Hoofdstuk 24 · 10 minuten lezen
Twee, vijf en negen
Anouk zat niet achter haar bureau toen Liv binnenkwam, maar op de vloer bij een kast met folderhouders. Ze had haar telefoon tussen haar oor en schouder geklemd en probeerde een kartonnen doos dicht te krijgen met één hand.
‘Dat snap ik,’ zei ze. ‘Maar als het bij de school staat, hebben wij het hier niet.’
Ze zag Liv, hief haar vrije hand en wees naar een stoel. Liv ging zitten met haar tas op schoot. Op het bureau stond een kop koffie met een vel papier eronder. De koffie had een bruine rand getrokken langs de onderkant van een foto. Een laag winterlicht viel door de ramen op de kaart van de kust. Kleine plaatsnamen, veel blauwe ruimte.
‘Nee, niet laten ophalen,’ zei Anouk. ‘Laat hem eerst even kijken.’
Ze luisterde. Haar gezicht ontspande.
‘Mooi. Dan hoor ik het. Bedankt.’
Ze legde de telefoon op het bureau en drukte met beide handen de doos dicht.
‘Eén uitleenbare luidspreker,’ zei ze. ‘Drie mensen die hem ergens anders voor nodig hebben. Niemand die hem voor het laatst heeft gezien.’
‘Hij is niet op de luistermiddag achtergebleven?’
‘Nee, die is terug. Dit is de andere. Degene met het etiket “de andere”.’
Liv lachte en voelde meteen hoe gespannen ze was geweest. Ze legde haar tas naast haar voeten en maakte hem open.
‘Ik heb twee, vijf en negen bij me. En ik heb ze ook via de afgesproken map klaargezet. Dit is de overdracht die we hebben afgesproken, niet nog een proefversie.’
‘Goed. Geef me twee minuten.’
Anouk stond op met een hand op de kastrand. Ze schoof de doos eronder, nam de koffie van het papier en keek naar de bruine streep.
‘Dat is mijn eigen schuld.’
Ze legde de foto op een vrij stukje vensterbank en nam achter het bureau plaats. Liv haalde haar laptop tevoorschijn. Ze had de bestanden die ochtend nog eenmaal gecontroleerd. Niet afgespeeld van begin tot eind; dat had ze al gedaan. Namen, volgorde, de drie begeleidende teksten, de plaats waar de kopieën stonden. Het was een karwei met een einde geweest.
Anouk opende de map op haar eigen computer en draaide het scherm een stukje.
‘Ik wil even weten of ik het goed begrijp. Dit zijn de gesprekken die we nu kunnen gebruiken voor mensen die gewoon willen luisteren.’
‘Ja. De drie luisterkopieën. De overzettingen waarmee ik heb gewerkt blijven zoals ze waren.’
‘Die gaan dus niet weg.’
‘Nee.’
‘Ik vraag het omdat er dinsdag iemand vroeg of je de oude ruis dan niet gewoon kon weggooien.’
‘De ruis en de stem staan niet op twee verschillende plankjes.’
Anouk glimlachte. ‘Zal ik dat antwoord onthouden?’
‘Als je het niet als volledige uitleg gebruikt.’
Ze schoven hun stoelen naast elkaar. Anouk zocht het fragment van Willem Kooij op de tweede opname. Liv hoefde haar niet naar de juiste plaats te wijzen; Anouk had een tijdstip op haar aantekeningen geschreven. Dat was prettig. Iemand anders wist ook waar iets stond.
Willems stem klonk uit de kleine bureauluidsprekers, minder vol dan door Livs koptelefoon. Hij had haast met een woord en tijd voor het volgende. Op de achtergrond schoof ergens iets over een tafel. Hij vertelde hoe hun boot op die ene ochtend in de modder was vastgelopen. Toen de interviewer de haven in het algemeen ter sprake bracht, kwam zijn antwoord sneller. Zo bedoelde hij het niet.
Anouk stopte het fragment.
‘Daar.’ Ze tikte op haar papier. ‘Hij heeft het over hun boot, die ene ochtend. En ik heb hieronder ineens de hele doorgang dichtgeschreven.’
‘Dat laat ik staan.’
‘Dat bedoel ik niet. Ik bedoel: hoe zetten we dat bijschrift eronder? Er staat nu “De doorgang was niet bruikbaar bij laagwater”.’
Liv las de zin. Het was een korte, keurige samenvatting. Hij paste in de beschikbare ruimte, er stond geen rare term in. Je kon hem zonder het geluid begrijpen. Ze begreep ook waarom hij er stond.
‘Dat is te stellig.’
‘Dat dacht ik al.’
‘Ik zou zeggen dat hij vertelt over het kiezen van een doorgang, afhankelijk van het tij. Dan hoeft dit zinnetje niet alvast te beslissen wat hij zegt.’
‘Maar dat is wel erg algemeen.’
Liv keek naar de kaart aan de muur. De ondiepten waren er met lichtblauwe vlekken op aangegeven. Voor iemand die daar had gevaren zou het een andere kaart zijn dan voor haar.
‘Wat willen de mensen die erbij komen luisteren precies weten?’ vroeg ze.
‘Hoe het werk hier ging. Niet alleen wanneer de haven is dichtgeslibd, maar wat je dan werkelijk deed als je 's morgens voer.’
‘Zet dat erbij. “Willem Kooij over het kiezen van een route met het tij.” Dan hoeven we zijn aarzeling niet te veranderen in een antwoord op een vraag die hij niet krijgt.’
Anouk probeerde de zin in het tekstvak. Hij was een paar woorden te lang. Ze schrapte “kiezen van een”, las het hardop en keek naar Liv.
‘Willem Kooij over zijn route met het tij.’
‘Kan.’
‘Dat klinkt of hij het tij heeft meegenomen.’
Ze probeerden nog twee versies en kwamen terug bij de eerste, met een kleiner lettertype. Liv vond het aangenaam omslachtig. Een paar woorden die iemand werkelijk zou lezen. Geen groot bezwaar dat niets aan het volgende veranderde.
Bij de negende opname had Anouk een ander probleem. Iemand op de luistermiddag had gemeend een naam te horen in een stukje dat Liv moeilijk verstaanbaar had gelaten. Anouk wees het aan op haar papier.
‘Er zijn er nu twee die zeggen dat hij die bedoelt.’
‘Hebben ze het van elkaar?’
‘Waarschijnlijk. Maar ik kan niet bewijzen wie er eerst was.’
‘Ik ook niet.’
Ze luisterden. De spreker sprak snel, draaide van de microfoon weg en de rest verdween onder een schuivend geluid. Liv kende het fragment zo goed dat ze haar aandacht moest dwingen niet alvast naar het volgende woord te gaan. Ze keek naar de rand van het scherm.
Anouk stopte de opname en zei de veronderstelde naam.
Er zat een klank in die paste. Ook een die er voor Liv niet zat. Ze wist hoe gemakkelijk ze die tweede na een paar herhalingen toch zou kunnen horen.
‘Ik kan daar geen naam van maken,’ zei ze.
‘Ook niet met een voetnoot?’
‘Dan krijgt die naam toch een plek. En degene die hier straks luistert ziet hem eerder dan hij de stem hoort.’
Anouk trok de pen over de aantekening. Eén streep, niet zo hard dat het papier scheurde.
‘Dan laten we hem open.’
Liv keek haar aan. Ze had zich voorbereid op een langer gesprek, op teleurstelling omdat ze met haar apparatuur niet alles had opgelost.
Anouk zag het. ‘Wat?’
‘Niets. Ik dacht dat je het jammer zou vinden.’
‘Dat vind ik ook.’ Ze zette de pen neer. ‘Maar ik ben niet zo afhankelijk van die ene naam.’
Liv liet het antwoord even bezinken. Ze keek naar de natte rand van de foto op de vensterbank. Een foto van de haven, heel gewoon, met een man die niet in de lens keek. Ze voelde de neiging iets over het pension te vertellen, meer dan de praktische reden waarom haar week anders was gelopen. De tafel, de recorder, Els die had gezegd dat ze hier tenminste wist wat de geluiden waren.
‘Alles goed verder?’ vroeg Anouk.
Liv wilde er geen verslag van maken. Ze wilde haar laptop kunnen sluiten zonder de rest van de ochtend over het pension te praten.
‘Het is een lastige week,’ zei Liv. ‘Vanmiddag help ik nog iemand met een huis. Morgen ben ik weer thuis.’
‘En de rest van de gesprekken?’
Daar was de vraag waarvoor ze een eerlijk antwoord had meegenomen.
Liv noemde de tijd die zij en Mara voor de resterende negen nodig hadden. Er zat geen vrije dag tussen waarop ze het eventueel nog kon inhalen, geen avond die ze in gedachten alvast dubbel had gebruikt. Ze zei erbij dat ze morgen samen de volgorde zouden vastleggen en daarna Anouk een korte bevestiging stuurde.
Anouk sloeg haar agenda open. Ze bladerde terug naar de eerste afspraak, bekeek een aantekening en kwam weer vooruit.
‘Dat is later dan ik had gehoopt.’
‘Ja.’
‘Die drie kan ik gebruiken. Daar kan ik mee beginnen. Maar ik wil niet straks twee verschillende verzamelingen hebben waarvan niemand weet wat definitief is.’
‘Dat wordt één complete levering. De drie komen daar op dezelfde manier in terug. Als er nog iets in de tekst verandert, meld ik het.’
‘Niet alleen door er een nieuw bestand overheen te zetten.’
‘Nee.’
Anouk schreef de afspraak op. Liv deed hetzelfde. Het kostte haar minder moeite om de teleurstelling te verdragen nu ze niet meteen een onmogelijke eerdere dag had aangeboden. Toch bleef ze zich schuldig voelen toen ze haar laptop dichtdeed.
‘Je hoeft niet zo te kijken,’ zei Anouk. ‘Ik heb liever dat je zegt wat je gaat doen.’
‘Ik probeer niet zo te kijken.’
‘Dan lukt dat niet.’
Ze moesten er allebei om lachen. Anouk stond op en pakte de beschadigde foto van de vensterbank. Het papier was bijna droog, de rand bobbelde.
‘Deze is toch alleen een afdruk voor de foldermap,’ zei ze. ‘Ik maak wel een nieuwe.’
Liv trok haar jas aan. In de gang kwam een man haar tegemoet met een luidspreker onder zijn arm. Aan het handvat hing een strook plakband met het woord “andere”. Hij draaide zijn schouder naar haar toe om langs te kunnen.
‘Die werd gemist,’ zei ze.
‘Ik had hem gisteren al teruggezet.’
Hij keek naar de gesloten deur van Anouk, zuchtte en klopte aan.
Buiten was het lichter dan Liv had verwacht. De wolken waren uit elkaar getrokken. Ze liep een stuk om voordat ze naar haar auto ging en kocht bij een kleine winkel twee broodjes en een fles water. Bij het afrekenen vroeg ze of ze ook een zakje kon krijgen. De verkoopster wees naar een rol onder de toonbank. Liv scheurde er een af en trok het scheef dicht, zodat de broodjes met hun punten naar buiten staken.
Ze at het eerste op een bank bij het parkeerterrein. Er zat meer mosterd op dan ze lekker vond. Ze dronk, keek naar de tijd en belde Mara.
Mara nam op met: ‘Zeg dat je niet nog een keer alles hebt verschoven.’
‘Niet nog een keer.’
‘Echt?’
Liv vertelde over de overdracht. Ze noemde twee, vijf en negen, de twee bijschriften, de hele collectie die nog moest komen. Mara vroeg naar een keuze in het vijfde gesprek. Liv kon het antwoord geven zonder de laptop open te maken. Daarna liet ze haar broodje weer op het zakje zakken.
‘Je had gelijk over dat ik er niet nog ergens een halve dag bij kon verzinnen,’ zei ze.
‘Dat weet ik. Maar fijn dat jij het nu ook weet.’
Er klonk een kind op de achtergrond. Mara hield even haar hand over de telefoon en zei iets wat Liv niet verstond. Toen was ze terug.
‘Vrijdag bellen we. Nu moet ik weg. Jij gaat vanmiddag nog helpen?’
‘Ja. Overdag. We zijn met vier.’
‘En daarna?’
‘Naar huis.’
‘Mooi.’
Liv drukte het scherm uit. Ze at de rest van het broodje op en veegde de mosterd van haar vingers met een servet dat al gescheurd uit de houder was gekomen.
Op de route naar het pension kwam ze langs het bord waarop ze bij haar eerste aankomst de afslag had gezocht. De letters waren van een kant verbleekt; vanaf de andere kant kon je ze goed lezen. Ze wist nu waar ze moest zijn. Toch voelde het anders om de straat in te rijden zonder te overwegen waar ze die nacht zou slapen.
Bram stond bij zijn bus. De achterdeuren waren open. Hij keek op toen ze uitstapte en legde een paar werkhandschoenen op de rand.
‘Je bent op tijd.’
‘Roos is er al?’
‘Binnen.’
‘En Els?’
‘Ook. We beginnen rustig. Er moet eerst ruimte zijn.’
Liv pakte haar tas en het tweede broodje. Bram wees naar de fles water die op haar stoel was blijven liggen.
‘Die zou ik meenemen.’
Ze deed de deur weer open. Op het scherm van haar telefoon stond geen gemiste oproep. Ze stak hem in haar broekzak, nam het water en liep met Bram naar de voordeur.