Hoofdstuk 31 · 10 minuten lezen
Acht kamers
Els had de mandarijnen naar de ontbijtkamer verplaatst. Ze stonden in een platte schaal, tussen een stapel schoteltjes en een vaasje met één tak. De oude kom bij de receptie bevatte nu alleen sleutels die niet gebruikt werden.
‘Je zult er ooit één nodig hebben,’ zei Liv.
‘Dan kijk ik hier.’
‘En als hij er niet bij ligt?’
‘Dan zoek ik verder.’
Ze keek Liv aan, en Liv grijnsde. Els pakte de tas van haar over voordat ze kon zeggen dat er niets zwaars in zat. Ze zette hem op de vloer achter de balie, trok de deur van het kastje open en haalde twee kopjes tevoorschijn.
‘Koffie is er al. Ik verwacht zo mensen. Dan moet ik er even bij zijn.’
‘Dat geeft niet.’
‘Ik zeg het maar, voor als je iets ingewikkelds wilt vertellen.’
‘Ik heb geen ingewikkeld verhaal bij me.’
‘Mooi.’
Els liep nog iets behoedzaam. Niet iedere stap; pas bij het draaien zag Liv de kleine vertraging, de hand die naar het tafelblad ging voordat ze om haar stoel heen liep. Ze vroeg niet of het been nog pijn deed. Els had het op de telefoon verteld en zou het nu ook kunnen zeggen.
In de keuken stond minder dan voorheen. De voorraadkast was op zijn plek terug, bovenaan zag je waar het plafondpaneel opnieuw was vastgeschroefd. Er stond geen apparaat op de tafel. Liv keek er eenmaal naar en pakte toen het kopje dat Els haar aangaf.
‘Ik heb één ding meegenomen,’ zei ze. ‘Geen cadeau. Je bakje.’
Ze haalde de lege kunststof doos uit haar tas. Er had eerder eten in gezeten dat Els haar niet zonder had laten vertrekken. Liv had hem drie keer bij de voordeur gezet en toch vergeten.
Els nam hem aan. ‘Die zocht ik.’
‘Sorry.’
‘Ik heb er nog twaalf. Maar ik zoek ze allemaal.’
Ze zette het bakje op een plank en ging niet vertellen waar de verdwenen andere elf mogelijk waren. Ze dronken aan de keukentafel. Buiten tikte een tak tegen de schutting; Els stond op om het raam een stukje verder open te zetten. De frisse lucht rook naar natte stenen en iets vets van de buurwinkel.
Liv vertelde over Mara, die in een café een hele discussie had gekregen over wat een klein kopje was. Ze had geprobeerd de maat aan te wijzen en daarmee alleen een nog kleiner kopje gekregen. Els zei dat sommige klanten ook na twintig jaar kwamen vertellen hoeveel koffie er volgens hen in een kop hoorde te zitten.
‘Misschien moet je een plaatje op de kaart zetten.’
‘Met een liniaal erbij.’
Ze aten allebei een mandarijn. Bij Liv brak de schil in veel te kleine stukjes. Els kreeg de hare bijna heel los en legde hem op het schoteltje.
Er werd aangebeld.
Els stond op, wreef haar handen droog aan een doek en ging naar de gang. Liv bleef zitten. Ze hoorde een rolkoffer over de drempel gaan en een vrouwenstem die zei dat ze niet zeker wist of ze al op de goede plek waren. Els vroeg naar de naam en begroette haar. Er was nog iemand, een man, die buiten iets uit de auto ging halen.
Liv pakte haar kopje op en keek door de keukendeur. Een vrouw in een groene regenjas stond bij de balie met een envelop in haar hand. Ze had haar bril op haar hoofd geschoven en probeerde tegelijk een ritssluiting open te krijgen en het papier niet te laten vallen.
Els schoof de kom met oude sleutels opzij om ruimte te maken. Ze vroeg of de rit goed was gegaan. De vrouw vertelde dat ze bij de rotonde aan de andere kant hadden moeten zijn. Ze was al een keer hier geweest, lang geleden, en had vertrouwd op haar geheugen.
‘Dat moet je met die nieuwe rotonde niet doen,’ zei Els. ‘Die ligt precies verkeerd voor een oud geheugen.’
De vrouw lachte. De man kwam terug met een tweede tas en zei dat de auto niet in de weg stond. Els keek even langs hem naar buiten en knikte.
Liv bleef met haar kopje in de keuken. Ze kende het gesprek dat hierna kwam: de kamer, ontbijt, sleutel, waar je wel en niet kon parkeren. Ze had het zelf gevoerd, met haar hoofd bij de interviews en haar handen nog koud van onderweg.
Het was niet nodig het verloop te bewaken.
Ze at het laatste partje mandarijn en legde de pitten bij de schil. In de gang vroeg de vrouw of ze een raam op haar kamer open kon doen. Haar man zei dat ze dan eerst de verwarming lager moest zetten, anders werd ze 's nachts weer boos omdat het te warm was.
‘Dat hoor je nog weken,’ zei de vrouw tegen Els.
‘Dat kan ik me voorstellen.’
Els liep een stukje mee om iets aan te wijzen. Haar stem werd zachter toen ze uit het zicht verdween. Liv kon nog precies horen waar ze was doordat ze het huis kende, niet omdat ze het bij ieder woord moest controleren.
Ze stond op om haar schillen weg te gooien. Els kwam terug voordat ze de kopjes had opgepakt.
‘Laat maar. Je bent op bezoek.’
Liv hield het lege schoteltje omhoog.
‘Dat mag wel.’
Ze gingen naar de ontbijtkamer. De tafel was leeg behalve de dingen die er bij het ontbijt zouden staan. Een van de stoelen die van boven was gekomen stond bij het raam; Liv herkende de afgesleten armleuning. Hij stond gewoon op zijn poten, met een kussen dat er niet helemaal op paste.
‘Hij bleek nog prima te zitten,’ zei Els.
Liv ging erop zitten. De rugleuning was lager dan ze had verwacht.
‘Ja.’
‘Bram wilde hem meenemen. Ik heb het op tijd gezegd.’
‘Welke heb je weggedaan?’
‘Degene die ik niet meer wilde.’
Els ging tegenover haar zitten. Ze legde haar handen op de tafel, spreidde haar vingers en keek naar de plek waar het laken eerder had gelegen.
‘Ik ben maandag te lang bezig geweest,’ zei ze.
Liv keek op.
‘Met de bovenkamers. Ik dacht dat ik nog wel even door kon. Daar kreeg ik 's avonds spijt van.’
‘En nu?’
‘Nu doe ik dat niet vandaag.’
Liv knikte. Ze hoefde er geen compliment voor te geven. Els vertelde dat ze voor de was voorlopig hulp had geregeld. Het was niet goedkoop, maar het scheelde het dragen van die manden. Ze deed zelf de kleine dingen die ze kon doen en liet andere liggen tot het afgesproken moment. Soms ergerde ze zich daaraan, soms was ze er blij mee.
‘Je kunt daar ook gewoon allebei van vinden,’ zei Liv.
Els keek haar een tel aan. ‘Dat doe ik dus.’
Het was een terecht antwoord. Liv lachte en keek naar buiten. Voor het raam stond een fiets op zijn standaard, met een nat zadel. Het fietsenrek was verder leeg. Op de stoep liep een man met een opgevouwen krant onder zijn arm naar de winkel.
Els vroeg naar haar nieuwe opdracht. Liv vertelde wat voor materiaal het was en welke afspraken ze eerst had gemaakt. Ze had de klus niet alleen aangenomen omdat de opnamen slecht klonken en iemand had gezegd dat zij er vast nog iets uit kon halen. Er was een hoeveelheid, een resultaat, een tijd die daarbij hoorde. Ze vertelde het minder ordelijk dan ze het had opgeschreven.
Els luisterde en vroeg wat er gebeurde als er toch niets verstaanbaars op stond.
‘Dan zeg ik dat.’
‘En betalen ze dan?’
‘Voor het werk dat we afgesproken hebben. Niet voor een woord dat ik beloof te vinden.’
‘Dat lijkt me een stuk prettiger.’
‘Mij ook.’
Een trap kraakte boven hen. De nieuwe gasten waren hun spullen aan het neerzetten. Er schoof iets lichts over de vloer, een koffer vermoedelijk. Liv keek niet naar het plafond. Ze merkte wel dat haar aandacht ernaartoe ging; ze hoefde zichzelf niet wijs te maken dat dat nooit meer gebeurde.
Els stond op toen er opnieuw werd gebeld. Het was geen gast, maar iemand die een doos kwam afleveren. Ze tekende bij de deur, droeg de doos tot aan de balie en liet hem daar staan. Toen ze terugkwam, legde ze de kleine handscanner die de bezorger had vergeten terug bij de deur. Ze riep hem na voordat hij zijn auto in stapte.
‘Zo,’ zei ze. ‘Anders mag ik zijn hele middag uitzoeken.’
Liv keek op haar telefoon. Ze moest over een halfuur weg om haar afspraak te halen. Ze had Mara gezegd dat ze niet te laat zou zijn en had die ochtend al een plek gekozen waar ze konden eten.
‘Nog koffie?’ vroeg Els.
‘Een halve.’
‘Dat bestaat hier niet.’
‘Dan nee.’
Els pakte toch de kan. Ze schonk een klein laagje in en hield de rest omhoog.
‘Uitzondering.’
Ze gingen ermee naar de keuken omdat Els de oven uit moest zetten. Er lag brood in om op te warmen voor later, de temperatuur moest er op tijd af. Liv zag hoe ze de knop omdraaide en met de rug van haar hand voelde of het deurtje te heet was om iets op de rand te leggen. Een huishouden met een bedrijf erin. Acht kamers, waarvan één nog opslag was, genoeg werk om de hele week te vullen zonder bijzondere gebeurtenissen.
Els hield de kan onder de kraan om hem om te spoelen. Het water sloeg tegen het metaal, harder dan tegen de glazen kan die ze de eerste keer hadden gebruikt. Liv luisterde naar het verschil en betrapte zichzelf niet. Het was een geluid. Ze kende er honderden die ze prettig vond.
‘Wil je boven nog kijken?’ vroeg Els.
Liv liet het kopje op tafel zakken.
Els keek over haar schouder. ‘Naar hoe het is geworden. Ik dacht dat je misschien—’
‘Nee, hoor.’
‘Goed.’
Ze draaide de kraan dicht. Liv voelde dat haar eerste antwoord te snel was geweest, alsof ze de kamer zelf had afgewezen. Ze kon alsnog ja zeggen, boven gaan staan, de dichte wand bekijken en naar het bed wijzen. Het hoefde niet.
‘Je hebt het verteld,’ zei ze. ‘Dat is genoeg.’
Els knikte en pakte de doek.
In Livs werkruimte thuis stond het oorspronkelijke bestand nog op dezelfde schijf. De minuut regen en laptopgezoem, de latere minuut met de straatkar, de halve minuut met haar eigen stem en dat zachte geluid elf seconden erna: ze had ze bewaard. Els had de twee ontvangen bestanden ook niet gewist. Het opnameapparaat lag uitgeschakeld bij haar andere spullen, opgeborgen op een plek waar het niet vanzelf klaarstond om te luisteren.
Liv had niet nog één keer gecontroleerd of de rits hetzelfde klonk. Ze wist hoe die seconde in haar hoofd verderging, ook zonder hem af te spelen. Ze hoefde hem vandaag niet naar de keuken mee te nemen.
Ze trok haar jas aan. Els gaf de lege kunststof doos terug.
‘Die is van jou,’ zei Liv.
‘O ja.’
Els lachte en zette hem opnieuw op de plank. Ze stonden even tegenover elkaar zonder nog iets te moeten afronden.
‘Eet smakelijk straks,’ zei Els.
‘Jullie ook.’
Buiten was de wind gedraaid. Liv liep naar de auto zonder naar de ramen boven te kijken. Bij de hoek hield ze de deur voor iemand open die met een krat lege flessen uit de buurwinkel kwam. Hij zei dank je, ze zei graag gedaan en liep verder.
Mara had een bericht gestuurd dat ze al in de buurt was. Liv antwoordde dat ze vertrok en legde haar telefoon vast voordat ze de motor startte. Ze moest aan het einde van de straat even wachten op een fietser. Daarna sloeg ze af naar de weg waar de restaurantjes lagen.
Einde

