Hoofdstuk 2 · 10 minuten lezen
Aan de andere kant
De handdoek lag op de vloer. Liv zag hem toen ze haar voet uit bed stak. Ze had een paar uur zonder onderbreking geslapen; op haar telefoon stond een half afgemaakt bericht aan de dakdekker dat ze blijkbaar niet had verstuurd. De hoofdschakelaar had ze vannacht niet meer aangeraakt. Het bedlampje brandde nog.
Ze raapte de handdoek op. Midden door de stof liep een smalle, vochtige streep. Geen grote plek, geen spoor dat ze ergens naartoe kon volgen. De buis achter het rooster voelde koud. Ze hield haar hand even voor de openingen en hing de handdoek over de stoel.
Het raam was aan de onderkant beslagen. Buiten stond de bestelwagen van een bakker half op de stoep. Een man trok een krat uit de laadruimte en ging met zijn schouder tegen een winkeldeur staan. Liv keek of hij erdoor kon voordat ze haar gordijn verder opentrok. Er was meer licht dan de dag ervoor.
In haar hoofd had de stem zich intussen aangepast. Ze meende een hoger geluid te herinneren dan ze vannacht had gehoord. Ze kon het niet terugluisteren; op haar telefoon stonden alleen de regen en de laptop. Ze speelde die minuut niet af. Aan een ademhaling die er niet op stond, kon ze niets verbeteren.
Beneden stond een kop koffie bij haar bord. Els kwam met een kan uit de keuken en schoof die van haar ene naar haar andere hand om een stoel recht te zetten.
‘Ben je wakker geworden van de bakker?’
‘Nee. Ik heb iets gehoord door dat rooster achter mijn bed.’
Els zette de kan neer. ‘Wat voor iets?’
‘Een vrouw. Ze vroeg of het licht aan kon blijven. Niet hard, maar ik verstond het.’
‘Door het ronde ding?’
Liv knikte. Ze had haar telefoon meegenomen en legde hem naast het bord, zonder hem naar Els toe te schuiven.
‘Een spreekbuis,’ zei Els. ‘Vroeger kon je daarmee de keuken bellen. Zonder elektriciteit.’ Ze schonk koffie bij. ‘Mijn vader vond alles zonder elektriciteit beter.’
‘Waar zit het andere eind?’
‘Niet meer in de keuken. Die is negen jaar geleden verbouwd.’
Els keek naar het gedekte tafeltje aan de andere kant. Er stond een ei in een dop, met een servet er half overheen. Het brood op het plankje was niet aangeraakt.
‘Misschien heeft hij zijn ontbijt niet gevonden,’ zei ze.
‘De man van halfzeven?’
‘Er is maar één man die ik vandaag verwacht.’
Ze liep naar de deur, luisterde even en kwam terug. Liv sneed een broodje open. Ze wilde niet meteen opstaan en Els door haar eigen huis laten lopen alsof ze samen iets moesten opsporen. Het leek haar nog steeds het waarschijnlijkst dat een gewone stem van elders door een oude leiding was gekomen.
‘Kunnen we er straks even naar kijken?’ vroeg ze.
‘Ik zal de tekening pakken. Dan hoef ik niet uit te leggen wat ik zelf maar half onthouden heb.’
Els haalde een brede map uit een lage kast naast de balie. Er zat een vouw over het plastic waar de tekeningen in lagen. Ze moest het pakket met twee handen vasthouden om de bovenkant uit de map te krijgen. Liv schoof de lege suikerpot opzij.
Op het papier stond het huis met een indeling die niet meer helemaal klopte. Waar nu de voorraadkast was, stond een aanrecht getekend. Een smalle lijn daalde vanaf kamer zeven, boog boven de keuken af en splitste zich. Liv volgde de twee uiteinden zonder met haar vinger over het papier te wrijven.
‘Hier komt er nog één bij.’
‘Naar acht,’ zei Els. ‘Daar sliep vroeger het personeel. Als de keuken al dicht was, kon iemand daar nog antwoorden.’
‘En nu?’
‘Nu slaapt er vooral meubilair.’
Els hield de tekening aan haar kant tegen. Liv maakte een foto waarop de hele lijn stond, inclusief de kamernummers. Ze wilde niet later alleen de splitsing hebben en opnieuw moeten vragen wat boven en onder was.
In de keuken schoof Els een vrijstaande voorraadkast een stukje van de muur. Het ging moeilijker dan ze had verwacht. Liv hielp aan de andere kant. Samen kregen ze net genoeg ruimte om erachter te kijken. Er zat een rond stukje pleister, iets gladder dan de omliggende wand. Liv fotografeerde het en tikte er voorzichtig tegen. Massief. Ze drukte niet harder.
‘Daar is het dus dicht.’
‘Daar wel.’
Een zak pasta gleed in de kast naar voren. Els ving hem op voordat hij viel.
‘We kunnen dit beter terugzetten voor de hele winkel eruit komt.’
Ze duwden de kast op zijn plek. De keukendeur bleef open; Els had een ovenwekker gezet en keek na het piepje meteen naar de schaal op het aanrecht. Er lagen nog drie halve broden onder een doek. Ze pakte er één en controleerde de onderkant.
‘Voor vanmiddag,’ zei ze. ‘Roos komt soep eten. Zij heeft het brood gebracht, dus dan kan ik het moeilijk verprutsen.’
‘Is zij van de bakker?’
‘Niet van de winkel. Ze werkt er. Anders had ik haar wel om een vervangend brood kunnen vragen.’
Liv stapte opzij om haar bij de oven te laten. Ze hoorde zichzelf al iets zeggen over een langere tijd op een lagere stand, alsof een vrouw die iedere ochtend ontbijt maakte behoefte had aan advies van een gast die gisteren kant-en-klare salade had gekocht.
Els trok haar ovenhandschoenen uit en keek in de hal. ‘Kom maar. Dan weet je tenminste waar die andere kant is.’
De deur van acht ging naar binnen open en schraapte over de drempel. Els gaf hem met haar knie het laatste zetje. De deur draaide langs de linkerwand, waar geen meubels stonden. Rechts stonden stoelen, deels in elkaar geschoven, maar ze pasten niet allemaal. Onder een lichte gebogen rugleuning stak een breed donker frame uit. Op de rubberen dop aan één poot zat een barst.
‘Ze horen niet bij elkaar,’ zei Els. ‘Maar als ik er één nodig heb, blijkt het altijd de onderste.’
Ze pakte geen stoel. Ze stapte langs de stapel en schoof een strijkplank wat rechter tegen de muur. Bij de achterwand stonden drie dozen. Op de bovenste was met een dikke stift kerst geschreven.
Het raam stond open. Het gordijn, dat Liv gisteren vanaf de binnenplaats had gezien, zat met een vouw over de rand. Els haalde het voorzichtig naar binnen. De stof bleef een ogenblik vastzitten en kwam toen los zonder te scheuren. Ze trok het raam dicht en draaide de hendel omlaag.
Van hieruit zag Liv haar eigen fiets beneden staan. De tegelplaats was niet groter geworden door er van boven op te kijken. De grijze achterdeur stond open; iemand had er een lege broodkrat naast gezet. Liv kon de drempel zien, niet wie er in de keuken liep.
Naast de kamerdeur zat een houten kastje. De messing hendel stak schuin uit de voorkant. Het hout eromheen was donkerder waar handen het hadden aangeraakt. Liv bukte, maar raakte niets aan. In een doos onder het kastje lag een losse metalen klep, tussen twee stukjes papier en een haakje zonder schroef.
Ze maakte eerst een foto van het kastje zoals het zat. Daarna één van de doos. Els zag haar de telefoon terugsteken.
‘Je mag best kijken.’
‘Eerst onthouden hoe het was. Ik heb te vaak een apparaat teruggekregen waar iemand aan had gezeten om te zien of het al stuk was.’
‘Was het dan nog stuk?’
‘Ja. Alleen anders.’
Els glimlachte. Ze keek naar de klok op Livs telefoon en trok de deur een stukje naar zich toe. Weer het schuren over de drempel. Ze moest hem bij de klink iets optillen om hem netjes dicht te krijgen.
‘Daar moet Bram ook nog naar kijken. Ik heb hem toch nodig voor die kastdeur beneden.’
‘De regenpijp ook?’
‘Die zet ik erbij. Als ik alles opschrijf, blijft hij misschien een week.’
Liv keek nog even naar het messing. Ze wilde vragen of ze de klep uit de doos mocht nemen, maar Els had de deur al dicht.
‘We kunnen het straks bekijken,’ zei ze. ‘Eerst wil ik weten waarom die man zijn ontbijt niet heeft aangeraakt.’
De sleutel lag naast de mandarijnen. Liv had hem op weg naar de keuken niet opgemerkt. Er zat een stukje papier onder, afkomstig uit een klein notitieblok. Els las het, hield het even verder weg en las nogmaals.
‘Vroeg weg,’ zei ze.
‘Was dat niet al afgesproken?’
‘Nog vroeger, kennelijk.’
Er stond geen klacht over stemmen. Els liet Liv het papier niet helemaal lezen, maar zei dat hij voor de kamer had betaald en een goed ontbijt misschien een andere keer kwam inhalen. Ze vouwde het dubbel en stopte het in haar vestzak. De kop koffie op zijn tafeltje haalde ze als eerste weg.
Boven belde Liv Anouk. Ze had het proefstuk van gisteren klaargezet en schoof het niet meteen door. Ze wilde eerst weten hoeveel tijd er werkelijk was voor de luistermiddag.
Anouk nam op met een haastig ‘zeg het eens’, gevolgd door het verzoek even te wachten. Liv hoorde haar een deur dichttrekken. Daarna klonk haar stem rustiger.
‘Ik ben op zoek naar een tafel die niet naast de koffieautomaat staat. We kunnen moeilijk over oude havengeluiden praten met een machine die er elke zin doorheen maalt.’
‘Wil je dat ik die ook restaureer?’
‘Alleen als je hem daarna aan de mensen bij de receptie kunt uitleggen.’
Liv vertelde over het fragment. De vraag van de interviewer moest erbij. Het werd drie minuten in plaats van de gehoopte anderhalve.
‘Kunnen we niet alleen zijn antwoord gebruiken?’
‘Dan klinkt het alsof hij antwoord geeft op een vraag die niemand gesteld heeft.’
‘Ja, maar iedereen kent de haven toch?’
‘Willem had het over die ene ochtend. Als ik de vraag weghaal, zegt hij ineens dat de hele haven toen al vastlag.’
Anouk was even stil. Liv hoorde een stoel schuiven.
‘Stuur die drie minuten dan maar. Ik moet de anderen er ook van overtuigen dat we niet zoveel stukken achter elkaar moeten willen.’
Ze spraken af dat de eerste luistermiddag een proef zou zijn, met ruimte voor reacties en een keuze van fragmenten. Niet de presentatie van twaalf zogenaamd definitieve opnamen. Er waren drie interviews die eerder bruikbaar moesten zijn; op Livs lijst stonden twee, vijf en negen. De rest volgde later, na de afgesproken controle. Anouk herhaalde dat verschil terwijl ze het opschreef.
‘En het fragment van Joop?’ vroeg ze.
‘Daar begin ik vandaag aan.’
Joop van Dijk sprak op de vijfde band over de boten die volgens hem nog jarenlang gewoon waren binnengekomen. Hij kon kwaad worden op de interviewer en eindigde twee zinnen later met de vraag of die een stukje koek wilde. Liv had het stuk nog niet kunnen kiezen. Ze zei alleen dat zijn verhaal niet in dezelfde minuut paste als dat van Willem.
Anouk lachte. ‘Dan maken we die minuut maar niet.’
Na het gesprek stuurde Liv de proefversie. Ze wachtte tot de verzending klaar was en ging daarna naar beneden om water te halen. Els zat in de ontbijtruimte aan een kom soep. Naast haar lag een boterham zonder korst. Aan de andere kant van de tafel stond een bord dat nog leeg was.
‘Roos is te laat,’ zei ze. ‘Nu eet ik alvast. Anders ga ik straks alleen maar boos vragen waarom zij niet eerder kon.’
Liv pakte haar glas. De broodkrat op de binnenplaats stond nog op dezelfde plek. Ze hoorde de regenpijp weer, zachter dan gisteren, en keek naar de keukendeur.
‘Er is niemand meer beneden die me vannacht kan hebben toegesproken.’
Els stopte haar lepel even boven de kom.
‘Vannacht was hij er nog wel.’
‘Ja.’
Liv zette het glas neer om haar mouw recht te trekken. Ze had één gewone mogelijkheid te snel weggeschoven. Els at verder. Toen er in de hal iemand ‘goedemiddag’ riep, kwam ze niet meteen overeind.
‘Ze kan zelf een stoel pakken,’ zei ze, en nam nog een hap.