Hoofdstuk 4 · 10 minuten lezen
Het kastje
Els trok in de gang de stekker van de lamp uit het stopcontact. Het verlengsnoer kwam mee tot het achter een poot bleef haken. Ze bukte, haalde het los en droeg de lamp naar acht. Achter hen werd de overloop donker. Liv liet de deur van zeven open; het bedlampje wierp een smalle baan over de vloer.
De deur van acht schuurde opnieuw over de drempel. Els moest een hand vrijmaken om hem op te tillen. Ze zei iets over die deur, gewoon geïrriteerd, en zette de lamp op de strijkplank voordat ze bedacht dat die niet stevig stond.
‘Hier,’ zei Liv.
Ze nam de lamp over. Els trok de strijkplank weg van het kastje, zorgde dat de poten niet onder een stoel bleven steken en liet hem plat tegen de wand rusten. Het geluid van de metalen vergrendeling was kort en veel harder dan ze hadden verwacht. Liv voelde het in haar borst. Els stak de stekker van de lamp in het stopcontact naast de deur en nam hem weer van haar over.
‘Dat waren wij,’ zei Els.
‘Ja.’
Het raam was dicht. Liv keek ernaar om te weten waar het was, niet omdat ze iets buiten verwachtte. Beneden op de binnenplaats lag een natte glans over de tegels. Haar fiets stond in het donker. In het glas zag ze haar eigen gezicht boven de lamp, met Els erachter.
Ze legde haar telefoon op de vensterbank en keek naar het houten kastje. De hendel zat aan de voorkant, de metalen as iets verder naar binnen. In de doos onder het kastje lag de losse klep nog op de plek waar ze hem die ochtend had gefotografeerd. Liv maakte de foto open om het te controleren. Daarna pakte ze het metaal op.
Er bleef wat droog stof aan haar vingertoppen zitten. Ze veegde het niet over haar broek. De klep had een opening die bij het asje leek te horen, en een witte verfplek op een van de randen. Binnen in het kastje zat een plek van dezelfde kleur. Ze hield de twee dicht bij elkaar zonder ze vast te zetten.
‘Kun jij die lamp hoger houden?’
Els deed het. Het licht schoof over het hout. Onder de rand zat een ingekrast pijltje. Liv moest haar hoofd scheef houden om te zien waar het naartoe wees. Ze legde de klep even in de doos terug en volgde de opening achter de hendel.
‘Dat is niet helemaal los geweest,’ zei ze. ‘Er heeft alleen iets tussen gezeten dat er nu uit is.’
‘Dat ding dus.’
‘Waarschijnlijk.’
Els hield de lamp iets verder weg toen Liv haar ogen dichtkneep. Ze stonden te dicht op elkaar om allebei goed te kunnen zien. Liv vroeg of er beneden nog een oud vel papier lag. Els trok een opgevouwen rekening uit haar vestzak, streek hem langs haar been recht en gaf hem met de lege achterkant boven.
Liv tekende eerst een lijn voor zeven, daarna de bocht. Ze had geen meetlint nodig om de twee routes te onderscheiden, al kon ze van hieruit niet door de hele buis kijken. De oude tekening en het kastje kwamen op dit punt overeen. Eén tak naar de keuken, één naar acht. Het losse plaatje hoorde te kiezen welke opening vrijbleef.
‘Zonder klep staan ze allebei open,’ zei ze. ‘Maar die in de keuken loopt gewoon tegen dat pleister aan.’
‘Dus dan hoor je van alles terug.’
‘Een holle klank. En misschien de straat of een deur op een rare plek.’
Els keek naar de kleine schets. Liv zag haar de woorden wegen en wilde niet dat ze er meer van maakte dan erin zat.
‘Dat zeg ik maar vast. Dit verklaart die opname niet.’
Els knikte. ‘Ik had ook niet gedacht dat je dat ging zeggen.’
Liv hield de klep weer bij het asje. Met het plaatje in de juiste stand sloten de twee witte verfplekken op elkaar aan. De hendel bewoog niet vrij, maar hij kon wel voorzichtig draaien. Ze voelde weerstand, wachtte en probeerde niet harder te drukken.
‘Moet je dat smeren?’ vroeg Els.
‘Nu niet. Ik weet niet waar het dan heen loopt.’
Ze wilde het niet verbouwen. Ze wilde zien hoe het had gezeten. Els hield de lamp met twee handen vast terwijl Liv de klep op haar plaats zette. Daarna draaide Liv de hendel naar de stand voor kamer acht.
Er ritselde iets in de buis. Niet het krassen van het metaal langs de as; dat was opgehouden toen ze haar hand losliet. Dit leek op een mouw die langs een muur streek.
De drie tikken klonken nu aan hun kant.
Els ging rechtop staan. Het licht op het kastje schoof omhoog en bleef op het plafond hangen.
‘Wie is daar?’
Liv luisterde naar de overloop. Ze hadden de deur open gelaten. Ze kon het donkere rechthoekje zien, verder niets.
Beneden sloeg een deur dicht.
Er was beneden niemand. De handelsreiziger was vertrokken, er waren geen andere gasten bij gekomen. Liv dacht aan de wind. Ze probeerde te bedenken welke deur door een open raam kon dichtslaan, en dacht er zo hard aan dat ze even vergat adem te halen.
Toen vroeg de vrouw uit de buis: ‘Is er iemand?’
Het klonk niet vragend genoeg voor iemand die niet wist of er een ander zou luisteren. De woorden waren wel een vraag. Liv kon niet bepalen wat haar dat verschil liet horen en wilde er niet meteen een bedoeling aan geven.
Els legde haar vrije hand op het hout.
‘Ja. We zijn hier.’
Liv keek naar die hand. Er zat dezelfde verf aan als vanmorgen, bij de snee die geen snee bleek. Ze had Els willen aankijken voordat ze antwoordde. Nu was het al gebeurd.
Er volgde een lange stilte.
Liv hoorde Els slikken. De lamp trilde een beetje in haar andere hand. Er ritselde opnieuw iets in de buis en daarna trok een zucht koude lucht langs Livs pols. De lamp knipperde niet. De deur bewoog niet. Zij had haar hand nog steeds niet naar de hendel teruggebracht.
Ze wachtten tot beneden de koelkast aansloeg.
Els zette de lamp op de vensterbank. Ze bleef ernaast staan, alsof ze moest bijkomen van het gewicht. Liv keek naar het plaatje dat nu op de as zat. Ze wilde niet nog een keer draaien. Het was geen knop waaruit zij een volgend antwoord moest halen.
‘Blijf je vannacht?’ vroeg Els.
Liv dacht aan kamer zeven. Haar tas lag daar open op het bed; haar telefoon lag hier op de vensterbank, met het scherm inmiddels zwart.
‘Hier niet.’
Els trok de stekker uit het stopcontact naast de deur, pakte de lamp en liep zonder te antwoorden naar de overloop. Liv volgde. Ze lieten de hendel in de stand staan waarin hij stond. De overloop kreeg zijn licht terug toen Els de stekker in het stopcontact deed. Het was bijna gênant hoe opgelucht Liv was toen de trap weer gewoon te zien was.
In zeven stopte ze de schijf in het gevoerde vak van haar laptoptas. Ze liet haar werkopstelling niet open op tafel staan. De recorder ging mee, de telefoon ook. Ze pakte een trui van het bed en kwam met haar armen vol de trap af.
Els had de deur naar haar woonkamer opengezet. De kamer lag achter de ontbijtruimte, met een brede bank onder een plank boeken. Op een stoel lag een vest dat Els naar een andere stoel verplaatste. De salontafel schoof ze opzij om de bank vrij te maken.
‘Daar kun je wel op. Ik haal een laken.’
‘Ik kan ook naar huis.’
Els keek op. ‘Nu?’
Liv keek naar de klok op de muur. Ze zou de fiets naar het station moeten pakken en kijken welke trein er nog reed. Thuis stond misschien nog gereedschap op de overloop. Ze wilde niet midden in de nacht aan de buurvrouw gaan uitleggen waarom ze terug was.
‘Nee,’ zei ze. ‘Niet handig.’
‘Je mag best gaan. Ik maak die bank alvast op. Dan kun je nog kiezen.’
Els was alweer onderweg naar de kast. Liv zette haar spullen naast de bank en trok de schoenen uit die ze net had aangetrokken. De ene zool had een droog stukje verf meegenomen. Ze hield haar voet boven haar hand, maar het viel al op het tapijt.
Toen Els terugkwam, bukte ze om het op te rapen. Liv zei dat ze het zelf wel deed.
‘Je hebt je handen vol,’ zei Els.
Ze legde het lakentje op de bank en nam het stukje mee naar de keuken. Het dekbed zat niet in een hoes; ze kwam terug met beide delen en wist kennelijk al dat ze die niet alleen midden in de kamer om elkaar moest gaan vouwen. Liv pakte de twee bovenste hoeken. Samen schudden ze de hoes eroverheen.
‘Wacht, ik pak deze kant,’ zei Liv toen Els naar het verkeerde uiteinde greep.
‘Dan heb jij de knopen.’
Ze maakten de bank op. Els zette een glas water naast de lamp en bleef zelf in de leunstoel zitten. Ze had zich niet omgekleed. Haar nachthemd zat onder het open vest, haar voeten stonden naast elkaar op de pantoffels. Liv zag nu dat één sok maar iets hoger was opgetrokken dan de andere. Ze hadden wel dezelfde kleur.
‘Je hoeft niet wakker te blijven,’ zei Liv.
‘Dat lukt toch even niet.’
Liv kroop onder het dekbed, maar bleef rechtop zitten. Els wees op een kussen dat niet voor slapen bedoeld was en vroeg of zij er een ander bij moest halen. Liv zei nee. Ze had nog niet geprobeerd erop te liggen.
Een tijdlang praatten ze over de verbouwing. Els had de keuken negen jaar geleden laten doen en kon de namen van de meeste werklieden niet meer terugvinden, vertelde ze. Eén loodgieter had nooit rekeningen gestuurd. Niet meteen tenminste; hij stuurde ze samen vlak voordat zij dacht dat het misschien bij de aanneemsom hoorde.
‘Dat lijkt me vervelender dan een late rekening alleen,’ zei Liv.
‘Ja. Ik had het al aan een koelkast uitgegeven.’
Liv vertelde over de uren op haar dakrekening. Els vroeg of ze al had gebeld. Ze zei nee, eerst wilde ze het werk af zien. Ze wilde niet dat de mannen op haar dak moesten klimmen terwijl zij net ruzie had gemaakt over de prijs.
‘Ze gaan je niet expres een gat laten houden.’
‘Dat weet ik.’
‘Ik vroeg ook niet of je het wist.’
Liv trok het dekbed hoger. Buiten was het een tijdje stil geweest. Nu reed er een voertuig voorbij, zwaar genoeg om de glazen in een kastje licht te laten rammelen. Els keek niet op. Ze zocht de afstandsbediening, legde hem weer neer en vroeg of Liv iets op televisie wilde.
‘Liever niet.’
‘Ik ook niet.’
Ze spraken over de interviews, maar niet lang. Els wilde weten of de mensen betaald kregen om hun verhaal te doen. Liv wist dat niet van alle oorspronkelijke opnamen. Zij werd betaald om ze weer bruikbaar te maken, zei ze. Els vroeg niet of ze van de stem boven ook een bruikbaar verhaal kon maken.
Tegen vijf uur kon Liv de laatste zin die Els had gezegd niet meer terughalen. Ze was over haar eigen dak begonnen en hoorde zichzelf halverwege stoppen. Els draaide de lamp wat van haar gezicht af. Liv ging eindelijk liggen. Het kussen was te plat, maar toen ze haar hand eronder schoof, hoefde ze niet meer te bedenken wat ze wilde zeggen.