Hoofdstuk 12 · 11 minuten lezen
De logeerkamer
Roos deed de deur open met een ovenwant om haar linkerhand. Ze hield hem omhoog toen Els haar iets wilde geven.
‘Niet daarin. Op tafel.’
Els had een zak met mandarijnen meegebracht. Een van de vruchten rolde uit de opengescheurde bovenkant, over de drempel naar binnen. Liv bukte ernaar. Toen ze overeind kwam, waren de twee vrouwen al naar de keuken gelopen. Ze volgde hen met de mandarijn in haar hand en haar jas nog aan.
Op het aanrecht stond een hete ovenschaal. Roos schoof hem verder van de rand en draaide met haar vrije hand de knop van de oven terug. Ze had een kleine keuken, met net genoeg ruimte tussen de tafel en het aanrecht om langs iemand te lopen als die bleef zitten. Els ging vanzelf op de stoel bij de radiator zitten. Haar tas bleef aan haar schouder hangen.
‘Zet dat ding neer,’ zei Roos. ‘Je gaat nergens heen.’
‘Dat dacht ik ook, toen ik vanmorgen opstond.’
Roos keek even naar Liv. ‘Wil je mee-eten?’
‘Ik moet nog naar huis.’
‘Dat was niet wat ik vroeg.’
Liv rook kaas en iets zoetigs, gebakken ui misschien. Ze had sinds de lunch alleen een koekje gegeten. Ze zei ja en hing haar jas aan de haak die Roos aanwees. Onder de andere jassen staken twee bakkerspetten uit een katoenen tas. Op de vloer stonden werkschoenen met meel in de naden. Liv zette haar eigen schoenen er niet naast, maar deed ze uit en schoof ze onder de kapstokbank.
Els had intussen haar telefoonscherm geopend. Ze zocht iets, trok met haar vinger een reeks schermen langs en legde het toestel toen met de achterkant boven naast haar bord.
‘De doorschakeling staat aan,’ zei ze tegen Liv.
‘Goed.’
‘Je mag het controleren, hoor.’
‘Dat hoeft niet.’
Els keek haar aan. Liv hield de mandarijn nog vast. Ze legde hem bij de zak en trok een stoel onder de tafel vandaan. De poot schraapte over de tegels. Roos zette een onderzetter neer waar Liv bijna haar elleboog had gezet en bracht de ovenschaal naar de tafel.
Er zat prei in, aardappel en een bruine korst die aan één kant dikker was. Roos sneed die kant af en nam hem zelf. Ze vroeg Els of zij nog steeds beweerde geen harde randjes te lusten. Els zei dat het van de randjes afhing. Ze schoven hun borden naar elkaar toe zonder de schaal op te tillen. Liv kreeg een groot stuk waar de gesmolten kaas in een draad aan bleef hangen.
De eerste minuten praatten ze over een vrouw die bij Roos een taart had besteld en pas bij het afhalen zei dat er niemand tegen melk kon. Roos vertelde het zonder stemmetjes te doen. Dat maakte het erger. Ze had die taart drie dagen eerder met de vrouw doorgesproken, zei ze, tot en met het kleurverschil tussen de letters en het glazuur.
‘En toen?’ vroeg Els.
‘Toen heb ik gevraagd of er ook iemand tegen betalen kon.’
Els lachte met haar mond nog vol. Liv moest haar vork neerleggen. Roos keek tevreden, maar vertelde daarna dat ze samen iets hadden gevonden wat de vrouw wel kon meenemen. Geen vervangende taart, wel gebak. Ze was er nog niet over uit wie daar het meest ongelukkig mee was geweest.
Het eten maakte Liv langzaam. Ze voelde de warmte achter haar ogen en merkte dat ze steeds minder met haar stoel naar de deur gedraaid zat. Toen ze water wilde, pakte Els de kan voordat zij erom kon vragen. Het glas werd gevuld, de kan teruggezet. Geen van hen had daarvoor iemand op een andere verdieping nodig.
Roos vroeg pas toen de borden leeg waren wat zij met de logeerkamer moest. Schoon beddengoed lag klaar, maar er stonden nog twee kratten met boodschappen. Ze kon ze nu weghalen.
‘Niet voor mij de hele boel verbouwen,’ zei Els.
‘Dan slaap je tussen de frisdrank.’
‘Daar heb ik vroeger slechtere kamers voor verhuurd.’
‘Dat geloof ik direct.’
Roos ging naar boven. Els maakte aanstalten de borden op te pakken, maar bleef zitten toen haar vriendin riep dat zij de trap niet op en af moest lopen om elk krat apart over te geven. Liv keek naar de tas aan Els’ stoel. Er hing een slaapshirt uit, zacht en groen met een rafelige zoom. Een bril in een etui, een pakje medicijnen uit de drogist, de steel van een haarborstel. Ze had niet gezien wat Els verder had ingepakt en hoefde dat ook niet te weten.
‘Ik zal je morgen bellen,’ zei ze.
‘Wanneer?’
De vraag klonk zo gewoon dat Liv bijna antwoordde: als ik wakker ben. Ze dacht aan haar eigen werktafel, aan de bestanden die daar open zouden staan en aan Els die hier haar telefoon zou laten liggen terwijl zij Roos hielp.
‘Na tienen. Ik wil eerst werken.’
‘Doe dan halfelf. Roos is om zes uur al weg. Ik kan op mezelf ontbijten.’
‘Je kunt ook uitslapen.’
‘Dat hoor ik graag nog een keer als ik het kan.’
Roos kwam terug met een krat tegen haar heup. Liv stond op om hem aan te pakken. Hij was zwaarder dan hij eruitzag; ze nam hem met twee handen over. Ze zette hem neer op de plek waar Roos wees, onder de laatste plank in de gangkast. Er was een doosje achter gevallen. Roos bukte, tastte ernaar en trok het naar voren met een schoenlepel.
‘Daar ging het dus heen,’ zei ze.
‘Wat?’
‘De sleutel van de schuur. Ik heb vorige week drie keer gedacht dat ik gek werd.’
Ze haakte hem zonder verdere opmerking aan de spijker naast de kastdeur. Liv stond met de lege handen nog even te kijken. Roos wilde langs haar om de vaatwasser open te doen. Ze stapte opzij.
Boven liet Roos de logeerkamer zien. Liv bleef op de overloop terwijl Els haar tas op een blauwe stoel zette. Het raam keek uit op de achterkant van een supermarkt. Onder de vensterbank was het behang verkleurd. Geen idyllische kamer, geen perfecte stilte. Verderop piepte een vrachtwagen achteruit, waarna iemand zijn stem verhief om boven de motor uit te komen.
‘Die komt zaterdags vroeg,’ zei Roos. ‘Als je daarvan wakker wordt, ligt het niet aan jou.’
Els ging op het bed zitten en testte de matras met haar hand. Ze zei dat die goed was. Roos wees de handdoeken aan en liep alvast naar beneden. Liv bleef staan.
‘Ik laat mijn telefoon vannacht aan,’ zei ze.
Els trok de rits van haar tas open. ‘Voor wie?’
‘Als er iets is.’
‘En als ik niet slaap?’
Liv keek naar het kleine bedlampje. Het snoer liep achter het hoofdeinde langs naar een zichtbaar stopcontact. Ze wilde antwoorden dat Els dan moest bellen. Dat was wat iemand zei die een ander niet met haar angst naar bed wilde sturen. Ze zag zichzelf thuis alweer rechtop in haar stoel zitten, wachtend op het scherm.
‘Dan hoop ik dat je hier iets anders kunt gaan doen,’ zei ze. ‘Ik weet niet wat ik er aan de telefoon mee kan.’
Els legde haar borstel op het nachtkastje. ‘Nee. Dat weet ik ook niet.’
Ze keek niet beledigd. Eerder moe, alsof het prettig en vervelend tegelijk was dat er eindelijk iets niet werd aangeboden. Liv wenste haar een goede nacht en trok de deur niet dicht. Els stond nog op om haar bril uit de tas te halen.
Beneden wilde Roos haar een plastic bakje met eten meegeven. Liv zei dat ze genoeg had gehad.
‘Voor morgen,’ zei Roos.
Ze zette het bakje in Livs handen, plus een deksel dat niet paste. Na drie pogingen vond ze het goede. Els riep van boven waar ze de lamp uit moest doen op de overloop. Roos riep terug dat de schakelaar achter haar zat, niet naast de slaapkamerdeur. Er klonk een korte lach. Liv wachtte op niets anders en trok haar jas aan.
Thuis was de gang kouder dan de straat. Ze had de verwarming laag gezet toen ze weer was vertrokken. Er lag een reclamefolder tussen de deur en de mat, dubbelgevouwen tot hij op een smalle witte envelop leek. Ze schoof hem met haar voet weg voordat ze de tas neerzette.
Boven draaide ze de radiatorkraan open. Uit de buis kwam eerst een droog, ongelijk tikken. Ze bleef met haar hand op de knop staan. Een van de dakdekkers had een klein leeg doosje schroeven op de vensterbank laten liggen. Ze pakte het op en voelde hoe licht het was. Op de onderkant stond met stift een maat geschreven. Ze wist niet of ze het moest bewaren voor het geval er ergens één ontbrak.
Ze zette het op het plankje in de gang. Daarna ging ze terug om haar jas uit te trekken.
Op haar werktafel stonden de luidsprekers nog op dezelfde afstand van de laptop. Ze schoof de stoel naar achteren en zette het bakje eten in de koelkast. Er hing een briefje dat ze voor haar vertrek had gemaakt: thuisbezorgd pakket bij buurman ophalen. Het pakket lag al naast de koelkast. Ze trok het briefje van de deur en kneep het klein.
Haar telefoon trilde. Mara had gevraagd of ze nog iets moest bekijken vóór maandag. Daaronder stond dat ze eerder waren teruggekomen dan gedacht; zaterdagochtend kon zij even achter haar eigen computer zitten, daarna was ze weer weg met haar gezin. Liv tikte dat ze de opbouw van de gekozen passages zelf zou doen. Wat ze nodig had, was iemand die met een frisse kop luisterde of de overgangen logisch waren.
Ze verwijderde met een lange druk het woord logisch en schreef verstaanbaar.
Mara belde.
‘Wat moet ik daar precies mee?’ vroeg ze.
‘Ik stuur een korte selectie. Geen drie kwartier.’
‘Dat vraag ik niet. Wil je dat ik naar de inhoud luister of naar de montage?’
Liv draaide de stoel van de tafel af. ‘De volgorde. Ik heb twee passages die allebei beginnen alsof er al iets is uitgelegd.’
‘Dan moet ik dus wel de inhoud horen.’
‘Ja.’
Mara wachtte. Liv hoorde een schuivende stoel aan de andere kant en op de achtergrond iemand die vroeg waar de oplader was. Mara gaf een richting aan, kwam terug en zei dat ze niet naast Liv zou zitten als ze alleen naar de twee uitgeknipte stukken luisterde. Ze had de vraag ervoor nodig, en een stukje erna.
‘Ik stuur het mee,’ zei Liv.
‘Met je aantekeningen. Anders zit ik morgen te raden waar jij heen wilt.’
Liv zei dat het goed was. Mara vroeg nog hoe het met het pension was. Liv had haar kunnen vertellen over de middag, over Els’ gesloten mond en de stem die zij toch samen hadden gehoord. Het lag klaar in haar hoofd, met alle bijzinnen om haar te beschermen tegen de meest voor de hand liggende tegenwerping.
‘Ze slaapt vannacht bij een vriendin,’ zei ze.
‘En jij?’
‘Thuis.’
‘Mooi. Stuur het dan en ga iets anders doen.’
Na het gesprek zette Liv de twee passages terug in de hele interviewversie. In de eerste vertelde de man dat de boten bij laagwater soms buiten moesten wachten. In de tweede zei hij dat ze er altijd door waren gekomen. Ze had ze naast elkaar gekozen omdat het elkaar zo mooi tegensprak. Nu luisterde ze terug naar de vraag.
De interviewer had over twee verschillende perioden gesproken.
Ze schoof haar notitieboek naar zich toe. Het woord altijd had ze onderstreept, met daarachter een uitroepteken. Niet van de man, maar van haar. Ze haalde er een streep door en schreef de verwijzing naar de eerdere vraag erbij. Het tweede fragment kon blijven, alleen niet als antwoord op de eerste passage.
Dat betekende dat er voor dinsdag nog geen mooie tegenstelling klaarstond. Ze opende het andere interview, zocht het punt dat ze eerder had gemarkeerd en luisterde met haar hand van de muis. Buiten sloeg een autoportier dicht. In de opname trok iemand een stoel dichter naar de tafel. Het geluid was dun en schel geworden door de oude microfoon, maar de vraag erna stond er volledig op.
Deze man had het over de toegang aan de landkant. Over mensen die met manden moesten wachten tot de weg vrij was, niet over de diepgang van de schepen. Ze kon de twee verhalen wel naast elkaar zetten, als ze de bezoeker eerst vertelde waar die naar luisterde. Ze schreef twee korte zinnen, las ze terug en schrapte er één. De rest stuurde ze met de ruimere fragmenten naar Mara.
Daarna sloot ze het werkvenster. Het vreemde bestand zat in een andere map. Ze hoefde niet langs de naam om haar laptop uit te zetten.
In de badkamer poetste ze haar tanden terwijl de ketel aansloeg. Het tikken in de radiator beneden hield op en begon even later opnieuw. Liv keek naar haar eigen gezicht boven de wastafel. Ze zag er moe uit, maar niet onbekend. Er zat een klein stukje prei tussen twee tanden. Ze spoelde haar mond en moest lachen, zacht en met water nog in haar hand.
In bed hoorde ze de buurman zijn trap oplopen. Een kraan ging aan, iemand kuchte. Ze had al een vraag in haar hoofd voordat ze wist aan wie ze hem wilde stellen. Ze draaide zich op haar andere zij en schoof het kussen onder haar oor.
Toen ze weer op de klok keek, waren er ruim drie uur voorbij.
Haar telefoon lag op het nachtkastje. Geen gemiste oproep. Van Els stond er een foto van de lege schaal op Roos’ aanrecht, met een bericht dat er morgen ook nog eten voor de hele straat was. Liv antwoordde niet midden in de nacht. Ze legde het toestel met het scherm naar beneden en trok het dekbed over haar schouder.