Hoofdstuk 25 · 12 minuten lezen
Met de deur open
Roos stond in de ontbijtkamer met een vel plakband aan haar duim. Ze had een smalle strook afgescheurd om een los hoekje van het laken vast te zetten, maar nu plakte het aan zichzelf en aan haar mouw.
‘Daar staat koffie,’ zei ze tegen Liv. ‘Als je het over mijn handen giet, komt dit misschien los.’
Liv legde het broodje op tafel en hielp haar het plakband van haar duim te trekken. Els kwam vanuit de keuken met een wasmand. Er lagen schone handdoeken in, een geblokt kleed, twee kussens met dezelfde platte indruk in het midden.
‘Die konden niet boven blijven,’ zei ze.
‘Dat was de bedoeling,’ zei Roos. ‘Dat er dingen naar beneden komen.’
‘Ik zeg het maar.’
Bram zette zijn tas bij de muur, buiten de doorgang. Hij deed zijn jas uit en trok zijn trui recht aan de achterkant. Even zag Liv de bleke strook boven zijn broekband. Het was vreemd hoe sterk een lichaam iemand ergens neerzette. Hij stond hier, met een pluis op zijn rug en koude handen. Ze had daar niets voor hoeven controleren.
Hij wees naar de gang.
‘Wat naar buiten gaat, gaat gelijk door. Niet even onderaan de trap neerzetten.’
Els keek naar de wasmand. ‘Deze niet.’
‘Goed. Dan gaat die hier.’
Hij wachtte tot ze de mand had neergezet. Er zat geen haast achter zijn aanwijzingen; juist dat hielp. Roos pakte de koffie en vroeg wie er een kop wilde. Bram nam er één, Liv ook. Els zei eerst nee en kwam toen alsnog met haar eigen mok.
Ze dronken staand. Roos vertelde over een klant die die ochtend had beweerd dat het dinsdag was, ook nadat ze hem de krant had laten zien. Bram zei dat ze beter had kunnen wachten tot hij vrijdag terugkwam om te klagen dat zijn brood oud was. Els lachte met haar mond tegen de mok.
Liv dacht aan Anouk achter haar bureau. Dat leek een andere dag. Ze had werkelijk gewerkt; de bestanden stonden daar, de opmerkingen waren afgehandeld. Het middaglicht hier viel minder ver naar binnen. Aan de overkant van de gang was de trap donker, ook al brandde de lamp boven.
Bram zette zijn kop neer.
‘Eerst zeven. Dan maak ik ruimte bij acht. Ik wil niet met iets in mijn handen moeten wachten op de trap.’
Ze gingen met drie naar boven. Roos bleef beneden om de dingen aan te nemen die zonder tillen op de tafel konden worden gezet. Ze had het raam van de ontbijtkamer op een kier gezet en de deur vastgezet om te voorkomen dat die met iedere tocht dichtging. Buiten werd een fiets van het slot gehaald.
Boven hield Els de deur van zeven open. Liv zag het bed, het tafeltje, de plek waar haar spullen nog lagen. In de kamer hing de lucht van een radiator die een poos niet was aangezet. De deken was bij het voeteneind teruggevouwen.
Ze pakte de dunne map met werknotities van de tafel. Op het bovenste blad stonden de namen van de vissers. Bij één regel had ze een vraagteken gezet. Het ging over een scheepsnaam. Ze wist weer dat ze hier had gezeten toen ze dat had geschreven, met haar elleboog tegen de muur en het geluid van de straat onder zich.
‘Dit is van mij.’
‘Daarom heb ik het laten liggen,’ zei Els.
Bram tilde de losse stoel van de muur weg en zette hem op de overloop. Liv legde de map in haar tas.
‘Het bed hoeft nu niet naar beneden,’ zei hij. ‘Alleen straks een stuk van de wand. Dat doen we samen.’
Els liep naar de kast. Er lagen nog twee dekens bovenin en een stapel hangers. Ze droeg de dekens naar de deur, waar Bram ze van haar aannam. Hij hield ze met twee handen voor zijn gezicht en zei dat hij zo niets zag. Els trok de bovenste omlaag.
‘Je kunt ook kleinere armen hebben.’
‘Dan past er minder op.’
Ze gaven de spullen beneden door. Roos zei iets over de hoeveelheid was die een leeg huis nog kon produceren. Els antwoordde dat het geen was was als het schoon was. Er kwam geen stem terug uit een andere richting; de opmerking eindigde gewoon bij de trap.
Toen de kast leeg genoeg was, bekeek Els de binnenkant. Een plank had een donkere plek waar ooit een fles had gelekt. Ze wreef er met haar duim over.
‘Die kreeg ik er nooit uit.’
‘Dat zit in het hout,’ zei Bram.
‘Ja, dat wist ik toen ook wel. Maar de mensen zien het toch.’
Liv had die plek niet gezien. Ze had de kast bij haar aankomst nauwelijks gebruikt, haar spullen grotendeels in de tas laten zitten. Ze keek nu naar de beugels, de te korte plank die aan één kant een spleet liet. Els sloot de deur voorzichtig omdat het slotje het anders niet pakte.
Bram ging acht in en kwam terug met de losse stoel met de gevlochten zitting. Hij droeg hem ondersteboven, de poten schuin omhoog zodat ze niet tegen het plafond kwamen. Op de overloop draaide hij hem. Eén poot bleef even aan zijn trui haken. Hij zette de stoel neer voordat hij de stof losmaakte.
Liv hield haar handen half uitgestoken. Hij keek ernaar.
‘Ik heb hem. Als ik hem wil geven, zeg ik het.’
Ze liet haar armen zakken.
Ze liepen achter elkaar de trap af. Bram voorop met de stoel, Els erachter met een opgerold kleed, Liv met twee lege laden die nergens bij leken te horen. Beneden wees Els waar de laden konden staan. Er kwam later misschien nog een kastje bij; ze wist niet eens of ze dat wilde bewaren.
‘Dan zet ik ze hier even,’ zei Liv.
‘Niet bij de deur.’
‘Hier.’
Roos schoof met haar voet een doos opzij. Hij was bijna leeg. Op de bodem lagen een paar dennennaalden van plastic, een afgebroken rood lint en het prijskaartje van iets wat jaren geleden was gekocht. Liv bukte, raapte het kaartje op en legde het op de keukentafel bij het afval. Roos had haar handen vol aan het kleed dat Els te groot had opgerold.
‘Die drie kerstdozen zijn weg,’ zei Els tegen Bram. ‘En de strijkplank. Ik wil niet dat je morgen denkt dat er niets gedaan is.’
‘Dat zie ik.’
Hij liep naar buiten met de stoel. Door de open voordeur kwam het geluid van de straat de gang in. Een jongen fietste voorbij met een tas die tegen zijn achterwiel tikte. Aan de andere kant parkeerde een bestelauto; de chauffeur bleef achter het stuur telefoneren.
Els stond met haar rug tegen het dressoir. Ze had haar armen over elkaar geslagen, niet alsof ze kwaad was, maar alsof ze niet wist waar ze ze anders moest laten.
‘Ik heb dat allemaal zelf naar boven gekregen,’ zei ze.
Liv keek naar haar.
‘Niet vandaag. Toen. Eén voor één. Er was altijd wel ergens plek voor.’
‘Je hoefde het toen ook niet op één middag weg te halen.’
‘Nee.’
Els streek met haar voet een vouw in het laken glad. ‘Het ziet er meteen uit alsof ik ophoud.’
Liv zei niets. Ze had al een antwoord klaar gehad: dat ze alleen twee kamers vrijmaakten. Maar Els kon zelf ook tellen. Ze woonde beneden tussen de spullen die naar beneden kwamen.
Roos zette de opgerolde stof op tafel.
‘Je hoeft vandaag niet te beslissen wat je weer terug wilt,’ zei ze. ‘Als dit straks allemaal hier blijft staan, kun je je tenminste niet vervelen.’
Els snoof. ‘Daar was ik wel even aan toe.’
Bram kwam terug. Aan de buitenkant van zijn broek zat nu een donkere streep. Hij keek even op zijn telefoon, stopte hem weer weg en ging voor de trap staan.
‘Dat stel boven doen we straks met ruimte om ons heen. Daar zitten een paar rare hoeken aan.’
‘Ik haal alleen dat kleed er nog af,’ zei Els.
‘Prima. Niet gaan trekken als iets in elkaar blijft zitten.’
Hij zei het terwijl hij zijn tas oppakte. Els knikte. Ze hadden het niet over een bijzonder object. Het waren de stoelen die boven al jaren een onhandige stapel vormden, op elkaar geschoven omdat er steeds nog iets naast moest passen.
Liv liep met hem mee naar boven. Het raam op de overloop was dof van de winterlucht buiten. Acht stond open. Aan de rechterwand was nu te zien waar de dozen hadden gestaan: een lichtere rechthoek, een strook stof aan de plint. De strijkplank was weg. Het overgebleven stel stoelen stond nog tegen de wand, met verschillende leuningen boven elkaar. Bij de onderste stak een breder donker frame uit. Aan een van de poten was een rubberdop half losgeraakt.
Bram keek onder de resterende stapel, zette zijn voet erbij zonder erop te duwen en zei dat ze die in de vrije ruimte uit elkaar moesten halen, niet in de deuropening.
Aan de andere kant van de kamer zat het raam dicht. Els liep erheen en maakte het open. De klink gaf niet direct mee; ze trok hem terug, probeerde het opnieuw en duwde het raam naar buiten. Er kwam koude lucht binnen. Op de binnenplaats lag een lege bloempot op zijn kant. Liv kon een stuk van het afdak bij de achterdeur zien en de kale takken van een plant tegen de muur.
‘Even lucht,’ zei Els.
Liv ging naast haar staan. Onder hen kwam Roos uit de achterdeur. Ze keek omhoog, legde een hand boven haar ogen en vroeg of daar nog iets lag wat mee kon.
‘Nog een hoop,’ zei Els.
‘Dat bedoel ik niet. Ik ga geen regenpijp omhoog.’
‘Er komt zo iemand naar beneden.’
Roos stak haar duim op en ging weer naar binnen. Liv keek naar de hoogte tussen het raam en de stenen beneden. Je kon elkaar verstaan, maar je moest over de vensterbank buigen om iemand buiten te zien. Ze deed een stap terug toen de kou langs haar hals kwam.
Het houten kastje zat vlak naast de deur. Ze hoefde er niet naar toe te lopen om te weten waar de messing hendel zat. Ze had Els’ pols er zien liggen, haar vingers bij de rand, de eerste nacht dat ze hier samen stonden. Nu scheen er een brede strook daglicht over de geschilderde wand. Het kastje zelf zat in de schaduw van de deur.
Liv draaide zich naar Bram.
‘Mijn spullen zijn bijna klaar. Het statief moet nog opgevouwen.’
‘Doe maar. Dan haal ik de dingen die ik voor morgen wil klaarzetten. Er ligt iets achter in de bus waar ik anders straks weer naar zoek.’
‘Vandaag nog niet?’ vroeg Els.
‘Nee. Eerst ruimte. Morgen aan de wand. Dat is wat we hebben afgesproken.’
‘Ik vraag het gewoon.’
‘Ik antwoord ook gewoon.’
Hij glimlachte er niet bij, maar klonk ook niet geïrriteerd. Els trok het losse kleed van de rugleuningen. Er kwam stof vrij; ze hield haar gezicht afgewend en vouwde de stof met de vuile kant naar binnen.
Liv nam het van haar aan. Het woog bijna niets. Toch hield ze het te ver voor zich uit toen ze de trap afging. Beneden zette ze het bij de wasmand. Roos stond aan het aanrecht een lege fles te vullen.
‘Water voor boven?’ vroeg Liv.
‘Voor mij. Ik ben al de hele middag heen en weer aan het lopen.’
Liv dronk uit haar eigen fles. Op haar telefoon keek ze hoe laat het was. Ze had het gevoel dat ze al veel langer bezig waren. Ze kon voor het donker thuis zijn als ze niet nog overal op ging wachten.
Roos zag haar kijken.
‘Hoe lang heb jij nog?’
‘Mijn tas inpakken. Daarna kan ik helpen als er iets kleins is.’
‘Hou het klein.’
‘Dat doe ik.’
Roos tikte met de fles tegen haar eigen voorhoofd. ‘Ik zeg dat ook tegen mezelf.’
Liv pakte haar lege broodzakje van tafel, gooide het weg en liep de trap weer op. Halverwege kwam Bram haar tegemoet. Hij hield zijn jas over één arm en had de tas met zijn gereedschap aan de andere hand.
‘Ik loop even naar de bus,’ zei hij. ‘Ik hoor jullie wel.’
Ze draaide haar schouder om hem langs te laten. Beneden vroeg Roos of hij nog koffie wilde. Hij zei van wel, straks.
Boven zag Liv Els in acht staan. Ze had één hand om een van de bovenste leuningen en haar andere op de bredere onderkant. De stapel was een stukje van de rechterwand afgeschoven, niet ver, maar er was nu ruimte tussen het hout en de plint. Els stond aan de kamerzijde, achter het stel. Er liep een losse draad van haar mouw naar een splinter in de leuning.
‘Je zit vast,’ zei Liv.
Els keek naar haar arm, maakte het draadje los en wreef met haar duim over de plek.
‘Rotdingen.’
‘Bram is zo terug.’
‘Ik zet ze alleen recht voor hem. Dan kan hij erbij.’
Ze gaf de bovenste stoel een kleine draai. Het hout kraakte. Els hield op en keek naar het punt waar twee rugleuningen in elkaar grepen.
Liv bleef in de deuropening staan. ‘Zal ik wachten?’
‘Ga maar je spullen doen. Ik ga hier niet mee lopen.’
Ze liet één hand los en wees met haar kin naar zeven. Liv zag dat haar andere hand los op de leuning rustte, niet eronder. Ze ging de overloop over. In haar kamer keek ze eerst of er niets op het bed was blijven liggen. Een dopje van een pen. Ze stopte het in het kleine vak van haar tas, al wist ze niet waar de bijbehorende pen was.
De deur van acht schoof over de drempel. Ze hoorde het bekende schuren en toen de doffe klik waarmee hij in het slot viel. Els had hem dichtgeduwd. Het geluid was zo gewoon dat Liv er pas later woorden voor zou zoeken.
Ze knielde naast het statief en draaide de eerste klem los. Het metalen been zakte met een kort geluid in zichzelf. Ze hield het volgende vast voordat ze de klem opende. Buiten reed een auto over een putdeksel; twee slagen kort na elkaar. Uit de gang kwam geen gesprek.
Ze legde het ingeschoven statief naast de tas en controleerde of de riem van de recorderkoffer niet dubbel tussen de rits zat. Haar eigen apparaat was uit. Er zaten geen kabels meer aan vast. Ze vouwde het snoer op, schoof het in het netvak en ritste het tot halverwege dicht.