Hoofdstuk 7 · 6 minuten lezen
De plek die we bewaarden
Rena deed de rode deur open in een trui met verf op één mouw.
Ze was niet de eigenaar. Dat ontdekte Leila in de eerste minuut, toen mam zich verontschuldigde dat ze op een onhandig moment kwamen en Rena zei dat ze van de nieuwe huisbaas huurden en de waterkoker nog maar net hadden gevonden. Op de een of andere manier maakte dat het erger. Een ander gezin deed bijna hetzelfde als zij hadden gedaan, alleen dan in het huis.
“De doos staat in de hal,” zei Rena. “En de bloempot uit het zijpad. Ik wist niet zeker of jullie die nog wilden hebben.”
Mam bedankte haar. Ze had het bezoek via de makelaar geregeld, omdat er in de kast onder de trap een doos met papieren en Toby's oude zwemtas op een plank waren blijven staan. Leila had aangeboden mee te gaan voordat mam het vroeg. Ze had niet toegegeven waarom.
Vanuit de deuropening zag ze een ander paar schoenen op de mat.
Waar vroeger hun kapstokhaken zaten, stond een stapel bouwpakketten voor planken. Iemand had een vaas op de smalle vensterbank gezet. Het huis rook vaag naar nieuwe zeep en karton, niet hun karton, al had ze het verschil niet kunnen uitleggen.
Rena tilde de doos op.
“Er is ook nog post gekomen. Die heb ik erbovenop gelegd.”
“Dank je,” zei mam. “Ik regel het doorsturen.”
“Een paar dagen maakt niet uit. Ik wil alleen niet dat belangrijke dingen tussen onze post belanden.”
Leila keek naar het tapijt op de trap. De donkere vlek naast de derde trede zat er nog. Toby had er tijdens een feestje een lepel gesmolten chocolade op laten vallen en geprobeerd die met een natte sok schoon te maken.
Achter Rena verscheen een jongetje met een speelgoedvrachtwagen.
“Wie zijn dat?” vroeg hij.
“Zij woonden hier voor ons.”
Hij keek Leila belangstellend aan.
“Had jij de kleine kamer?”
“Ja.”
“Die is nu van mij.”
Ze wist dat hij haar niet probeerde te kwetsen. Hij gaf informatie over een kamer, trots dat hij er een had. Toch kostte het moeite om gewoon te blijven kijken.
“Het is een fijne kamer,” zei ze.
“Het raam klemt.”
“Je moet het een beetje optillen terwijl je trekt.”
Rena keek naar hem.
“Alleen als ik help.”
Hij knikte en draaide zich alweer om.
Leila wilde vragen of het barstje boven de radiator er nog zat. Ze wilde zien of ze het bed tegen dezelfde muur hadden gezet. Het verlangen voelde opdringerig en kinderachtig, en ze kon het niet laten verdwijnen door dat alleen maar te beseffen.
Mam nam de doos aan. Rena gaf Leila de bloempot.
Hij was van terracotta, met een stukje uit de rand, en er groeide niets in behalve een hardnekkige streep mos. Mam had er een deel van één zomer basilicum in gehad en hem daarna voor wasknijpers gebruikt. Leila had hem verschillende keren getekend omdat de gebroken rand makkelijker te onthouden was dan een volmaakte cirkel.
“Heb je hem nodig?” vroeg Rena.
“Ja,” zei Leila te snel.
Mam keek even naar haar, maar maakte geen bezwaar.
Ze namen afscheid op de stoep. Rena sloot de deur zachtjes en deed hem toen weer open, omdat er een brief achter de doos was gevallen.
“Nog eentje.”
Hij was geadresseerd aan Paul Grant.
Mam nam hem aan zonder dat haar gezicht veranderde.
“Die woont hier al jaren niet meer,” zei ze. “Iemand gebruikt nog een oude lijst.”
Rena knikte. “Dat gebeurt ons allemaal.”
Op de stoep keek Leila omhoog naar haar oude raam. Op de vensterbank stond een groene speelgoeddinosaurus. Ze had nooit een groene dinosaurus gehad. Het feit was zo klein dat ze zich schaamde omdat ze erom wilde huilen.
Mam zette de doos in de auto.
“Wil je nog een rondje lopen?” vroeg ze.
“Nee.”
“Weet je het zeker?”
“Ja.”
Leila stapte in voordat het antwoord kon veranderen.
Ze reden langs de winkel op de hoek waar Toby zijn zakgeld had uitgegeven aan snoepjes die hij één voor één uitkoos. De man van achter de toonbank droeg een krat door de deuropening. Hij stak zijn hand op naar mam. Zij stak de hare terug op.
De stad had niet te horen gekregen dat ze hen niet meer mocht herkennen.
Bij de verkeerslichten raakte mam de envelop voor Paul aan.
“Ik zal hem hierover een bericht sturen.”
“Komt hij volgend weekend nog?”
“Hij zei dat hij het leuk zou vinden als jullie op bezoek kwamen.”
“Dat vroeg ik niet.”
Mam keek haar aan.
“Hij kijkt hoe het zit met zijn werk. Ik wil niet namens hem iets beloven.”
Leila draaide zich naar het raam. Mam klonk nooit ruimhartig wanneer ze precies vertelde hoe het met pap zat. Zo voelde het tenminste voor Leila. Ze wist dat dat gevoel niet altijd eerlijk was en verdedigde hem in haar hoofd toch liever.
“Hij heeft het druk gehad.”
“Wij ook.”
Het licht sprong op groen.
In het hotel opende Toby de zwemtas en ontdekte een zwembril waarvan hij niet meer wist dat hij hem had. Hij zette hem meteen op. De bril liet diepe randen om zijn ogen achter.
“Kunnen we gaan zwemmen?”
“Vandaag niet,” zei mam.
“Morgen?”
“We kijken wel of dat kan.”
Hij aanvaardde het uitstel met de vermoeide ervaring van iemand die er de laatste tijd veel versies van had gehoord.
Leila zette de lege bloempot op de vensterbank naast de voetballer zonder hoofd. Daar leek hij minder op een stukje thuis en meer op iets wat ze hadden nagelaten weg te gooien.
Ze draaide hem tot de beschadigde kant de kamer in wees.
Mam begon de papieren op het bed uit te zoeken. Er waren oude schoolbrieven, een garantiebewijs voor de wasmachine die nu in Janices garage stond en foto's uit een pakje dat ze was vergeten in een album te plakken. Leila zag zichzelf op een jaar of zes, op de rode drempel, met een pleister op één knie.
Toby boog over mams schouder.
“Waarom sta ik daar niet op?”
“Je was nog niet geboren.”
“Dat lijkt me oneerlijk.”
Mam glimlachte voor het eerst sinds het bezoek.
“Je bent uiteindelijk gekomen.”
Leila nam de foto aan toen mam hem gaf. De deur achter haar jongere zelf was pas geschilderd. Op de foto hield ze met twee handen een kom aardbeien vast en leek ze zich totaal geen zorgen te maken over waar ze later zouden slapen.
Ze stopte de foto in haar schetsboek, tussen de twee tekeningen van de deur. De ene met de werkelijke sporen van ouderdom, de andere opzettelijk glad. Ze wist nog niet wat ze met die twee versies moest.
Die middag stuurde Esme een bericht om te vragen hoe laat ze de volgende dag kwam.
Leila schreef: Na de lunch. Is het goed als ik een tas meeneem?
Esme antwoordde: Je blijft slapen. Was je van plan je bezittingen in je mond mee te nemen?
Leila glimlachte naar het scherm.
Toen keek ze naar de tassen die naast het hotelbureau opgestapeld stonden. Ze wenste dat Esmes vraag niet zo pijnlijk voorstelbaar was.