Hoofdstuk 1 · 11 minuten lezen
De knip
In de versie die ik naar school stuurde, kwam mijn broer nooit door de deur.
Er kwam niets slims bij kijken. Ik zette een markering op negen minuten over het uur, bedacht me, schoof hem nog drie minuten terug en haalde de hele pauze tussen de toespraken en de band eruit. Niemand had behoefte aan elf minuten leeg podium. Niemand had vijf pond betaald om te kijken naar een man in een fleecevest die een keyboard probeerde aan te sluiten.
Door die knip leek de avond beter georganiseerd dan hij was geweest. Daar deed ik het voor.
Buiten mijn slaapkamerraam probeerde iemand een grasmaaier te starten. Daar was hij al sinds acht uur mee bezig. Telkens wanneer de motor aansloeg, dacht ik dat ik me misschien kon concentreren, en telkens wanneer hij afsloeg, werd ik persoonlijk kwaad op een apparaat dat ik niet kon zien.
Ik speelde de overgang nog een keer af. Judith Lane bedankte de vrijwilligers. De band verscheen in een zee van blauw licht. Een publiek dat in werkelijkheid elf minuten naar zijn telefoons had zitten kijken, was opeens aan het klappen.
Veel beter.
Ik sloeg het bestand op als LANTERN_FINAL_3. Dat zei iets over mijn werkwijze en niets bemoedigends over mijn toekomst.
Mam tikte met een knokkel tegen de deurpost. Ze had de deur al opengedaan.
“Toast?”
“Graag.”
“Je had ook naar beneden kunnen komen.”
“Had gekund.”
Ze zette het bord in de ruimte tussen mijn muis en een stapel brochures voor de bovenbouw. De ene driehoek toast leunde tegen de andere, als het dak van een huis. Ze had het hoekje weggesneden dat ik gisteren had laten verbranden en kennelijk besloten dat ik het voortaan zo lekker vond.
“Heb je geslapen?”
“Een beetje.”
“Hoeveel is een beetje?”
“Een slaaphoeveelheid.”
Ze keek naar het scherm. Op het stilgezette beeld had Judith haar mond open en haar handen wijd uit elkaar. Het leek minder op een toespraak om geld in te zamelen dan op een demonstratie van de grootte van een vis.
“Mooie foto.”
“Het is een video, mam.”
“Ik weet wat een video is.”
Achter haar was de lamp op de overloop uit. Sam had er twee dagen eerder het peertje uit gedraaid om het in de badkamer te doen. Geen van ons had het mam verteld. Iedere keer dat ze naar boven ging, drukte ze nog steeds twee keer op de schakelaar, om de elektriciteit de gelegenheid te geven zich te bedenken.
“Hoe laat kwam je broer thuis?” vroeg ze.
Ik nam een hap toast. Dat was een betere manier om drie seconden te winnen dan zeggen dat ik het niet wist terwijl ik het wel wist.
“Na mij.”
“Daar heb ik veel aan.”
“Hij was aan het opruimen.”
“Hij zou Val helpen afsluiten. Val belde me om half twaalf omdat hij hem zocht.”
Op het scherm bleef Judith haar denkbeeldige vis opmeten.
“Aan het einde heb ik hem niet gezien,” zei ik.
Dat was waar. Het was een van de verschillende ware dingen die ik had kunnen zeggen, en ik had het nogal zorgvuldig uitgekozen.
Mam zuchtte en pakte een lege mok van de vensterbank. “Hij is negentien. Dat weet ik. Dat zegt hij vaak genoeg. Maar als hij zegt dat hij iets zal doen, moet hij het ook doen.”
“Weet ik.”
“Ik vroeg je niet om zijn gedrag te verklaren.”
“Dat deed ik ook niet.”
Ze wachtte. Ik wachtte. Ergens in de tuin naast ons sloeg de grasmaaier eindelijk aan, en bleef aan.
Mam raakte de rugleuning van mijn stoel aan. “Eet dat andere stuk ook op. Moet je vanavond werken?”
“Van vijf tot negen.”
“Ik zet wel iets voor je klaar.”
Toen ze weg was, spoelde ik de film terug tot vóór de knip.
Het podium van de Lantern Rooms stond in het ondiepe gedeelte van wat ooit het gemeentelijke zwembad van Alderwick was geweest. De blauwe dieptemarkeringen zaten nog op de muren. Judith noemde ze een herinnering aan onze gedeelde geschiedenis. Val noemde ze de reden dat niemand er planken kon ophangen. Het balkon waar ik de camera had neergezet, was vroeger de kijkgalerij geweest. Daar hadden ouders op straatschoenen naar hun kinderen staan kijken terwijl die leerden niet te verdrinken.
Gisteravond had de helft van die ouders eronder gestaan, met warme wijn in recyclebare bekers. Ze hielpen, zei Judith, om een belangrijke voorziening voor de gemeenschap in handen van de gemeenschap te houden. De kaartjes, donaties en veiling zouden de reparaties aan het noordelijke dak betalen. Bij de deur had een kartonnen thermometer gestaan. De rode strook eindigde een stukje onder het bedrag dat bovenaan was gedrukt.
Ik had de thermometer drie keer gefilmd, omdat de eerste twee mensen die ernaast poseerden vóór het getal gingen staan.
Het beeld vanaf het balkon was niet mooi. Het statief paste niet helemaal achter de leuning en onder in de hoek was een stuk van een veiligheidsbord te zien. Maar het beeld was stabiel, het hele podium stond erop en niemand kon een pint voor de lens zetten.
Om 21.06 uur op de cameraklok stapte Judith van het podium. Om 21.07 verscheen Sam helemaal rechts in beeld, in de dienstgang achter het podium.
Hij droeg een grijze apparatuurkoffer.
Hij rende niet. Dat vond ik toen belangrijk. Hij rende niet, keek niet om zich heen en deed ook niets anders waarvan je je voorstelde dat mensen het deden wanneer ze iets te verbergen hadden. Door het gewicht van de koffer liep hij met de ene schouder lager dan de andere. Een stukje witte tape op het handvat lichtte op toen hij onder een lamp door kwam.
Toen was hij weg.
De kijkkopie had geen geluid. Ik was er tijdens de tweede helft op mijn laptop aan begonnen en had de bestanden van de hele avond later samengevoegd. Het camerageluid had ik uitgezet, want daarop hoorde je vooral mij mijn keel schrapen. Het goede geluid zouden we van de mengtafel krijgen. De originele geheugenkaart zat in de apparatuurkrat die Finn aan het einde van de avond had meegenomen.
Dat was het systeem, voor zover je het zo kon noemen: geleende camera, geleend statief, laptop met een accu die veertig minuten meeging als ik hem niet te hard liet nadenken. We waren geen productiebedrijf. We waren een meisje met een verlopen korting op montagesoftware en een aantal volwassenen die naamsbekendheid een aanvaardbaar loon vonden.
Ik keek opnieuw hoe mijn broer door de hoek van het beeld liep.
Twintig minuten daarvoor was hij naar boven gekomen, naar het balkon. Hij had naar hete olie en de citroenspray uit de keuken geroken. Een scheurtje in de reflectiestrook op zijn werkjas was aan de deur blijven haken.
“Kun je me even ergens mee helpen?” had hij gezegd.
Ik was bezig geweest om Judiths microfoon weer op het goede kanaal te krijgen. Ik had gezegd dat ik geen tijd had.
“Dek me even als Val iets vraagt.”
“Waarvoor?”
“Ik moet een koffer naar de voorkant brengen.”
“Zeg dat dan tegen Val.”
“Bea.”
Ik kende die versie van mijn naam. Sam kon één lettergreep laten klinken als een herinnering aan alles wat we ooit voor elkaar hadden gedaan.
Toen had ik opgekeken. Zijn gezicht glom van de hitte in de keuken, maar de rest van hem leek vreemd stil.
“Wat zit erin?”
“Apparatuur.”
“Dat maakt een hoop duidelijk.”
“Ik leg het later wel uit.”
Dat had hij niet gedaan. Om één uur 's nachts had ik hem horen thuiskomen, in de keuken rechtstreeks uit de kraan horen drinken en lang op de trap horen zitten voordat hij naar zijn kamer ging. Onder onze verschillende gewichten klaagde de trap op verschillende plekken. Sam was de derde en de zevende trede. Mam de vijfde. Ik kon er meestal geruisloos overheen als ik zijwaarts liep.
Nu was zijn deur dicht.
Ik exporteerde de film. Onderaan het scherm kroop een voortgangsbalk vooruit en drie minuten lang had ik niets te doen behalve toast eten en naar mijn eigen spiegelbeeld kijken in de zwarte strook naast het voorbeeldvenster.
Onder een brochure trilde mijn telefoon.
Ik verwachtte Judith, die zou vragen waar de film bleef. Ze had om 7.17 uur al een berichtje gestuurd dat ik geen haast hoefde te maken, om 7.42 uur gevolgd door de vraag of hij vóór de lunch klaar zou zijn.
Het was Finn.
Heb jij iets van Rowan gehoord?
Ik typte: Niet meer sinds gisteravond.
Toen wiste ik het.
Ik had Rowan de avond ervoor gezien, maar we hadden niet echt gepraat. Er waren mensen tegen wie je hallo kon zeggen zonder na te hoeven denken over alles wat dat woord wegliet. Sinds november hoorde Rowan daar niet meer bij.
Waarom? schreef ik.
Finn belde voordat ik de telefoon kon neerleggen.
“Hoi,” zei hij. “Sorry. Ben je wakker?”
“Lijkt me duidelijk.”
“O ja. Ja.”
Hij lachte niet. Meestal lachte Finn als ik onaardig tegen hem deed. Dat was een van de voordelen van iemand kennen sinds jullie wanten nog met een koordje door de mouwen van jullie jassen aan elkaar zaten.
“Wat is er gebeurd?”
“Denise krijgt hem niet te pakken.”
“Het is negen uur 's ochtends.”
“Hij is niet thuisgekomen.”
De exportbalk bereikte achtenzestig procent. Een klein venster meldde dat de opslagruimte van mijn laptop binnenkort vol zou zijn.
“Misschien is hij ergens blijven slapen.”
“Dat dacht zij ook. Ze belt iedereen af. Hij heeft haar gisteravond een bericht gestuurd, maar—”
“Maar wat?”
“Het is raar. Ik weet niet. Hij zei dat hij een tijdje wegging.”
Ik draaide me om in mijn stoel en keek naar buiten. De man met de grasmaaier had zijn sweater uitgetrokken en over een schuttingpaal gehangen. Achter onze kleine tuinen lagen de daken van de winkels, de watertoren en de heuvel waar iedereen deed alsof de nieuwbouwhuizen niet steeds verder oprukten.
Er waren genoeg plekken waar je naartoe kon gaan. Rowan had het over de meeste ervan.
“Wat zei Denise?”
“Dat hij sindsdien nergens meer op heeft gereageerd. Zijn telefoon staat uit.”
“Heeft ze de politie gebeld?”
“Dat doet ze nu. Je hoeft blijkbaar niet te wachten.”
“Dat dacht ik ook niet.”
Het was even stil. Ik hoorde iemand bij Finn thuis met borden rommelen.
“Heb je hem zien weggaan?” vroeg hij.
“Nee.”
“Ik dacht dat je daarboven misschien—”
“Ik filmde het podium.”
“Ja. Natuurlijk.”
De voortgangsbalk bleef op tweeëntachtig procent hangen, alsof hij ook afgeleid was.
“Jij wel?” vroeg ik.
“Wat?”
“Hem zien weggaan.”
“Nee. Hij was ergens kwaad over. Niet echt kwaad. Je kent Rowan.”
Dat deed ik, maar minder goed dan vroeger. Rowan kon op zo'n manier zwijgen dat iedereen om hem heen de stilte opvulde met fouten. Hij hoefde zelden zijn stem te verheffen. Je hoorde jezelf praten en besefte halverwege een zin dat je hem nog meer redenen gaf om in je teleurgesteld te zijn.
“Misschien wilde hij dat iedereen hem even met rust liet,” zei ik.
“Misschien.”
Geen van ons klonk overtuigd.
Finn vroeg of ik mijn berichten wilde controleren en ik zei dat ik dat al had gedaan. Hij ging naar het centrum, zei hij, omdat Judith een lijst maakte van iedereen die er was geweest. Ik zei dat ik de film zou doorsturen zodra hij klaar was.
“Maak je daar maar niet druk over,” zei hij snel.
“Hij is bijna klaar.”
“Alleen—als Rowan ergens op staat, stuur dat dan misschien ook even.”
“Oké.”
“Dank je, Bee.”
Alleen Finn noemde me nog zo. Hij was ermee begonnen in de kleuterklas, omdat hij Beatrice niet kon uitspreken. Op de een of andere manier gebruikte hij de afkorting nog steeds toen we allebei allang konden lezen.
Nadat hij had opgehangen, keek ik opnieuw naar mijn berichten.
Het laatste bericht van Rowan was vier maanden oud.
Zet dat stukje er alsjeblieft niet in.
Ik bleef ernaar staren tot de woorden niet meer leken op iets wat een mens had geschreven. Toen vergrendelde ik mijn telefoon.
Beneden riep mam dat ze wegging. Ik liep naar de overloop en vertelde haar over Rowan.
Ze bleef staan met haar hand op de klink van de voordeur.
“O, Denise.”
Meer zat er niet in. Geen argwaan, geen theorie. Alleen de naam van een andere moeder en het idee van wakker worden en een lege kamer aantreffen.
“Blijf je hier?” vroeg ze.
“Ik denk het.”
“Zeg het tegen Sam als hij wakker is. En neem je telefoon op.”
“Ik neem altijd mijn telefoon op.”
Ze gaf me een blik waardoor we allebei konden doen alsof die bewering geen verdere uitleg nodig had.
Toen de deur dicht was, liep ik weer naar boven en klopte bij Sam.
Hij antwoordde niet. Ik duwde de deur op een kier.
Zijn kamer was leeg.
Er was in het bed geslapen en zijn zwarte werkbroek lag er in een hoop naast. Op het bureau, onder een onbetaalde parkeerboete, lag het papieren labeltje dat aan het handvat van de grijze koffer had gehangen.
Ik herkende het, omdat ik het zelf had geschreven.
LANTERN ROOMS — RESERVECAMERA. GRAAG TERUGBRENGEN BIJ BEA.
Een tijdje bleef ik in de deuropening staan, luisterend naar de grasmaaier en het gezoem van mijn laptop aan de andere kant van de muur.
Toen lichtte mijn telefoon weer op.
Dit keer was het een foto in de groepsapp van de bovenbouw: Rowan tijdens een schoolreis, met samengeknepen ogen tegen de zon en één hand omhoog om degene die de foto maakte tegen te houden.
Daaronder had iemand geschreven: Heeft iemand hem gezien?