Hoofdstuk 8 · 12 minuten lezen
De verkeerde verdieping
Het vierde vel kwam er uit alsof het laatste woord een afronding was die de printer hun gunde. Daan hield de stapel even omhoog en waaierde de bladzijden los. Els keek langs de rand om te zien of er nu niets dubbel zat.
‘Dat is hem,’ zei hij. ‘Dank je.’
Hij wilde betalen. Els zei dat het wel goed was. Daan wees naar de hoeveelheid tekst op het eerste vel. Als zij dat allemaal uit zijn hoofd had moeten horen, was zij veel langer bezig geweest. Daar kon best een euro tegenover staan.
‘Dan had ik wel een deur dichtgedaan,’ zei Els.
Ze nam zijn munt aan en legde hem in het bakje naast de computer. Daan ging naar drie. Liv hoorde hem met zijn koffer schuiven en een stoel onder de tafel vandaan trekken. Hij had een eigen middag, die niet steeds over haar bezoek hoefde te gaan.
Els veegde de kruimels van de lunchtafel en liep naar de keuken. Liv hielp de stoelen terugzetten. Ze had de autodeur al in haar hoofd dichtgedaan. De weg naar huis zou een uur duren, misschien iets langer als zij pas na vieren ging. Ze moest niet opnieuw blijven omdat zij een zin wilde begrijpen.
‘Ik denk dat ik zo ga,’ zei ze.
‘Dat is goed.’
Els bleef met de doek langs de rand van de tafel gaan. Bij een kleine plek die niet wegging, drukte ze harder.
‘Wil je dat ik nog iets doe voordat ik vertrek?’
Els keek op. ‘Nee. Je bent geen vervanging voor mijn personeel.’
‘Heb je personeel?’
‘Vandaag blijkbaar wel.’
Liv moest lachen, niet omdat de zin bijzonder grappig was maar omdat zij haar jas nog niet eens had gepakt. Ze nam de kopjes van de andere tafel en bracht ze naar het aanrecht. Els zei niet dat ze het moest laten.
In de keuken zag Liv de tekening in de map liggen, boven op een stapel enveloppen. Els had hem niet opnieuw opgeborgen. De voorraadkast stond recht tegen de muur. Zij wilde niet nog een foto maken van iets waarvan zij niet meer zou weten wat er op een tweede foto veranderd hoorde te zijn.
‘Bram belt straks terug,’ zei Els. ‘Ik heb hem een bericht gestuurd over de deur.’
‘En de buis?’
‘En die. Ik kan moeilijk zeggen dat hij voor mijn deur komt en dan met die tekening voor hem gaan staan.’
Liv zette een kopje op het afdruiprek, niet in de machine die nog dichtzat. Els opende hem en schoof de bovenlade uit. Er stond één glas tussen de borden.
‘Die heb ik al heel de middag op het aanrecht zien staan,’ zei ze. ‘Blijkbaar heb ik hem zelf in de weg gezet.’
‘Ik zag hem niet.’
‘Je hoeft niet alles te zien.’
Het waren gewone woorden. Liv wilde niet bij iedere zin bedenken wat die nog meer kon betekenen. Zij zette de rest van het servies in de machine en ging haar tas halen. Haar telefoon lag erop. Het scherm was zwart; er was niets dat haar vertrek uitstelde.
Toen zij bij de balie stond, kwam Daan uit zijn kamer. Hij had geen papieren meer in zijn hand. Hij keek langs haar naar de trap.
‘Is Els boven?’
‘In de keuken, dacht ik.’
Daan keek naar de deur die Liv zojuist uit was gekomen. Hij vroeg of er misschien een strijkijzer te lenen was. Zijn overhemd had een vouw gekregen die hij met zijn hand niet meer weg kreeg.
‘Zij zal het wel weten,’ zei Liv.
Hij knikte en ging naar de keuken. Liv pakte haar autosleutel uit het voorvak, legde hem terug en deed de tas dicht. Zij moest Els nog even zeggen dat zij nu echt ging.
Er werd iets zwaars verschoven. Geen geweldige klap, eerder een korte schuif met een harde rand eronder. Liv keek naar de trap. Daan stond halverwege omhoog, zijn hand op de leuning. Zij had hem niet zien terugkomen uit de keuken. Hij keek naar boven alsof er iemand voor hem uit liep.
‘Ik ben hier,’ zei Els achter Liv.
Daan draaide zijn hoofd, maar niet zijn voeten. Hij was op de smalle draai terechtgekomen, waar de treden aan de binnenkant minder diep waren. Zijn bovenste voet verschoof. De voorkant van zijn sok bleef tegen de rand hangen terwijl hij zijn gewicht al naar achteren bracht.
Liv zette haar tas neer.
‘Blijf even staan.’
Hij greep met zijn andere hand naar de leuning. Zijn elleboog kwam tegen de muur. De beweging was klein, maar hij hield opeens niets meer over om zelf mee te kiezen. Zijn voeten stonden verkeerd ten opzichte van de rest van zijn lichaam.
Els liep tot onderaan de trap en hield haar hand niet zomaar tegen zijn been.
‘Kijk naar je voeten,’ zei ze. ‘Je hoeft niet nu naar ons toe.’
Daan keek omlaag. Hij zette zijn ene voet een trede hoger, waar de trede breder werd, en kon toen weer recht gaan staan. Liv bleef bij haar tas staan. Er was geen ruimte om met drie mensen in die bocht te gaan helpen.
Boven het hoofd van Daan stond niets. De overloop was leeg. Hij bleef even staan, draaide zich daarna met zijn hele lichaam en kwam stap voor stap naar beneden. Onderaan keek hij naar de hand waarmee hij de leuning had gepakt.
‘Dat was niet handig.’
Els zette een stoel voor hem in de ontbijtruimte. Hij zei dat hij geen pijn had. Hij had zich gestoten aan de muur, niet gevallen. Hij ging toch zitten. Liv zag een witte afdruk waar hij zijn vingers op elkaar drukte.
‘Ik dacht dat je zei dat ik boven moest zijn,’ zei hij tegen Els.
Zij bleef bij de deur staan. ‘Ik was in de keuken.’
‘Dat zag ik niet. Daar stond niemand. Ik hoorde je bij de trap.’
Liv wilde zeggen dat zij Els in de keuken had achtergelaten. Ze had haar daar niet opgesloten. Els kon naar een andere ruimte zijn gegaan. Zij wist alleen dat Els achter haar had gestaan toen Daan op de trap was.
‘Wat hoorde je?’ vroeg ze.
‘Dat ik boven moest komen.’
‘Precies die woorden?’
Daan keek haar aan. ‘Ik heb het niet opgeschreven.’
Liv trok een stoel bij, maar ging niet direct zitten. Zij had hem geen examen willen afnemen. Hij keek van haar naar Els, alsof hij een voorgeschiedenis probeerde te plaatsen die zij hem niet hadden verteld.
‘Ik vraag het omdat ik zelf ook iets verkeerd dichtbij heb gehoord,’ zei ze.
Els deed de deur van de ontbijtruimte niet dicht. Ze kwam aan tafel zitten. Haar handen lagen naast elkaar op het tafelblad; zij had de doek nog bij zich en legde hem op de lege stoel.
Daan vroeg wat Liv bedoelde. Zij vertelde hem over de zin van vanmiddag, niet meteen over de opname van haar eigen stem. Dat zij Els bij acht meende te horen terwijl zij haar even later op straat zag. Zij wist niet hoe dat geluid daar was gekomen.
‘Maar je kunt toch gewoon buiten geroepen hebben,’ zei Daan tegen Els.
‘Ik had brood in mijn handen.’
Hij keek naar de keuken. ‘Daar kun je mee roepen.’
Els keek opzij. Liv was blij dat hij dat zei en voelde tegelijk hoe weinig dat aan haar eigen gevoel veranderde. Els had het brood niet als bewijs moeten gebruiken. Zij moest hem niet laten geloven dat zij al ieder gewoon antwoord hadden uitgesloten.
‘Dat klopt,’ zei Liv. ‘Ik weet ook niet of dat het was. Bij mij klonk het dichtbij.’
Daan duwde zijn stoel wat van de tafel. Hij kon opstaan als hij dat wilde. Niemand vroeg hem te blijven om er nog een geluid bij te zoeken.
‘Wat is dat voor systeem dan?’ vroeg hij.
Els vertelde over de spreekbuis. Ze zei dat hij niet meer gebruikt werd. Liv keek naar haar. Zij hadden de klep maandag op haar plaats gezet, maar dat maakte hem niet tot een gewone telefoon die nu aanstond. Het was ook niet hetzelfde als niets gebruiken.
‘We hebben iets teruggezet,’ zei Liv. ‘We dachten dat we konden zien welke kant hij op liep.’
‘Je hebt aan een leiding gewerkt?’
‘Aan het oude kastje. Niet aan de waterleiding.’
Daan knikte, langzaam. Hij vroeg of er nog iemand boven was. Els zei nee. Er waren geen andere gasten. Kamer acht was opslag, geen kamer voor iemand die niet ingeschreven stond.
‘En dat gebeurt dan nu terwijl ik hier logeer.’
Het was geen verwijt op volle kracht. Daardoor kon Els er niet eenvoudig tegenin gaan. Ze wreef over de natte rand van haar mouw.
‘Ik weet niet wat je gehoord hebt,’ zei ze. ‘Ik wil ook niet zeggen dat je daarom maar verkeerd geluisterd hebt.’
Daan keek naar zijn handen. Hij boog zijn elleboog en strekte hem weer. Hij zei dat hij morgen geen zin had om bij een overleg eerst uit te leggen waarom hij vannacht nergens rust had kunnen vinden. Hij had juist een kamer geboekt om de reis rustig te kunnen doen.
‘Dat begrijp ik,’ zei Els.
‘Ik zeg niet dat ik hier niet durf te slapen. Maar nu ga ik bij ieder geluid denken dat er iets met me bedoeld wordt. Dat ken ik van mijn eigen school als ik nog een lokaal zoek.’
Liv ging zitten. Ze had zijn strijkijzer nog niet gezien en het was intussen alsof de hele middag over de betekenis van geluid moest gaan. Hij had een overhemd willen strijken. Hij had straks een bed nodig.
‘Wil je ergens anders slapen?’ vroeg ze.
Daan keek naar Els, niet naar Liv. Het was haar huis en zijn boeking.
Els knikte. ‘Dat kan ik vragen. Als jij dat wilt.’
‘Ja. Graag.’
Zij stond op. Ze nam de doek mee naar de keuken en kwam terug met haar telefoon. Het eerste pension had geen kamer vrij. Liv hoorde Els zeggen dat het om één persoon voor vannacht ging, met ontbijt. Ze gaf geen verklaring over stemmen door een muur. Het tweede had plek, maar de kamer lag boven en de badkamer op de gang.
Daan zei dat het niet uitmaakte. Hij was niet van de trap gevallen. Hij wilde vooral niet opnieuw hoeven zoeken of degene die hem riep wel daar was waar hij dacht.
Els vroeg de prijs en keek naar hem. Hij had hier al betaald. Zij zei dat zij dat met het andere pension zou regelen, zodat hij niet opnieuw hoefde te betalen om vanavond ergens een bed te hebben. Over het verschil wilde ze hem niet aan tafel laten rekenen.
‘Dat is niet allemaal jouw fout,’ zei Daan.
‘Het is mijn kamer die je nu niet gebruikt.’
De vrouw aan de andere kant bevestigde een tijd. Els gaf zijn naam door en vroeg of hij een overhemd kon strijken. Dat kon beneden, zei de vrouw. Daan glimlachte even naar zijn lege handen.
‘Het overhemd is er ook nog.’
Hij ging naar drie om te pakken. De deur bleef open. Liv zag niet wat hij in zijn koffer deed, maar hoorde hoe hij een rits dichttrok en daarna nog een keer opende. Ze keek niet naar Els om te zien of zij het ook had gehoord. Het was een gewone tas in een gewone kamer.
Els zette de kopjes van de lunch nog recht, alsof de orde op tafel iets aan haar gesprek kon teruggeven. Liv vroeg hoe ver het andere pension was. Aan de andere kant van het centrum, te ver om Daan met zijn koffer in de wind te laten lopen als zij de auto toch had.
‘Ik kan hem brengen,’ zei ze.
‘Dan moet je nog verder terug naar huis.’
‘Niet veel.’
Ze wilden niet op hetzelfde moment voor elkaar gaan rekenen wat hulp kostte. Liv pakte haar tas en de autosleutel. Zij kon dit doen. Er was een parkeerplek bij het andere pension, had Els gevraagd. Ze gaf het adres aan Liv zonder er nog een verhaal bij te zeggen.
Daan kwam terug met de koffer en de stapel papieren. Hij had het overhemd over zijn arm gehangen. De printermunt lag nog in het bakje naast de computer. Els liet hem liggen.
‘Ik kom morgenochtend nog even langs,’ zei ze. ‘Als dat goed is. Dan weet ik of je echt goed terecht bent gekomen en regel ik de rest van je betaling.’
‘Ik moet om tien uur op die school zijn.’
‘Ruim daarvoor.’
Liv vroeg of ze dan ook mee moest. Els schudde haar hoofd, maar Daan zei dat hij het wel goed vond als zij er allebei even waren. Niet om opnieuw zijn trapbeweging na te doen, voegde hij eraan toe. Liv zei dat ze dat niet van plan was.
Buiten hield ze de autodeur tegen de wind terwijl Daan de koffer neerzette. Hij ging zitten en legde de papieren voor zich op schoot. Ze vroeg niet of hij zeker wist dat hij niets voelde van zijn elleboog. Dat had hij twee keer gezegd. Ze zei waar de gordel zat die achter het kussen was geschoven.
Onderweg hadden ze het over de school. Daan vertelde dat hij een presentatie moest geven voor mensen die wilden weten of zijn idee ook bij hen kon werken. Het was geen sollicitatie, zei hij. Daar had hij zichzelf vanmorgen een paar keer aan herinnerd om niet te hard te gaan uitleggen.
‘Maar het lijkt erop,’ zei Liv.
‘Precies. En ik ga altijd harder praten als ik weet dat ik te veel uitleg.’
Bij het pension wachtte een vrouw in de deuropening. Ze noemde Daan bij zijn naam, liet de sleutel zien en wees de parkeerplek aan waar Liv desnoods kon blijven staan. Liv ging niet mee naar boven. Ze bleef beneden tot de vrouw terugkwam en zei dat de kamer in orde was. Daan kwam zelf nog even naar de trapopening en bedankte.
‘Morgen halfnegen?’ vroeg Liv.
Hij zei ja. Zij ging naar buiten en stuurde Els dat hij er was. Het antwoord kwam terwijl zij nog in de auto zat. Goed, dank je. Daarna een tweede bericht: ik heb zeven en acht dichtgedaan.
Liv belde in plaats van te typen. Els nam op voordat de eerste toon klaar was.
‘Bram kan morgenochtend,’ zei ze. ‘Niet om iets te horen. Gewoon om te kijken.’
‘Hoe laat?’
‘Na tienen.’
Liv keek naar de tijd op haar dashboard. Ze had vanochtend gezegd dat zij een paar uur zou blijven en daarna thuis verder kon werken. Dat laatste ging nu niet meer. Haar thuiskomst had nog steeds een bed en warm water. Els moest de nacht hier zelf door.
‘Kun je vanavond Roos bellen?’ vroeg ze.
‘Dat heb ik al gedaan.’
‘Goed.’
Liv liet het antwoord staan. Ze vroeg niet of Els haar eigen stem zou opnemen als ze weer iets hoorde. Zij vroeg ook niet of Els wilde wachten tot zij morgen terug was. Ze spraken af elkaar bij het andere pension te zien. Daarna reed Liv naar huis, met de radio zo zacht dat zij de woorden niet hoefde te volgen.