zodra zij naar het volgende keek.
Ze reden naar een rustiger deel. Daar stonden drie auto's onder kale bomen. Het vak dat zij kozen leek groot tot zij er werkelijk naartoe stuurde. Ada maakte de beweging af en bleef zitten. De auto stond stil.
Kamal vroeg haar te kijken. Zij keek eerst naar hem.
‘Naar buiten,’ zei hij.
Aan haar kant lag de lijn dichterbij dan aan de andere. Voor de auto was nog veel ruimte. Zij voelde een korte ergernis, niet op hem alleen. Het was dezelfde auto, dezelfde breedte, waarom wist haar hand dat niet?
‘Ik sta scheef.’
‘Een beetje.’
Zij corrigeerde het onder zijn begeleiding. Deze keer nam ze de tijd om het verschil ook echt te zien. Het lukte niet in één beweging. Bij de tweede poging stond zij beter. Zij zette de auto stil en keek naar de lijnen, vervolgens naar de voorkant en pas toen naar Kamal.
‘Zo.’
Hij knikte. ‘Nu kunt u uitstappen.’
‘Moeten we boodschappen doen?’
‘Ik niet.’
Hij liet haar vanaf buiten kijken waar de auto in het vak stond. Ada had de neiging de deur heel weinig open te doen, hoewel er aan die kant ruimte genoeg was. Zij stapte uit, liep een stukje om de auto heen en zag de afstand die vanuit de stoel zo onduidelijk was geweest. Aan de achterruit zat een klein rond vlekje van een oude sticker. Ze had dat nooit gezien.
Toen ze terugzat, was het vak naast hen bezet. Een man had zijn auto neergezet, keek op zijn telefoon en liep toen naar de ingang. Hij wist niets van haar twee pogingen. Ada hield haar handen in haar schoot terwijl Kamal het volgende deel van de les uitlegde.
Ze oefenden nog een keer op een andere plek. Bij het wegrijden moest ze opnieuw goed kijken; het lege vak had haar te veel aandacht gekost. Kamal greep één keer in met een korte aanwijzing. Ada hoorde hem, keek en wachtte. Er reed een auto langs die zij nog niet goed in de gaten had gehad. Zij kreeg het warm in haar gezicht.
‘Dat was te laat gezien,’ zei ze.
‘Ja. Nu nog eens rustig.’
Zij had iets willen zeggen over de hoge auto naast hen. Het uitzicht was daar werkelijk minder. Zij wachtte tot de andere auto voorbij was en begon opnieuw. Er hoefde geen excuus achter. Op de terugweg sloeg zij een straat later af dan de vorige keer. Bij een kruising die zij kende, moest ze toch nog nadenken. Vertrouwd zijn vanaf de fiets bleek niet hetzelfde als hier in de auto zitten.
Aan het eind bespraken ze de les. Ada wilde weten wat er volgende week kwam. Kamal noemde een paar onderdelen die ze opnieuw zouden oefenen. Ze spraken de volgende les af. Ada stopte de bevestiging in haar agenda en pakte haar sporttas.
‘De supermarkt is gelukt,’ zei ze bij het uitstappen.
‘U hebt er geparkeerd,’ zei hij.
Dat klonk kleiner. Ze vond het toch een goed geluid. Op de stoep zag zij de auto wegrijden. Daarna keek ze naar de tijd en liep naar het broodjeszaakje bij de bushalte.
Ze bestelde soep en een broodje dat niet op de kaart stond zoals zij het noemde. De jongen achter de balie vroeg twee keer welk brood zij bedoelde. Ze wees het aan. Hij zei de naam en pakte het. Ada ging bij het raam zitten en zette de sporttas op de stoel naast zich.
De soep was heet. Zij at langzaam, terwijl buiten mensen hun mutsen recht trokken voordat ze verder liepen. Op een beeldscherm boven de balie stonden steeds dezelfde zes aanbiedingen. Er zat een foto tussen die zo groen was dat zelfs de tomaat er ongekookt gras bij leek. Ze keek er iedere keer opnieuw naar.
Aan het tafeltje achter haar bespraken twee vrouwen wat iemand op een verjaardag had gezegd. Ada kon de namen niet uit elkaar houden. Zij luisterde toch een poosje. Een van de vrouwen begon telkens opnieuw bij het begin, tot de ander zei dat ze het nu wel wist. Toen vertelde ze iets over een buurman. Ada at het laatste stukje brood en zocht een servet.
De bus was op tijd. In de sporttas klikte de sluiting van haar waterfles tegen iets hards. Het bleek het muntje voor de kluis te zijn, dat zij al twee keer kwijtgeraakt was zonder dat het ooit de tas had verlaten. Zij stopte het in het binnenvak. Bij de zaal liep ze volgens het bericht naar de zij-ingang. De deur was dicht, maar iemand deed hem van binnen open.
‘We konden niet meer door die andere hal,’ zei een man met een krat shuttles. ‘Ze leggen er een vloer in.’
Ada keek langs hem heen. Er lag inderdaad iets opgerolds dat eerder op een enorm tapijt leek dan op een vloer. Zij liep door naar de kleedkamer en verwisselde haar schoenen. De jas kwam op de bank waar nu niemand zat. Het was nog vijf minuten voor twee.
In de zaal stonden de netten al. Ada schreef haar naam op het bord en pakte het geleende racket. Leonie zat op de bank met haar haar nog los. Naast haar lag een haarbandje dat uitgerekt was tot een smalle sliert.
‘Heb jij nog een elastiek?’ vroeg ze.
Ada zocht in haar tas. Zij vond een kassabon, een pakje zakdoekjes en het muntje dat zij zojuist heel zorgvuldig had opgeborgen, omdat ze het eerste vak toch weer had opengetrokken. Geen elastiek. Leonie bond haar haar zo goed mogelijk vast met de slappe band.
‘Dan kijk ik vandaag af en toe door een gordijn,’ zei ze.
Er ontstond verwarring over de volgorde. Ada dacht dat haar naam nog bij het vorige spel hoorde; zij had hem onder de streep gezet in plaats van erboven. Een andere vrouw nam aan dat Ada wachtte op iemand anders en liep het veld op.
‘Ik wilde nu,’ zei Ada.
‘Je stond daar.’
De vrouw wees naar het bord. Ada ging dichterbij kijken. Haar A was door een oude veeg krijt bijna een H geworden. De streep liep net boven haar naam. Zij zette hem op de goede plek en vroeg wie er nu aan de beurt waren. Ze moesten vier namen schuiven. De man met het krat trok een nieuwe streep en schreef de volgorde opnieuw op.
‘Dan spelen wij eerst dat korte,’ zei Leonie. ‘Daarna schuiven we.’
Het werd geen heel kort spel. Ada miste de eerste opslag. Bij de tweede raakte ze de shuttle zo schuin dat hij over het naastgelegen net vloog. Een vrouw gaf hem terug met een glimlach die zij van zichzelf herkende wanneer iemand een klok te voorzichtig vasthield. Ada zei dank je en probeerde opnieuw.
In het volgende punt kreeg zij de shuttle onverwacht goed terug. Leonie keek achterom omdat zij kennelijk niet op die hoge slag gerekend had. Aan de overkant moest iemand ver naar achteren stappen. De shuttle kwam terug, Ada raakte hem weer, toen Leonie, toen de man tegenover hen. Het duurde lang genoeg om te vergeten dat zij op de eerste twee pogingen had staan mopperen.
Toen hij uiteindelijk op de grond viel, moest zij lachen. Er kwam niets uit, alleen lucht. Leonie sloeg haar met de zijkant van haar hand kort tegen de arm.
‘Die laatste was van mij.’
‘Ik had hem ook niet gehad.’
‘Dat weet je niet.’
Ze wisselden van kant. Ada's hand voelde warm op het racket. Ze zou later moeten onthouden dat een eigen handvat misschien prettiger was; dit draaide soms. Maar nu wilde zij vooral de volgende shuttle raken. De sportvloer gaf mee op een andere manier dan de stenen achter de toonbank. Tussen schoenen, stemmen en het kleine droge tikje van het racket riep Leonie iets dat zij eerst niet verstond. Ada vroeg wat ze zei en kreeg de stand nog eens te horen.
Zij verloren het volgende spel. Ada had de stand verkeerd onthouden en vroeg of ze nog een punt moesten. Leonie schudde haar hoofd. Ze dronken water en gingen op de bank zitten terwijl de anderen speelden. Leonie vertelde dat ze vrijdag met haar zus naar een concert ging en niet wist of zij op tijd vrij kreeg om de trein te halen. Ada vroeg wie er optrad. De naam zei haar niets.
‘Mij ook niet, tot ze me een kaartje stuurde,’ zei Leonie. ‘Ik ga voor mijn zus. En voor de patat op de terugweg.’
Ada vroeg of zij de woensdag erna weer kwam. Misschien, zei Leonie. Ze zou het nog laten weten. Er was ook iemand anders die met Ada wilde dubbelen; de vrouw die haar net de shuttle had teruggegeven stak haar hand op. Ada nam nog een slok en stond op.
Na afloop pakte ze haar jas van de bank. Hij was op de grond gegleden. Er zat een witte veeg op de mouw die er met haar hand weer afging. Zij trok hem aan, borg het racket op bij de andere leenrackets en gaf haar kluissleutel terug. Het muntje kwam los uit het slot. Ze stopte het in het binnenvak van haar tas.
Buiten brandden de lampen al. Bij de halte stond zij naast een vrouw die nog in haar sportbroek was, met een lange jas eroverheen. Ze bespraken of de bus al voorbij kon zijn. Op het bord stond dat hij over vier minuten kwam. Ada zag de vier veranderen in drie, toen weer in vier. Zij hield haar handen om de draagband van haar tas en wachtte.
Thuis zette ze de sportschoenen bij de deur. De handdoek ging meteen op de wasmachine, de fles in de gootsteen. Zij waste haar handen en maakte iets warms van de groente die nog in de koelkast lag. Op tafel lag een kaart van de onderdelenleverancier met bestellijsten voor januari. Ze schoof hem onder het schrift voor morgen. Het eten werd koud als zij hem nu openvouwde.
Na het eten pakte zij haar eigen mobiel en zette haar naam op de lijst voor de volgende woensdag. Aan Leonie stuurde ze dat ze veel plezier wenste vrijdag. Het duurde even voordat er een duim terugkwam.
Ada zette de lege beker in de keuken. De vaste winkeltelefoon stond waar hij altijd stond, achter de toonbank in de winkel. Zij kon hem hier niet horen. In de gang trok zij de huissleutel uit haar jaszak en legde hem op het kastje bij de deur. De sleutel van de zaak zat aan de andere ring, in haar tas.
In de kamer schoof zij de stoel een stukje naar de lamp en pakte de krant. Op de cultuurpagina stond een foto van de zanger die Leonie had genoemd. Ze keek naar zijn gezicht, las de eerste regels en sloeg de bladzijde niet om toen de televisie bij de buren begon.
Einde

