Hoofdstuk 9 · 11 minuten lezen
De lege tafel
De vrouw van het andere pension vroeg of zij ook wilden ontbijten. Liv had thuis een boterham gegeten in de auto, met de motor nog uit. Ze zei dat zij alleen voor Daan kwamen. Els keek naar de gedekte tafels en vroeg of ze dan tenminste koffie mocht bestellen.
‘Dat kan altijd,’ zei de vrouw.
Het pension had een kleine eetkamer aan de straat. De gordijnen hingen open, op de vensterbank stonden drie planten die allemaal naar dezelfde kant groeiden. Aan één tafel zat een echtpaar zwijgend te eten. Er was een kinderstoel in de hoek gezet, zonder dienblad. Daan had een tafel onder de klok. Zijn koffer stond al naast de stoel.
‘Goedemorgen,’ zei hij. ‘Jullie zijn er vroeg.’
Els keek naar de klok. ‘Halfnegen.’
‘Ja. Ik bedoelde niet te vroeg.’
Hij schoof het bord met de broodjes opzij om ruimte te maken. Liv ging op de stoel aan de buitenkant zitten. Het kostte haar moeite niet meteen te vragen of hij had geslapen. Ze wilde van de vraag geen bewijs maken dat het andere huis wel gewoon geluid had.
Els legde een klein zakje naast zijn bord. Er zat een oplader in.
‘Die lag nog achter de tafel. Ik dacht dat je hem misschien op de school nodig had.’
‘Ik heb zitten zoeken.’
Daan pakte het zakje, keek naar de stekker en haalde het snoer eruit. Hij legde het over de koffer voordat hij ging zitten. Het waren twee korte handelingen waardoor hij zichtbaar minder haast kreeg.
‘Ik dacht dat ik hem in de andere tas had gestopt.’
Els knikte. Ze vroeg of hij verder alles had. Daan zei dat hij de papieren goed had kunnen gebruiken en dat hij het overhemd had gestreken. Hij wees niet op zichzelf; hij droeg een trui over het hemd en Liv zag alleen de kraag.
De vrouw bracht koffie. Els hield haar handen van de kan af toen de vrouw inschonk. Zij was hier te gast. Liv zag hoe dat gebaar halverwege bleef steken en toen overging in het rechtleggen van haar lepel.
‘Ik heb behoorlijk geslapen,’ zei Daan. ‘Dat kun je gewoon vragen.’
Liv glimlachte. ‘Dat was ik van plan.’
‘Ze hebben boven een deur die wat hard dichtvalt. Maar toen dacht ik alleen: er gaat een deur dicht.’
Hij zei het zonder triomf. Els keek naar de tafel. Zij had haar telefoon uit de tas gehaald. Ze wilde zijn rekening regelen en eerst weten of hij hier extra moest betalen voor het ontbijt. De vrouw die de koffie bracht, had het erbij gedaan zoals afgesproken. Daan zei dat hij het verschil wel wilde betalen als zij het anders ingewikkeld vond.
‘Dat vind ik niet ingewikkeld,’ zei Els.
‘Ik wil alleen niet dat jullie doen alsof ik van de trap ben gevallen.’
‘Dat doen we niet.’
Liv hoorde dat Els de laatste woorden scherp had uitgesproken. Daan hield zijn blik op haar, zonder terug te snijden. Er was niets om over te onderhandelen: hij was niet gevallen. Zij had een andere kamer voor hem geregeld omdat hij niet bij ieder geluid wilde denken dat het hem betrof.
‘Dat was ook niet de reden,’ zei Liv. ‘Je vroeg om ergens anders te slapen. Dat kon.’
‘Ja. En daar ben ik blij mee.’
Els legde de telefoon even neer. ‘Ik heb vannacht zitten bedenken dat ik je er bij binnenkomst iets over had moeten zeggen.’
‘Wat dan?’
‘Wat we gehoord hadden.’
Daan schoof zijn koffiekop naar zich toe. ‘Dat lijkt me lastig. Als iemand zegt dat er soms een stem uit de muur komt, ga je er zeker naar zoeken.’
‘Maar dan kon je kiezen.’
‘Dat is waar.’
Hij bleef even stil. Er kwam een meisje binnen met een groot dienblad en zette het op een leeg tafeltje. De vrouw riep haar terug; de kopjes moesten nog niet van de tafels. Daan keek op en glimlachte naar de vergissing. Liv wist niet of het meisje hier werkte of familie was. Zij hoefde het niet te weten om te zien dat zij werd teruggeroepen door iemand die er stond.
‘Ik had gisteren niet om de precieze woorden moeten vragen alsof je iets verkeerd had verteld,’ zei Liv.
‘Dat voelde een beetje zo.’
Hij sprak het niet extra voorzichtig uit. Zij was blij dat hij haar niet liet geloven dat het alleen een probleem in haar eigen hoofd was geweest.
‘Ik wilde weten of het dezelfde zin was die ik had gehoord. Maar jij had net aan de leuning gehangen.’
‘Ik hoef niet elke zin terug te kunnen halen om te weten waarom ik naar boven liep.’
‘Nee.’
Els keek van hem naar Liv. Ze had niet nodig dat Liv nu alle omstandigheden voor haar uitlegde. Ze vroeg Daan welke rekening zij kon gebruiken voor het terugstorten van de oorspronkelijke boeking. Het nieuwe pension rekende zij rechtstreeks af, zoals afgesproken. Hij haalde de bevestiging op zijn telefoon tevoorschijn en liet haar zien op welke naam die stond.
‘Dan betaal ik uiteindelijk geen overnachting,’ zei hij.
‘Dat weet ik. Dat wil ik zo.’
Els hield haar telefoon klaar tot hij de gegevens had gevonden. Zij had het andere pension al toegezegd dat hun rekening naar haar mocht.
Liv schoof haar stoel wat achteruit. Het echtpaar stond op om te vertrekken. De vrouw kwam met een karretje en vroeg of zij nog koffie wilden. Daan zei nee, hij moest zo gaan. Els vroeg of hij genoeg tijd had om naar de school te komen. Zij had al naar de bus gekeken; hij had zelf een andere gevonden die hem dichterbij bracht.
‘Ik red het,’ zei hij.
Hij deed de oplader in de koffer en klikte hem dicht. Zijn papieren stopte hij in een aparte map. Liv stond op om hem ruimte te geven. De school begon niet met zijn overleg; hij hoefde niet op het moment van de eerste bel aan een deur te trekken, vertelde hij. Toch wilde hij vroeg zijn.
‘Dan kan ik nog gewoon even zitten zonder dat ik mijn computer open moet doen.’
Els bood aan hem te brengen. Ze had geen auto bij zich; Liv begreep aan haar blik dat zij de hulp van Liv had aangeboden voordat zij het gevraagd had. Ze zei niets. Daan schudde zijn hoofd.
‘Ik ga met de bus. Ik heb die kaartjes nu toch.’
Hij trok zijn jas aan en bedankte hen nogmaals voor het regelen. Els wilde iets zeggen over als hij een andere keer terugkwam, maar hield op bij het woord keer. Daan zei dat hij de soep niet had geprobeerd en dat zij hem daar nog niet mee hoefde te overtuigen.
Liv hield de deur voor hem open. Ze zag hem over de straat lopen, de koffer schuin achter zich. Hij controleerde bij de hoek zijn telefoon, keek op naar het haltebord en liep verder. Hij ging naar zijn eigen afspraak. Er was geen reden om hem erna nog eens over hetzelfde geluid te bellen.
Els kwam naast haar staan.
‘Ik had hem niet moeten aanbieden dat jij hem kon brengen.’
‘Ik had het wel kunnen doen.’
‘Dat is iets anders.’
Liv knikte. Zij had een lange weg gereden voor twee kop koffie en een gesprek dat zij niet mooier kon maken. Els bleef naar de hoek kijken tot Daan er niet meer te zien was.
Binnen betaalde Els de koffie. De vrouw vroeg of zij nog iets voor Daan kon doorgeven wanneer hij later zijn koffer kwam halen. Hij had hem meegenomen, zei Els. Het was in orde. Zij hoefden verder niets van hem.
Op de stoep haalde Liv de sleutel van zeven uit haar tas. Ze had hem gisteren niet teruggegeven. Hij zat naast het kabeltje dat zij vanmorgen expres had meegenomen.
‘Die is nog van jou.’
Els nam hem aan. ‘Ik heb de reservesleutel gebruikt.’
‘Zeven en acht?’
‘Allebei dicht. Acht wordt toch niet verhuurd. Zeven heb ik van de kalender gehaald.’
Ze zei het snel, alsof het een klein klusje was dat voor het ontbijt gedaan kon worden. Liv vroeg niet hoeveel dagen. Els trok de rits van haar jas hoger.
‘Ik wil eerst weten wat Bram zegt. Niet over de stemmen. Over dat systeem. Dan beslis ik verder.’
Liv wees naar haar auto. Ze konden terugrijden. Els was komen lopen, vertelde ze. Het was goed geweest even niet het ontbijt van een ander te moeten zien staan. Liv wachtte tot ze was ingestapt en deed pas daarna zelf het portier dicht.
Onderweg vroeg Els hoe het met de dakrekening was gegaan. Liv zei dat de uitleg duidelijker was geworden en dat zij de uren nog moest afrekenen. Els vroeg of de foto echt iets had laten zien.
‘Latten die niet terug konden. Volgens mij wel.’
‘Mooi is anders.’
‘Dat zijn ze nu weer.’
Ze lachten, kort. Er kwam iemand op de fiets van rechts en Liv moest afremmen. Els stak automatisch een hand uit naar het dashboard, al kon zij daar niets mee tegenhouden. Ze trok hem terug zonder commentaar.
Het pension stond er in een lichte regen bij. De ontbijtkaart hing binnen. Liv had nog nooit gezien dat die er niet hing. Els stapte uit en pakte de sleutel die zij zojuist had teruggekregen niet voor de voordeur; daarvoor had ze een andere sleutel aan haar eigen bos.
Binnen was het stil. Op de tafel van drie stond niets meer. De lege plaats had gisteren geen indruk op Liv gemaakt. Nu keek Els ernaar voordat ze haar jas uittrok.
Ze zette de schaal met mandarijnen recht en ging naar de keuken. Liv bleef met haar tas bij de balie. Ze zou bij Brams bezoek helpen onthouden wat hij zei en daarna naar huis gaan. Dat was nog geen afspraak voor iedere volgende dag. Ze moest er niet stilzwijgend een van maken.
‘Ik wil vandaag niet weer luisteren,’ zei ze toen Els terugkwam.
‘Daar vraag ik ook niet om.’
‘Nee.’
‘Ik wil gewoon weten waar het ding zit.’
Els keek naar de trap. Liv hoorde in die ene gewoon hoeveel moeite het kostte om dit als een gewoon bezoek van een onderhoudsman te laten bestaan. Ze wilde het ook. Zij had haar eigen opnamen niet nodig om een oude buis aan te wijzen.
Ze dronken water in de keuken. Els vond een half brood in een zak, haalde het eruit en keek naar de korst. Ze had nog een bestelling bij Roos. Normaal hield ze voor het weekend wat extra aan. Nu wist ze niet of zij het nodig had.
‘Kun je dat afzeggen?’ vroeg Liv.
‘Het brood is al gemaakt.’
Ze pakte haar telefoon. Liv ging niet helpen formuleren. Els zei tegen Roos dat zij de bestelling wel kwam halen, maar dat die van morgen kleiner kon. Zij vertelde niet eerst het hele verhaal van Daan. Daarna vroeg ze of zij even kon terugbellen als Roos klaar was met het werk.
‘Nee, niets met je brood,’ zei ze. ‘Iets hier.’
Ze legde de telefoon neer. Er stond een tijd op haar oven, een andere op de magnetron. Liv keek van de ene naar de andere en weer naar Els.
‘Die gaat altijd voor,’ zei Els. ‘Ik heb hem te vroeg gezet en nooit goed gedaan.’
Liv voelde zich betrapt. Ze had er nog niets over gezegd. Els trok het halve brood naar zich toe, zette het mes neer en vroeg of zij er ook wat van wilde.
‘Ik heb al ontbeten.’
‘Ik ook. Dat wil niet zeggen dat het de hele dag genoeg is.’
Liv nam een stuk. Het had meer korst dan zij had verwacht en ze moest het met twee handen uit elkaar trekken. Els stopte het andere brood in de vriezer. Ze schreef er een datum op, bedacht zich en haalde de zak weer naar zich toe om ook het soort erop te zetten. Het was werk dat doorging terwijl de rest niet duidelijk werd.
Roos belde terug voordat Bram kwam. Els liep niet naar een andere kamer, maar zette de telefoon ook niet op de luidspreker. Liv hoorde haar ja zeggen en daarna langer niets. Ze veegde met een doek langs het aanrecht zodat ze niet bleef zitten kijken.
‘Misschien vannacht,’ zei Els. ‘Ik moet eerst horen wat hij zegt.’
Liv legde de doek neer. Roos had kennelijk aangeboden dat zij kon komen logeren. Els vroeg niet of Liv ook wilde blijven. Het was niet nodig om ieder veilig bed tot een oordeel over een ander huis te maken.
Toen het gesprek eindigde, pakte Els een klein opschrijfboek uit de la. Ze schreef de deur, de regenpijp en de spreekbuis onder elkaar. Liv zag dat zij eerst buizen had geschreven en de n weer doorstreepte.
‘Er zijn twee takken,’ zei ze.
‘Maar één ding waar ik mee zit.’
Els zette de punt achter het laatste woord. Liv liet het staan. Buiten klonk een motor die langzamer ging rijden. Er werd niet meteen aangebeld. Zij hoorden een portier, een tweede deur en toen de bel tegen het glas.
Els stond op. Ze nam het boekje mee, stopte het weer in de la en liep naar de voordeur. Liv bleef een ogenblik bij de keukentafel om de laatste hap brood door te slikken. Daarna pakte ze de oude tekening en ging naar de hal.