Hoofdstuk 11 · 12 minuten lezen
Het onderdeel dat wel paste
Het onderdeel paste. Dat was het vervelende.
Ada had de leverancier willen bellen, het zakje met het nummer naast de telefoon leggen en vertellen dat de maat niet klopte. Dan was er een vergissing geweest die zich met een ander zakje liet herstellen. Ze had de oude en de nieuwe uitvoering onder de lamp gehouden. De aansluiting was goed. Ze had het zorgvuldig bevestigd, gecontroleerd of niets aanliep en de klok laten lopen.
Na negen minuten was hij weer stilgevallen.
Ze had de tijd niet uit ongeduld bijgehouden. Het stond nu allemaal naast de bon: begin, werk, onderbreking, einde. Voor Paul Hoving had ze donderdag achtenveertig minuten aan telefoontjes, uitpakken en vergelijken genoteerd en ruim een uur aan de klok zelf. Dat was iets anders dan bijna klaar. Het uurwerk stond nog op haar bank, de messing kast op een zachte doek ernaast.
Ze tilde haar bril op en wreef over de brug van haar neus. Buiten trok een wagen van de gemeente langs het raam. De zijborstels draaiden zo snel dat je de haren niet afzonderlijk zag. Eén nat blad bleef op zijn plek liggen.
De klok van de sportvereniging moest zij vandaag niet aanraken. Ze had het ervoor bestemde plankje vrijgemaakt en de bon erboven vastgezet. De ronde kast nam meer ruimte in dan het uurwerk nodig had. Op het hout zat aan de achterkant een donkere plek waar hij jarenlang tegen dezelfde muur had gehangen. Ze had daar vorige week Remco de Wit over gebeld. Hij had gezegd dat het geen probleem was als je dat niet zag. Ze had twee minuten werk genoteerd voor dat telefoongesprek en zich daarna afgevraagd of dat kinderachtig was.
Nu keek ze weer naar Pauls uurwerk. Het bestelde onderdeel was niet voor niets geweest; de oude aansluiting had werkelijk niet goed gewerkt. Maar ze had gedacht dat ze daarmee de oorzaak had. Ze moest de klok beoordelen die er stond, niet haar eerste verhaal erover.
Op een klein papiertje schreef ze wat de klok deed. Loopt. Verliest gang. Stopt. Opnieuw dezelfde korte duur. Er kwam geen diagnose uit de woorden. Ze schoof het papiertje onder de bon, zodat het niet in de la met onderdelen zou verdwijnen.
Jeroen had haar voor tienen teruggebeld. Zijn stem klonk verder weg dan gewoonlijk. Er stond een ventilator aan, zei hij, niet omdat het warm was, maar omdat iemand aan de andere kant van het gebouw de hele ochtend had staan zagen.
‘Kun je vanmiddag kijken?’ vroeg Ada.
‘Naar een foto wel.’
‘Ik wil weten of hij zonder nieuw draaiwerk nog betrouwbaar wordt.’
‘Dan niet naar een foto.’
Dat wist ze. Ze hoorde zichzelf toch de vraag verder dichtduwen. Voor volgende week was er geen oplossing. Als hij vandaag kon kijken, kon zij vanavond weten wat ze tegen Paul moest zeggen. Hij vroeg welk uurwerk het was. Ze noemde het type, de klacht en het vervangen onderdeel. Daarna wachtte ze terwijl hij in zijn agenda keek.
‘Onderzoek kan ik vanmiddag ertussen doen,’ zei hij. ‘Geen reparatie. Ik moet eerst zien wat er overblijft als alles schoon en zichtbaar is. Honderdtachtig voor het onderzoek. Je krijgt een verslag en een prijs voor het vervolg.’
Ada schreef 180 onder de notitie met de tijd. Ze had die lege ruimte niet zo bedoeld.
‘En het vervolg?’
‘Dat weet ik na het onderzoek.’
Hij zei het niet onaardig. Achter hem hield het zagen op. Er kwam een klein, ander geluid voor in de plaats dat zij niet kon herkennen.
‘Ik bel de klant,’ zei ze.
Paul nam pas bij de tweede poging op. Op de achtergrond klonk een radio die onmiddellijk zachter werd gezet. Hij wilde eerst weten of zij belde omdat hij kon komen.
‘Nog niet. Ik heb het onderdeel vervangen, maar hij stopt nog steeds. Ik wil het uurwerk door een collega laten onderzoeken. Met de kast en de overige delen erbij, zodat hij weet wat bij deze klok hoort.’
‘Is hij dan bij u?’
‘Vanmiddag niet. Hij gaat alleen mee als u dat goed vindt.’
‘Wat kost me dat?’
Ze keek naar de oude afspraak op zijn bon. Tweehonderdnegentig. Niet hersteld, geen rekening. Ze had hem destijds zijn eigen zin teruggegeven met een geruststellend knikje. Nu stond hij in haar eigen handschrift.
‘Dat onderzoek verandert onze afspraak niet. Ik betaal het. Als er meer herstel nodig is dan ik heb aangeboden, krijgt u eerst een nieuwe prijs. Daar beslist u zelf over.’
‘En als ik die niet wil?’
‘Dan krijgt u uw klok ongerepareerd terug. Met alles erbij. En uw voorschot terug.’
Hij zweeg zo lang dat ze de schakelaar van zijn radio hoorde klikken. Daarna vroeg hij hoe die collega heette. Ze gaf Jeroens naam en de plaats van zijn werkplaats, buiten het centrum. Paul wilde weten of zij de klok zelf zou brengen. Ja. Of hij nog hetzelfde deurtje en dezelfde wijzers kreeg. Ja. Hij had de klok al jaren, zei hij; er was geen haast die een willekeurige vervanging nodig maakte.
‘Laat hem dan maar kijken,’ zei hij. ‘Maar nog niets doen waar ik aan vastzit.’
‘Alleen onderzoeken. Dat zet ik erbij.’
Ze schreef zijn toestemming op met de tijd van het gesprek. Daarna stuurde ze hem het afgesproken bericht, zonder er al een vermoedelijke uitkomst bij te noemen. Voor Jeroen maakte ze een opdracht: onderzoek voor haar rekening, 180, geen vervolg zonder nieuwe afspraak. Het duurde niet lang om de twee verschillende beloften te formuleren. Ze las ze allebei terug voordat ze op verzenden drukte.
Om twaalf uur deed ze de winkeldeur achter zich op slot. Vrijdag was geen gesloten dag. Ze had een briefje gemaakt: vandaag tussen twaalf en half twee afwezig, daarna weer open. Het was klein en niet mooi, met een vlek van haar wijsvinger onder half. Ze hing het op ooghoogte. De straat was druk genoeg dat ze het gevoel had dat iemand de tijd meteen zou opnemen.
De taxi stond een straat verder, omdat de chauffeur niet langs een bezorgwagen kon. Ada liep erheen met de omdoos dicht tegen haar lichaam. De klokdelen lagen afzonderlijk beschermd en gemerkt, niets kon heen en weer slaan. De chauffeur vroeg of het zwaar was. Ze zei van niet. Hij wilde toch de deur voor haar vasthouden. Deze keer liet ze hem.
Jeroens werkplaats had geen etalage. Het raam zat hoog in de muur en was onderaan met een matte strook beplakt. Naast de deur stond een bak voor planten die vol zat met dunne houten latjes. De bel werkte niet. Ada zag Jeroen achter in de ruimte en klopte tegen het kozijn tot hij opkeek.
‘Die is al drie weken stuk,’ zei hij bij het opendoen.
‘Dat hoor je hier vaker.’
‘Ik hoor hem dus niet.’
Hij nam niet meteen de doos aan. Eerst haalde hij twee opgestapelde bakken van de werktafel en legde hij zijn eigen werk opzij. Ada zag de tijd die dat kostte. Het was geen leeg uur dat op haar wachtte. Er stond een half afgedekte machine, een loep met een grotere lens dan de hare en een kartonnen beker waarin al lang geen koffie meer kon zitten.
Ze pakten samen uit. Jeroen controleerde de gemerkte zakjes en de bon. Hij wees naar het nieuwe onderdeel.
‘Dat is de goede.’
‘Ja.’
Ze wilde uitleggen hoe lang zij had gezocht. Daar vroeg hij niet naar. Hij draaide de lamp en vroeg wanneer de klok stopte. Ze gaf hem het briefje. Hij las de tijden, legde het naast zijn opdracht en schreef de naam van Paul Hoving op een papieren strook voor de onderdelendoos.
‘Ik bel voor vier uur met wat ik weet,’ zei hij. ‘Niet om te zeggen dat hij klaar is.’
Ada knikte. Dat was de derde keer vandaag dat zij dat verschil hoorde. Ze vond het bij hem zorgvuldigheid. Bij zichzelf had ze het uitstel genoemd.
Hij vroeg haar nog even te wachten terwijl hij een eerste controle deed. Ze kon over zijn schouder meekijken, op de afstand die zij zelf bij een klant prettig had gevonden. Een asje lag niet zoals het hoorde in zijn lagering. Toen hij de stand onder de loep veranderde, zag zij het kleine verschil dat ze in de winkel niet met zekerheid had kunnen beoordelen. Ze had er wel aan getwijfeld. Dat zei ze nu.
‘Dan was die twijfel terecht,’ zei hij.
Dat maakte haar niet blij. Ze zette haar tas van de ene voet naar de andere. Jeroen legde het terug en liet zien op welke plaatsen hij verder ging kijken. Hij kon het onderzoek afronden omdat hij deze middag werk had dat tussen de stappen mocht wachten. Dat betekende niet dat een bewerking erachteraan paste. Daar had hij over drie weken voor het eerst ruimte voor, en daarna moest het weer op gang en getest.
‘Ik had hem te klein aangenomen,’ zei Ada.
‘Dat kan ik hier niet beoordelen.’
‘De prijs, bedoel ik.’
Hij pakte haar opdracht. ‘Deze prijs klopt.’
Op de terugweg zat ze naast een vrouw die bij de halte een boodschappentas probeerde op te vouwen. De stof zat vast in de rits van een klein vakje. Ada wilde de tas aanpakken en hield haar handen op haar eigen knieën. De vrouw klemde de rits tussen twee vingers en trok de stof los. Daarna bood ze Ada de lege stoel aan, omdat die vlakbij de uitgang lag.
Ada kwam vijf minuten voor half twee bij de winkel. Er stond niemand voor de deur. Ze haalde het briefje van het glas en vond dat ook geen opluchting. Misschien was er wel iemand geweest. Misschien ook niet. Ze kon het niet aan de lege stoep aflezen.
Ze legde haar tas in de kast en at een boterham terwijl ze staand de ochtend opruimde. Ze ruimde de lege plek onder de lamp op en ging aan de mantelklok werken. Saskia had duidelijk gezegd wat ze niet wilde. Het maakte het werk niet vanzelf kleiner, maar in elk geval was het dezelfde opdracht gebleven.
Om tien over half vier belde Jeroen. Hij had het onderzoek uitgevoerd. Er waren slijtsporen aan de lagerplaatsen en een tap die meer nodig had dan schoonmaken. Hij beschreef wat hersteld kon worden en wat hij pas na een bewerking opnieuw kon beoordelen. Ada maakte twee keer een aantekening en vroeg hem de volgorde te herhalen. Zij kende de woorden. Ze moest nu kiezen welke ze aan Paul ging doorgeven en welke alleen op de werkbon hoorden.
‘Kun je dat op papier zetten?’
‘Dat komt zo. Met de prijs. Als hij niet doorgaat, maak ik de onderdelen compleet voor teruggave. De factuur voor het onderzoek stuur ik aan jou.’
‘Dat is goed.’
De mail kwam terwijl zij nog bij de telefoon stond. Ze las hem op het kleine scherm van haar eigen mobiel en daarna op de computer, omdat ze niet wilde dat een bedrag half buiten beeld viel. Jeroen had zijn onderzoek apart gezet. Honderdtachtig, uitgevoerd. Daaronder stond een nieuwe bewerkingsprijs, afhankelijk van de beschreven opdracht en zonder het oude onderdeel nog eens te laten betalen. Er was een duidelijke eerst mogelijke werkweek genoemd. Geen vrijdag ophalen uit beleefdheid.
Ada telde haar eigen resterende werk erbij op: terugbouwen, controleren, de gang volgen, een korte proef niet als eindcontrole laten gelden. De nieuwe totaalprijs voor Paul werd zeshonderdtien euro. Haar honderdtachtig euro voor het onderzoek bleven daarbuiten; die zou ze hem niet alsnog laten betalen. Als hij akkoord ging, zou het niet eerder dan vrijdag over vijf weken klaar kunnen zijn. Ze stuurde de offerte; verder werk moest op zijn antwoord wachten. Hij had nog niets gekocht.
Ze belde hem. De radio stond nu weer harder. Hij liet hem aan terwijl zij uitlegde wat er na het passende onderdeel was overgebleven. Halverwege vroeg hij of dit haar collega of zijzelf niet eerder had kunnen weten.
‘Ik heb bij de eerste beoordeling gedacht dat het met die vervanging klaar zou zijn,’ zei ze. ‘Dat was te stellig.’
‘U zei tweehonderdnegentig.’
‘Ja.’
Hij vroeg of ze het bericht kon sturen. Hij wilde het aan tafel lezen. Ada zei dat hij niet meteen hoefde te beslissen, maar wel dat er geen werk zou beginnen zonder zijn antwoord. Hij vroeg haar met de offerte ook de oorspronkelijke afspraak mee te sturen.
Na het gesprek zocht ze de bon niet opnieuw op. Hij lag nog naast de telefoon. Ze maakte een leesbare foto en voegde hem toe. Haar eigen handschrift zag er op het scherm ouder uit dan de ochtend waarop ze het had geschreven. Ze controleerde de naam boven het bestand. Paul Hoving. Geen klantnummer van een andere klok.
Buiten ging de bakker zijn rekken naar binnen rijden. Zij had nog twintig minuten open. Een vrouw kwam een klein sleuteltje afhalen en betaalde contant. Ada schreef de ontvangst op de gewone lijst. Daarna keek ze op haar urenblad. Haar eigen werk aan Pauls klok was niet verdwenen doordat een andere werkplaats het onderzoek had gedaan. Ze schreef de reis en de gesprekken erbij, op afzonderlijke regels. Het totaal bleef staan toen ze het schrift dichtdeed.
Zaterdag na sluiting haalde ze de klok weer op. Jeroen had op het deksel van de omdoos de inventaris gelegd. Ze liepen hem samen na: kast, uurwerk, wijzerplaat met de wijzers beschermd, de slinger afzonderlijk vastgelegd en het kleine zakje met de bijbehorende bevestigingen. Het oude onderdeel zat erbij, gemerkt als vervangen.
‘Hij heeft nog niet geantwoord,’ zei Ada.
‘Daar hoef je niet hier op te wachten.’
Jeroen schoof haar de kopie van zijn verslag toe. Het origineel had zij digitaal. Ze borg het papier bij de bon; het leek haar fijn om iets vast te kunnen pakken als Paul weer belde. Op de werktafel van Jeroen lag alweer een ander uurwerk. Ze herkende het type niet van deze afstand en kwam niet dichterbij. De naam op de doos was onderstreept in groen.
‘Als hij doorgaat, bel je eerst voor de plek,’ zei Jeroen. ‘Ik houd die week niet leeg omdat er een offerte ligt.’
‘Dat heb ik hem gezegd. Dat het niet eerder kan.’
‘Dan is het goed.’
Ze wilde hem vragen hoe hij dat zei tegen iemand die hem al zo lang kende dat er geen duidelijke dag meer tussen komen en afhalen zat. Maar buiten wachtte haar taxi, ditmaal wel vlak voor de deur, en zij had de vraag niet aangekondigd. Ze tilde de doos op. Hij hield de deur open zonder hem over te nemen.
In de gesloten winkel zette ze de complete set op de lage plank waar Pauls klok eerder had gestaan. Er hing een nieuwe strook aan de doos: wachten op keuze klant. Ze hoefde niets te beloven om te weten waar hij was.
Daarna ging ze naar huis. Op straat kocht ze een brood dat niet voorgesneden was omdat de machine bij de bakker werd schoongemaakt. Thuis zaagde ze er een te dikke snee af en at die met kaas. Haar eigen keukentafel was vol genoeg met alleen de plank en haar bord.