Hoofdstuk 18 · 10 minuten lezen
Een klok minder
Saskia kwam tien minuten te vroeg. Ada zag haar door de ruit terwijl ze de laatste woorden op de werkbon schreef. De vrouw droeg een rechthoekige boodschappentas, te groot voor de klok als je alleen naar de opening keek, te klein zodra je bedacht dat er ook nog iets omheen moest.
Ada zette haar pen neer en liep naar de deur. Saskia had al een hand op de klink.
‘Ik was er toch,’ zei ze. ‘Ik kan ook even wachten.’
‘Het is klaar. Kom maar.’
Ze haalde de mantelklok van het lage kastje achter de toonbank. Het hout was donkerder waar de ronde kap overging in de rechte voet. Onder het raam van de wijzerplaat zat een klein kleurverschil dat Ada nooit helemaal gelijk had kunnen krijgen zonder aan de afwerking te beginnen. Dat hadden ze niet afgesproken. Ze liet de klok op de toonbank staan en pakte haar werkbon erbij.
Saskia boog zich voorover. Haar oorbellen zwaaiden langs haar kraag.
‘Hij doet het weer.’
‘Hij heeft hier goed gelopen. Dat heb ik bijgehouden.’
Ada legde het kaartje met de waarnemingen erbij. Ze noemde de werkzaamheden die onder de afgesproken onderhoudsbeurt vielen en de controle van het slagwerk. De pen wees de regels aan zonder dat zij het kaartje aan de vrouw opdrong. Saskia las langzaam. Een vinger ging naar het kopje waaronder de aanvullende restauratie eerder had gestaan.
‘Dat is dus niet gedaan.’
‘Nee. Dat hebben we er samen afgehaald.’
‘Ja, dat weet ik.’ Saskia keek op. ‘Ik wilde alleen weten of dit papier bij die eerste prijs hoorde.’
Ada voelde hoe ze haar kin had opgetild. Ze liet de pen zakken.
‘Nee. Dit is de laatste afspraak. Ik heb de oude offerte hier nog, met de strepen.’
‘Dan is het goed.’
Saskia draaide de klok een klein stukje naar het licht. Ada hield automatisch haar hand naast de voet. De vrouw had hem stevig vast en zette hem neer zonder te schuren.
‘Die kras,’ zei ze. ‘Zat die daar al?’
Op de rechterzijkant liep een dun bleek streepje, schuin langs de kromming van het hout. Ada kende het. Tenminste, dat dacht ze. Ze had de klok zo vaak zonder kast voor zich gehad dat haar herinnering aan de buitenkant minder precies was dan ze wilde.
‘Ik heb geen houtwerk gedaan,’ zei ze.
‘Nee. Maar hij is hier wel geweest.’
De woorden stonden even tussen hen op de toonbank. Saskia liet de klok los en vouwde haar handen om het hengsel van de boodschappentas. Ada keek opnieuw naar het streepje. Niet lang genoeg om van dat kijken een bewijs te maken.
‘Ik ga even bij de foto's kijken.’
Ze had bij de inname een paar foto's met haar telefoon gemaakt. Niet omdat die zo mooi waren, maar omdat er onder aan de kast een los latje zat waarover ze later niet wilde twijfelen. De eerste foto liet de voorkant zien. In de tweede stond haar eigen duim half voor de lens. Zij schoof die snel door. Op de derde zag je de zijkant, klein en scheef in beeld.
Saskia kwam naast haar staan. Ada vergrootte het beeld met twee vingers. Het hout werd korrelig. Onder de spiegeling van de lamp was een licht lijntje zichtbaar, met aan één kant een donkerder punt.
‘Dat is hem, denk ik,’ zei Saskia.
‘Ik denk het ook. De vorm is hetzelfde. Maar deze foto is niet scherp.’
Ze hield de telefoon naast de klok. De vrouw keek eerst naar de foto, toen naar het hout.
‘Mijn vader had hem op een kast waar altijd een vaas naast stond. Die werd er zo langs geschoven.’ Ze maakte een kort gebaar met haar hand. ‘Ik wist niet meer aan welke kant.’
Ada knikte. Zij had al willen zeggen dat je een kast op die plek nauwelijks kon aanraken zonder het te zien. Nu zei ze alleen dat ze de foto kon meesturen als Saskia dat wilde.
‘Graag. Dan hoef ik het niet weer aan hem te vragen. Dan komt er een verhaal over die vaas van drie kwartier.’
Ada glimlachte. Saskia deed dat ook, zonder haar blik van het streepje te halen. Zij tikte met haar nagel tegen haar tas.
‘Het hoeft niet weg, hoor. Als het er al zat.’
‘Dat begrijp ik.’
Ada stuurde de foto. Het duurde even voordat de naam verscheen; zij had haar contacten op voornaam opgeslagen en er stonden twee Saskia's in. De andere was van de boekhandel. Ze liet de klant controleren of het nummer eindigde op de cijfers van de werkbon. Daarna legde ze de telefoon weg.
Bij het afrekenen kreeg Ada de tweehonderdzestig euro te zien die ze zelf op de laatste afspraak had geschreven. Ze moest het nog één keer terugzoeken, hoewel ze het de dag ervoor gecontroleerd had. De eerste offerte zat achteraan. Driehonderdvijfenvijftig, met het niet uitgevoerde houtwerk erbij, nog altijd in haar nette handschrift.
Saskia hield haar pas tegen het apparaat. Het piepte. Ada schoof de rekening in een envelop en vroeg waar de klok thuis zou komen te staan.
‘Op het dressoir. Misschien op een ander plekje. Mijn man vindt hem naast de televisie nogal druk.’
‘Zet hem op de plek waar je hem wilt houden. En laat me weten hoe hij daar loopt.’
Ze bespraken een korte controle na twee weken. Saskia pakte haar agenda. Op de voorgestelde donderdag kon zij niet, op vrijdag wel. Ada schreef vrijdagmiddag op. Geen nieuwe onderhoudsbeurt, alleen de afgesproken nazorg als het lopen thuis aanleiding gaf om terug te komen. Zij zei dat laatste nogmaals, omdat ze merkte dat haar eigen pen al op de regel eronder stond.
‘Ik bel eerst,’ zei Saskia. ‘Als hij het goed doet, hoef ik toch niet met het ding door de regen.’
‘Nee.’
De tas bleek inderdaad te smal zodra er bescherming bij kwam. Saskia probeerde de klok schuin te houden. Ada vroeg haar te wachten en haalde een stevige doos uit het achterkamertje. Die was niet hoog genoeg om dicht te vouwen, wel breed genoeg. Ze legden een schone oude handdoek om de kast. De bijbehorende losse delen gingen gemerkt en apart beschermd mee. Ada controleerde het samen met haar.
‘Ik krijg hem wel naar de auto,’ zei Saskia.
Ada hield de deur open. De auto stond twee plaatsen verder. Saskia zette de doos eerst op de lege passagiersstoel en verplaatste hem daarna naar de vloer. Zij kwam niet terug voor hulp. Door het glas zag Ada haar opzij buigen om de doos te controleren voordat ze instapte.
De lege plek op het kastje achter de toonbank was stoffig. Ada pakte een doek en veegde eroverheen. Een smal licht vlak bleef over. Zij zette er geen andere klok voor. Eerst ging de bon in de map met afgehaald werk.
Toen ze de datum invulde, zag ze dat er een klein vlekje naast Saskia's naam zat. Koffie, waarschijnlijk. Het bedekte niets. Ze trok geen nieuwe bon om hem over te schrijven.
Voor de lunch had ze drie dingen op haar lijst. De laatste waarneming aan een kleine wandklok noteren, de eigenaar van het batterij-klokje bellen en de twee toestemmingen aan Jeroen doorsturen. Die laatste afspraken waren voor volgende week. Zij moesten nog schriftelijk bevestigd worden; de klokken bleven tot dat moment bij haar. Ze wilde ze niet meenemen omdat ze toevallig die kant op ging.
De eigenaar van de keukenklok nam bij de tweede poging op.
‘U komt vandaag uw klok halen,’ zei Ada. ‘Ik wilde vragen hoe laat ongeveer. Dan leg ik hem vast klaar.’
‘Halfvijf, lukt dat?’
‘Dat lukt.’
‘Die nieuwe hangt er al,’ zei de man. ‘Maar ik wil deze toch terug. Misschien kan ik hem als kapstok gebruiken.’
‘Dat zou ik niet doen.’
‘Ik bedoelde het niet echt.’
Ada hoorde zichzelf lachen, iets later dan hij. Ze schreef halfvijf op de bon. Het was een modern quartzklokje met een geelwitte rand waarop vroeger bloemen hadden gestaan. Nu zag je vooral een paar donkere blaadjes bij de zes. Een batterij was er geen eeuwenoud uurwerk van gaan maken. Toch had het bijna net zoveel plaats gevraagd in haar hoofd als de grote houten klok van de vereniging.
Ze at haar boterham in het achterkamertje. De radio stond aan op een programma waarin twee mensen door elkaar heen een film bespraken die zij geen van beiden mooi vonden. Zij had maar één van hun namen verstaan. Toen de telefoon in de winkel ging, zette ze haar bord neer, nam op en kwam terug bij een liedje dat ze kende.
De middag trok niet in één rechte lijn voorbij. Er kwam iemand om een sleutel vragen die hier niet verkocht werd. Een man wilde weten of een klok die hij op een foto had zien staan ook in rood bestond. Tussen twee bezoeken door bevestigde een eigenares de offerte die Ada na de voorraadtelling had gestuurd. Ze ging akkoord met het beschreven werk en de prijs; de afhaaldatum kon de volgende week blijven. Ada schreef de bevestiging op de bon voordat zij de klok naar het plankje voor aangenomen werk zette. Een pakket voor de buurzaak belandde bij haar; ze nam het aan, schreef de naam op en zette het bij de deur. Om drie uur kwam de buurvrouw het halen.
Ada werkte tussen die bezoeken aan de kleine wandklok. De slinger bewoog al een tijdje, maar ze had het lopen op de testplek nog niet lang genoeg gezien om hem klaar te noemen. Ze schreef de waarneming op en zette de klok terug. Het was verleidelijk geweest om de eigenaar alvast te bellen. Er was net een plek vrijgekomen. Een opgehaalde klok bracht geld binnen. Zij schoof de bon naar het rijtje voor morgen en liet de telefoon liggen.
Om kwart over vier trok ze de map met haar voorraad naar zich toe. De lijst had eerst gevoeld als een telling van alles wat haar boven het hoofd groeide. Nu kon zij op sommige regels een datum zetten zonder er een nieuwe afspraak achter te schrijven. Ze volgde ze met haar vinger. De mantelklok van Saskia was eerder die dag gegaan. De kleine opdrachten van de afgelopen twee weken stonden in de afgehaalde map. Nog niet alles was weg; de grote ronde klok van de sportvereniging hing nog op de testwand. Hij sloeg niet. Dat gaf in de winkel minder lawaai dan zijn formaat deed verwachten.
Als ze de lijst omdraaide, lagen er rekeningen. Jeroens onderzoek had ze betaald; de honderdtachtig euro stond bij de kosten. De negentig euro van Paul Hoving was al terug naar hem. Ze moest dat onderscheid soms nog voor zichzelf aanwijzen, wanneer een terugbetaling in haar bankoverzicht groter oogde dan de fout die zij werkelijk had gemaakt.
De man met de keukenklok kwam op tijd. Hij had geen tas bij zich, alleen een opvouwbaar parapluutje dat hij buiten tegen de muur zette. Ada legde het klokje met de bon op de toonbank.
‘Dat is hem.’
‘Gelukkig wel,’ zei de man. ‘Anders weet ik helemaal niet waar ik voor kom.’
Hij draaide het klokje om. Ada wees de binnenkant niet opnieuw aan. Hij wilde alleen zien of het metalen ophanglusje nog vastzat.
‘Dat schroefje was eerder los,’ zei hij. ‘Daarom hing hij altijd scheef.’
Ada keek mee. Het lusje zat vast. De man nam de klok onder zijn arm.
‘Ik ga er voorlopig maar mee oefenen zonder kapstok,’ zei hij.
Bij de deur draaide hij zich om. ‘Als ik ooit iets anders heb, mag ik dan wel bellen?’
‘Bellen mag. Dan kijken we wat er mogelijk is.’
‘Goed.’
Na zijn vertrek stond de paraplu nog tegen de muur. Ada zag hem toen de man al aan de overkant stond. Ze stak haar arm op en riep. Twee mensen keken om. Hij liep terug, schudde zijn hoofd en pakte het ding.
‘Die liep zeker ook niet meer,’ zei hij.
Ada lachte. Het kwam vanzelf, zonder dat ze er een beleefd einde aan hoefde te geven.
Binnen legde ze de tweede bon bij de eerste. Twee voorwerpen van de lijst af. Eén gerepareerd, één niet. Ze keek naar haar werkbank, waar de kleine wandklok voor morgen stond. De hoek ervan was iets te dicht bij de lamp. Zij verschoof de lamp, pakte haar pincet en ging zitten.
Haar hiel stootte tegen de sporttas onder de tafel. Daar zaten de sportschoenen van gisteren nog in. Ze had ze niet eens uitgepakt. Na een moment haalde ze de tas onder de tafel vandaan, zette hem naast de kapstok en schoof haar voeten weer goed. Aan de wand hield de grote klok de tijd bij, veel zachter dan de radio.