Hoofdstuk 2 · 8 minuten lezen
Negen haltes
Maandag miste Leila de eerste bus doordat ze aan de verkeerde kant van de weg stond.
Ze besefte het toen de bus die ze nodig had de andere kant op reed, met daarin drie mensen en de mogelijkheid om zonder uitleg op school aan te komen. Ze stak over bij de verkeerslichten, controleerde de dienstregeling twee keer en ging naast een man staan die een banaan at met de plechtige concentratie van iemand die medicijnen inneemt.
De volgende bus kwam zestien minuten later.
Van het hotel naar Briar Sixth Form waren het negen haltes als ze bij haar oude buurt overstapte. Ze had ze de avond ervoor in de routeplanner geteld en de weg met haar vinger gevolgd, terwijl Toby naar een programma keek dat te hard stond en mam op haar telefoon een formulier probeerde te begrijpen.
Negen haltes klonk niet als veel, tot ze ze allemaal moest uitzitten.
Bij de eerste stapte een vrouw in met een kinderwagen die pas in de ruimte paste toen iedereen een beetje opschoof.
Bij de tweede bewoog niemand.
Bij de derde wachtte de bus terwijl een chauffeur uit de andere richting door een open raam iets uitlegde.
Leila keek hoe laat het was en probeerde er niet uit te zien als iemand die vreemden verweet dat ze een gewone ochtend hadden.
Haar schetsboek lag op haar schoot. Ze sloeg het open bij de rode deur en zag meteen dat ze de brievenbus te hoog had getekend. Ze deed het weer dicht.
Het winkelpark maakte plaats voor lage huizen, een schoolveld en de achterkant van een rij winkels waar ze nooit eerder naar had gekeken. Vanuit de bus leken plaatsen onaf: laaddeuren, vuilnisbakken, regenpijpen, kleine tuinen vol plastic stoelen. Van sommige gebouwen kende ze de voorkant. De achterkant leek bij een andere stad te horen.
Op de rand van een oude envelop begon ze een brandtrap te tekenen.
Toen ze bij het overstappunt aankwam, was ze twaalf minuten te laat en had ze zonder het te merken drie keer dezelfde reling getekend.
Esme wachtte bij het schoolhek met twee mappen onder één arm en een banaan die ze kennelijk niet van plan was op te eten. Ze zag Leila de hoek om komen en stak beide handen op.
“Daar ben je.”
“Bus.”
“Je komt normaal toch lopend?”
“Ik weet het.”
Leila liep door. Esme kwam naast haar lopen.
“Waar was je?”
“We zitten even ergens anders.”
“Waarom?”
“Gedoe met het huis.”
“Leila.”
Uit de manier waarop Esme haar naam uitsprak, bleek dat een paar woorden niet als antwoord telden.
“Er was een probleem met het huis,” zei Leila. “Mam regelt het.”
“Logeren jullie bij familie?”
“Zoiets.”
Het was een verschrikkelijk antwoord. Dat wist ze zodra ze het zichzelf hoorde zeggen. Ze verbleef bij familie, technisch gezien. De familie bestond uit dezelfde twee mensen met wie ze vrijdagochtend nog had samengewoond, nu in een kamer met een waterkoker die vastzat aan een plastic dienblad.
Esme fronste.
“Waarom heb je niks gezegd?”
“Omdat er eigenlijk niks aan de hand is.”
Ze kwamen bij de gang voor hun eerste les. Door het glas zag Leila dat iedereen al zat.
“Er is duidelijk wel iets aan de hand,” zei Esme.
“Ik vertel het je in de lunchpauze.”
“Beloofd?”
Leila keek naar de deur.
“Kunnen we naar binnen voordat het nog erger wordt?”
De docent hield even op met praten toen ze binnenkwamen. Leila bood haar excuses aan. Esme ook, hoewel zij op tijd was geweest voordat ze besloot te wachten. Daardoor voelde Leila zich zowel dankbaar als geïrriteerd: nu was ze aan twee mensen uitleg verschuldigd.
Ze ging zitten, pakte het verkeerde schrift en probeerde bovenaan een bladzijde waar al een tekening van een vensterbank op stond de datum te schrijven.
De rest van de les liep ze een halve zin achter.
In de pauze ging ze naar de toiletten in plaats van naar de leerlingenruimte. Ze waste haar handen zonder dat het nodig was en keek naar zichzelf in de spiegel. Er was niets zichtbaars veranderd. Haar trui was hetzelfde. Haar haar zat in dezelfde knot, met hetzelfde plukje dat bij één oor ontsnapte. Ze zag eruit als een meisje dat slecht had geslapen, en dat gold voor de helft van de mensen in het gebouw.
Op haar telefoon stond een bericht van mam.
Toby afgeleverd. Na de lunch bellen over huisvesting. Ik heb je leerlingnummer nodig voor de vraag over vervoer. Stuur het zodra je kunt.
Leila stuurde het nummer en typte toen: Vertel school nog niet alles.
Ze keek naar de zin voordat ze hem verstuurde. Het klonk alsof ze acht was en in de problemen zat.
Mam antwoordde drie minuten later.
Ze moeten weten waarom je reis anders is geworden. We kunnen samen beslissen wie we wat vertellen.
Leila stopte haar telefoon weg zonder te antwoorden.
Bij beeldende vorming vroeg mevrouw Armitage de klas de grote tafel leeg te maken. Over zes weken was de zomertentoonstelling en de afdeling wilde van ieder van hen een samenhangende reeks werken zien, geen verzameling van wat toevallig het minst onaf was.
“Plek,” zei ze, en ze schreef het woord op het bord. “Niet per se een landschap. Niet per se een huis. Een plek kan een route zijn, een hoek, een kamer waar je niet in mag, ergens waar je werkt, ergens waar je wacht.”
Leila keek naar de envelop in haar tas.
“Drie werken die met elkaar verbonden zijn,” ging Armitage verder. “Jullie mogen verschillende materialen gebruiken, maar ik wil zien waarom ze bij elkaar horen. Begin met wat je echt opmerkt, niet met wat volgens jou op een kunstproject lijkt.”
Aan de andere kant van de tafel vroeg iemand of een winkelcentrum ook mocht.
“Natuurlijk.”
“En mijn slaapkamer?”
“Ja.”
“En een plek die niet bestaat?”
“Ja, maar dan moet je me er wel van overtuigen dat je erover hebt nagedacht.”
Leila pakte haar schetsboek. De rode deur stond op de eerste bladzijde die ze opensloeg.
Armitage bleef naast haar staan.
“Deze is nieuw.”
“Vrijdag.”
“Jouw huis?”
Leila legde haar hand over de onderste hoek van de tekening.
“Ja.”
Het woord was klein en makkelijk. Ze had er een grotere hekel aan dan aan de stuntelige antwoorden die ze Esme had gegeven.
Armitage wees naar het gladde vlak naast de brievenbus.
“Naar waarneming of uit je hoofd?”
“Uit mijn hoofd.”
“Wat heb je weggelaten?”
“De verf was gebarsten.”
“Heb je dat expres weggelaten?”
Leila keek naar de tekening.
“Ik weet het niet.”
“Zoek het uit. Dat is een nuttige vraag.”
De docent liep verder. Leila hield haar potlood boven de bladzijde en wist opeens niet meer of ze door de barsten alsnog te tekenen eerlijker zou zijn, of de tekening alleen maar lelijker zou maken.
In de lunchpauze vond Esme haar bij de kluisjes.
“Je zei dat je het zou vertellen.”
Leila had de hele ochtend aan een antwoord gewerkt dat waar genoeg was om gewone vragen te overleven.
“We hebben het huis een tijdje moeten verlaten. Mam zoekt iets anders. We zitten ergens tijdelijk.”
Esmes gezicht veranderde.
“O. Leila.”
Daar was de stem die ze had proberen te vermijden. Zachter geworden, alsof Esme al bedacht hoe ze voorzichtig met haar moest omgaan.
“Het is niet zo heel erg,” zei Leila snel.
“Waar zitten jullie?”
“Bij het winkelpark.”
“Bij iemand?”
“Mam en Toby.”
“Nee, ik bedoel—”
“Ik weet wat je bedoelt. Kunnen we het niet allemaal hier in de gang bespreken?”
Esme keek om zich heen. Niemand lette op, maar Leila voelde overal de mogelijkheid van aandacht op de loer liggen.
“Goed,” zei Esme. “Ga na school met mij mee naar huis.”
“Dat kan niet. Ik moet terug.”
“Bel me dan.”
“Zal ik doen.”
“Echt bellen, niet een foto van iets raars sturen en hopen dat ik het vergeet.”
Leila glimlachte bijna.
“Die rare dingen zijn belangrijk.”
“Jij ook.”
Leila keek als eerste weg.
In de bus terug telde ze de haltes in omgekeerde volgorde. Bij het winkelpark verzamelde een jongen in een supermarktjas een lange rij winkelwagens die allemaal tegelijk een andere kant op wilden. Eén wiel zat dwars vast. Hij stopte, keek ernaar en zei iets wat ze door het glas niet kon horen.
De bus reed verder voordat hij het loskreeg.
In het hotel vroeg Mo of ze de maandag had overleefd.
“Het grootste deel.”
“Nog genoeg over. Reken je niet te snel rijk.”
Boven zat Toby op de vloer huiswerk te maken op het deksel van een koffer. Mam was naar haar werk. De televisie stond uit omdat de afstandsbediening in iemands beddengoed was verdwenen.
“Heb je het Esme verteld?” vroeg hij.
“Een deel.”
“Welk deel?”
“Dat we ergens anders zitten.”
Hij keek de kamer rond.
“Daar was ze zelf waarschijnlijk ook wel achter gekomen.”
Leila zette haar tas neer en ging naast hem zitten. Op zijn werkblad stond een plattegrond van een huis met lege vakjes voor de namen van de kamers.
“Wat doe je?”
“Kamers in het Frans.”
Hij wees naar een woord dat hij twee keer had opgeschreven.
“Wat is een eetkamer als je die niet hebt?”
Ze keek naar het werkblad en toen naar het smalle bureau waar hun doos ontbijtgranen, haar tekenmap en mams werktas stonden.
“Nog steeds een eetkamer,” zei ze. “Je hoeft er geen te hebben om het woord te kennen.”
Toby nam daar genoegen mee en schreef verder. Leila sloeg haar schetsboek open op de bladzijde na de rode deur.
Deze keer tekende ze het busraam.