Hoofdstuk 27 van 310%

Selecteer een woord of zin in de leestekst en kies wat je ermee wilt doen.

Hoofdstuk 27 · 14 minuten lezen

Waar je staat

Liv hoorde Els zeggen dat ze iemand zag. Het klonk als een vraag.

‘Ja,’ antwoordde een mannenstem vanuit de kamer. ‘Ik zie u ook.’

De brandweerman bij de deur keek op toen Liv bewoog. Hij wees naar de kant waar ze kon blijven staan. Er lag nu een tas op de overloop die er daarnet nog niet had gelegen. Een ander kwam de trap op. Ze maakten ruimte zonder tegen elkaar te botsen, met korte woorden en een hand die de ander even tegenhield. Liv hield haar armen langs haar lichaam. Ze had de neiging steeds iets aan te nemen wat niemand haar aangaf.

Er werd weer met Els gesproken. De stem bij het raam klonk anders dan door de deur, maar het waren gewone vragen, beantwoord door dezelfde hijgende stem op de vloer. Liv kon niet zien wat er gebeurde. Ze hoorde het hout verschuiven en Els opnieuw een kreet geven, gevolgd door een verontschuldiging.

‘Daar hoeft u geen sorry voor te zeggen,’ zei iemand.

De deur bewoog een klein stukje. Liv deed onwillekeurig een stap naar voren.

‘Blijft u even daar.’

Ze bleef staan. Er werd overlegd, niet gefluisterd. Een stoel werd neergezet. De klank was herkenbaar: vier poten die niet tegelijk de vloer raakten, eerst één, toen twee kort na elkaar. Liv zag voor zich hoe ze boven het hout hadden gedraaid om het langs de deur te krijgen. Ze kon niet weten of dit diezelfde stoel was. Dat hinderde haar opeens verschrikkelijk, het niet kunnen koppelen van wat ze hoorde aan een ding dat ze zelf gezien had.

De deur kon verder open. Ze zag eerst een strook vloer, daarna de onderste rand van de tegenoverliggende wand. Een man stond gebogen in de kamer. Toen hij naar links stapte, kwam Els in het zicht.

Ze zat op de vloer met haar rug scheef tegen iets wat Liv niet helemaal zag. Haar haar was uit het losse staartje geraakt en plakte op haar wang. Eén been lag verkeerd tussen het hout. Liv keek niet verder toen ze Els’ gezicht zag. Haar mond stond open, alsof ze vergeten was hem na het antwoord weer dicht te doen.

‘Els.’

Els draaide haar hoofd niet meteen.

‘Ik sta hier. Bij de deur.’

De man in de kamer volgde haar blik. Hij zei iets tegen Els en boog zich weer naar haar toe. Liv kon haar nu zien, maar dat betekende niet dat ze naar haar toe kon gaan. Er lag nog een frame over de vrije strook vloer. Ze bleef tegen het kozijn staan, haar vingers om de rand.

Uit het kastje kwam haar eigen stem.

‘Wacht maar even. Ik kom zo.’

Liv voelde de woorden eerder in haar mond dan in haar oren. Ze had haar lippen niet bewogen. Haar keel was droog, ze had op haar tong gebeten bij het opstaan. Toch klonk de laatste lettergreep zoals ze haar eigen opgenomen stem kende, een beetje te laag, van iemand die er altijd al was geweest.

Els keek naar het kastje. Haar gezicht trok samen.

‘Liv?’

‘Hier.’

Liv hief haar hand. Een kinderachtig gebaar, dacht ze meteen, maar Els keek nu wel haar kant op. Tussen hen stond een echte man met een donkere mouw en een hand op zijn knie. Hij keek even naar de wand, toen terug naar Els.

‘Kijk naar mij,’ zei hij rustig. ‘We zijn hier al.’

Els’ ogen schoten nog eenmaal naar het hout bij de deur. Liv zag haar hand erheen gaan, een klein stukje, de vingers half opgetild. Toen trok ze hem terug en legde hem op haar schoot.

‘Goed,’ zei ze, maar ze keek niet naar Liv. Ze keek naar de man voor haar. ‘Zeg maar wat ik moet doen.’

Liv drukte haar tanden op elkaar. Ze wilde vragen of de anderen het gehoord hadden. Het was een dringende, beschamende aandrang, bijna even sterk als de behoefte om Els’ gezicht vast te blijven houden. Iemand die het ook had gehoord zou later zeggen dat ze er echt had gestaan, dat de woorden niet uit haar mond waren gekomen.

De man bij de deur vroeg haar of ze iets achteruit kon.

Ze stapte achteruit.

Er klonk geen volgende zin uit het kastje. Ze moest het niet als een antwoord gaan horen, die stilte. In de kamer werd gepraat, Els telde een keer hardop mee en stopte weer. Liv keek naar het raam op de overloop, naar de streep op de vloer waar ze haar voeten kon zetten zonder in de weg te staan.

Roos kwam naar boven. Haar haar was in de wind uit haar nek gewaaid. Ze bleef naast Liv staan en keek door de opening.

‘Ze zien haar nu,’ zei Liv.

‘Ja.’

Roos streek met haar hand langs de koude wand. Ze droeg geen jas. Liv had haar jas beneden zien hangen en vroeg of ze hem zou halen.

‘Straks.’

Ze stonden een poosje naast elkaar. Roos vroeg niets over de stem. Misschien had ze hem buiten niet gehoord. Misschien had Liv hem niet zo hard horen klinken als ze zich herinnerde. De mogelijkheid voelde als een gat onder het gewone werk van de mensen in de kamer. Ze keek niet of iemand anders er ook naar keek.

Toen Els werkelijk vrij was, zag Liv het aan de manier waarop haar schouders veranderden. Niet ontspannen; haar hele lijf trok juist kort samen. Ze stootte lucht uit door haar neus en begon te vloeken. Roos legde een hand tegen haar eigen mond en liet hem weer zakken.

‘Dat is ze,’ zei ze heel zacht.

Liv had willen lachen. Het lukte niet.

Ze mochten dichterbij toen er ruimte voor was. Liv moest over een losse stoel heen stappen en stopte op aanwijzing bij de muur. Op de vloer lagen de stoelen niet meer in de vorm waarin ze gevallen waren. Twee stonden apart, een ander lag op zijn rug. De donkere dwarsbalk was zichtbaar, onverschillig hout met een afgesleten hoek. Het onderste deel van Els’ broek was opzijgeschoven. Liv zag een rode plek en keek naar haar gezicht.

‘Hoi,’ zei ze.

Els schoot vol. ‘Ik dacht dat je al—’

Ze maakte het niet af. Liv knielde waar ze kon zitten zonder iemand te raken.

‘Ik was in zeven.’

Els knikte. Haar lippen trilden. Iemand stelde haar een vraag en ze gaf antwoord met een stem die weer kleiner werd. Liv wachtte tot het gesprek klaar was.

‘Ik had moeten wachten,’ zei Els toen.

‘Dat doen we straks.’

‘Ik deed het niet alleen.’

Liv voelde Roos naast zich verstijven.

‘Ik weet het,’ zei ze, hoewel ze nog niet precies wist wat Els bedoelde.

Els keek haar aan. ‘Je zei dat je die kant pakte.’

De woorden haalden het laken van gisteren naar voren, haar eigen hand onder de stof, Roos die de stoel uit de weg schoof. Ze had het gezegd. Niet hier, niet nu. Ze had net zelf de rits van haar koffer vastgehad.

‘Ik stond niet achter je,’ zei ze.

‘Dat weet ik nu.’

Het klonk niet verwijtend. Dat was erger. Liv knikte en liet Els’ hand los toen die nodig was voor iemand die haar onderzocht. Ze ging staan omdat er naar een deken werd gevraagd. Beneden lag er een boven op de wasmand. Ze haalde hem en kwam de trap op alsof het een veel te kostbaar ding was om tegen de leuning te laten komen.

Bij de deur stond Bram. Hij had een paar losse spullen van de vloer gepakt die in de weg lagen voor de verdere hulp. Liv zag een donker kastje in zijn hand, een opgerold snoer dat half loshing. De zilveren strook langs de zijkant was afgesleten.

Hij wees met zijn hoofd naar het lage plankje onder het houten kastje aan de muur.

‘Deze stond daar.’

Liv keek ernaar. De plek was nu leeg. Ze zag het stof op de plank, een afdruk van de voetjes. Haar blik ging naar de koffer in zeven, aan de andere kant van de overloop. Haar eigen recorder lag daarin. Dit was de andere, degene op tafel, degene die in de tas had gezeten volgens Els.

‘Leg hem beneden,’ zei ze.

‘Bij de rest?’

‘Ja. Uit.’

Bram keek naar het donkere scherm en nam het snoer in zijn andere hand. Hij maakte er geen punt van.

Els ging mee voor verder onderzoek. Dat besluit werd in gewone zinnen uitgesproken, met vragen aan haar en antwoorden die Liv niet hoefde te geven. Ze kon niet staan alsof er niets was gebeurd, haar pijn bleef en niemand kon in dit kamertje zien wat er precies aan de hand was. Roos vroeg of ze meeging. Els wilde haar erbij.

Liv ging naar beneden om de blauwe tas te halen. Hij stond in de zitkamer naast een stoel. Ze hoefde er niet in te kijken. Ze pakte hem aan de beide handvatten en droeg hem de gang in. Het voelde vernederend om naar de buitenkant te kijken, alsof ze hem op een leugen kon betrappen.

Bram legde de recorder op het dressoir, naast de werkbon die hij zelf had ingevuld. Liv vroeg hem of hij het huis kon afsluiten als de mensen weg waren. Els hoorde het en gaf toestemming. Ze zei waar de sleutel was. Ze wist het meteen, zonder te zoeken.

Het vertrek ging niet snel en niet traag. Er moest ruimte worden gemaakt, iemand moest even terug voor iets, de deur kon pas dicht als er niemand meer doorheen hoefde. Liv stond buiten met de tas. De buurman aan de overkant was verdwenen. Op het trottoir lag een kleine natte plek waar eerder een bloempot had gestaan. Er was geen groep nieuwsgierige mensen blijven kijken.

Roos kwam naast haar staan.

‘Ik ga mee,’ zei ze. ‘Kun jij straks rijden?’

‘Ja.’

‘Niet achter ons aan haasten.’

Liv knikte. Roos keek haar nog een tel aan voordat ze wegliep.

Bram kwam naar buiten toen Liv naar haar auto ging. Hij had zijn jas weer aan. Het werkstof zat nog op zijn broek.

‘Ik bel je als alles dicht is.’

‘Dank je.’

‘Morgen overleggen we even. Ik ga nu niets meer aan die wand doen.’

‘Nee.’

Hij tikte met de sleutel tegen zijn handpalm en liep terug. Liv ging achter het stuur zitten. Ze legde de blauwe tas op de achterbank en bleef een moment met haar handen in haar schoot zitten. Toen stelde ze de route in. Ze kende de grote weg, maar niet de laatste afslag naar de ingang waar ze moest zijn.

De rit had verkeerslichten. Dat vond ze later het vreemdste om zich te herinneren: dat ze had moeten stoppen, iemand had laten oversteken, achter een auto had gewacht die te laat doorhad dat het groen was. Haar telefoon lag vast in de houder. Er kwam een bericht van Bram dat hij had afgesloten. Ze las alleen de eerste woorden op het scherm en keek weer naar de weg.

Bij de ingang vroeg ze waar ze moest zijn. Iemand wees. Ze liep met de tas door een gang waar de vloer glom en de lucht naar koffie en zeep rook. Roos stond bij een automaat. Ze hield twee bekers vast, één in elke hand.

‘Ze is daar. Er wordt nog gekeken.’

Liv nam een beker aan. De koffie was te heet. Ze ging naast Roos zitten en zette de tas tussen haar voeten.

Een televisie hing zonder geluid in de hoek. Het onderschrift van een nieuwsbericht schoof onder een pratend hoofd door. Liv keek weg. Roos nam haar eerste slok en trok een gezicht.

‘Wat goor.’

‘Ja.’

‘Waarom drink ik dit toch altijd op?’

‘Het is warm.’

Roos keek in haar beker. ‘Dat zal het zijn.’

Liv wilde vragen of ze nog boodschappen nodig had, of Els morgen bij haar kon blijven, of ze iets moest regelen met de bakkerij. Ze stelde geen van die vragen meteen. Roos had de beker nog niet leeg.

‘Zondag, met die stoel,’ zei Liv na een poos.

Roos keek haar aan. ‘Wat is daarmee?’

‘Jij dacht dat ik je negeerde.’

‘Ik weet niet meer wat ik toen dacht.’

‘Ik wil niet weer over dat geluid beginnen.’

‘Doe dat dan ook niet.’

Liv knikte. Het was geen afwijzing van wat er gebeurd was. Het was een vrouw op een stoel met koude koffie, wier vriendin aan de andere kant van de deur lag. Liv drukte haar knieën tegen elkaar. Ze had het ineens koud.

Later konden ze bij Els. Er was onderzocht wat nodig was. Een arts legde uit dat er geen breuk was gezien, maar dat de pijn en zwelling wel hersteltijd vroegen. Els kreeg aanwijzingen mee over wat ze mocht doen en wanneer ze opnieuw contact moest opnemen. Roos luisterde, stelde een vraag over de trap en vroeg om de uitleg op papier. Liv stond aan het voeteneind met Els’ jas over haar arm.

Els keek naar de vloer.

‘Ik kan toch naar huis?’

‘Vandaag bij mij,’ zei Roos.

‘Dat bedoel ik niet.’

‘Ik weet het.’

De arts vroeg hoe ze thuis zou kunnen rusten en wie er aanwezig was. Els antwoordde zelf. Ze woonde beneden. Er was geen noodzaak om naar de bovenverdieping te gaan. Het huis was nu dicht, er zou worden gewerkt, ze kon bij haar vriendin zijn. Liv zag haar haar eigen mogelijkheden op een rij zetten, niet graag, maar nauwkeurig.

Toen ze weer met drieën waren, zei Els dat het haar speet van de middag. Roos trok haar sjaal uit haar jas en vouwde hem dubbel.

‘Je hoeft niet alles tegelijk te bespreken.’

‘Ik wil het zeggen.’

‘Goed.’

Els keek van Roos naar Liv. ‘Ik hoorde jou. Dat was waarom ik bleef staan. Ik had die bovenste stoel nog vast, hij schoof tegen de andere aan. Ik wilde hem terugzetten. Toen zei je: wacht, ik pak deze kant.’

Liv knikte niet. Ze wachtte.

‘Ik zag je niet. Ik dacht dat je zo achter me kwam. Ik was al even niet naar de deur aan het kijken.’ Els kneep haar lippen samen. ‘En toen ging het hele stel. Niet alleen die ene.’

Roos zat heel stil.

‘Daarna hoorde ik je weer. Bij het kastje. Dat ik moest wachten.’

Liv zag haar hand weer omhooggaan op de vloer. Het kleine gebaar dat niet om hulp had gevraagd, maar om nog een tel te blijven liggen.

‘Ik zag die man,’ zei Els. ‘Maar ik hoorde jou. Ik vond het bijna onbeleefd om iets anders te doen.’

Ze keek nu recht naar Liv.

‘Dat slaat nergens op.’

‘Je hebt naar hem gekeken.’

‘Uiteindelijk wel.’

Er klonk een kar in de gang. Iemand lachte achter een balie. Els trok haar been een klein stukje terug en hield toen meteen op. De pijn verdween niet als ze iets anders zei.

‘Bram heeft de recorder gevonden,’ zei Liv.

Els deed haar ogen dicht.

‘Ik had hem gisteren daar gezet.’

‘Toen je de lakens ging halen?’

Els knikte. ‘Ik dacht: ik neem hem straks wel mee.’

‘En toen zei je dat hij in de tas zat.’

‘Ja.’

Liv keek naar de blauwe tas bij de stoel. Ze hoefde niet te vragen waarom. Misschien kon Els het nu zelf niet zeggen. Ze wist alleen dat ze het antwoord had willen horen en het had aangenomen.

‘Hij is beneden,’ zei ze. ‘Bram heeft hem beneden neergelegd. Hij staat uit.’

‘Hij stond niet aan toen ik de stoelen deed.’

‘Dat vroeg ik niet.’

Els sloeg haar handen over elkaar. ‘Ik weet het.’

Roos stond op. ‘We moeten straks nog thuis zien te komen. Anders zitten we hier tot ik aan mijn volgende dienst moet beginnen.’

Ze zei het met een scheve glimlach, niet alsof ze werkelijk haast had om Els te laten opstaan. Liv pakte de jas. Ze hield hem open en wachtte tot Els had gezegd welke arm eerst kon. Het was een onhandige beweging met z’n tweeën. De voering bleef achter een knoop haken. Els begon te lachen en zei dat ze zo nog eerder haar schouder eruit zouden trekken dan de deur openkrijgen.

Liv maakte de stof los. Roos keek toe met een hand op de tas, klaar om hem over te nemen.

Buiten stond de auto waar Liv hem had geparkeerd. Ze liep er eerst alleen heen om hem dichterbij te zetten. Toen ze terugkwam, zaten de twee vrouwen naast elkaar bij de uitgang. Roos zei iets tegen Els, boog zich voorover en wachtte op haar antwoord. Liv hoorde de woorden niet. Ze liep naar hen toe om de jas recht te trekken waar die onder Els gevouwen zat.

Hoofdstukken

Kamer zeven luistert

  1. 01De kamer10 minuten
  2. 02Aan de andere kant10 minuten
  3. 03Twaalf minuten8 minuten
  4. 04Het kastje10 minuten
  5. 05De rits10 minuten
  6. 06Zonder tekst erbij11 minuten
  7. 07Terug voor één dag12 minuten
  8. 08De verkeerde verdieping12 minuten
  9. 09De lege tafel11 minuten
  10. 10Overdag open13 minuten
  11. 11Wat ik niet heb gezegd18 minuten
  12. 12De logeerkamer11 minuten
  13. 13Een boodschap12 minuten
  14. 14Twee mensen in huis11 minuten
  15. 15Het trapje11 minuten
  16. 16Niet wat ik zei10 minuten
  17. 17Een ademhaling13 minuten
  18. 18Stoelen op de gang11 minuten
  19. 19Voor andere oren15 minuten
  20. 20Wat er thuis staat11 minuten
  21. 21Het dichtgemaakte eind13 minuten
  22. 22Een eigen opname11 minuten
  23. 23Voor het werk begint11 minuten
  24. 24Twee, vijf en negen10 minuten
  25. 25Met de deur open12 minuten
  26. 26Beneden11 minuten
  27. 27Waar je staatJe leest nu14 minuten
  28. 28Los van de muur12 minuten
  29. 29De eerste avond elders11 minuten
  30. 30Wat wordt opgeleverd10 minuten
  31. 31Acht kamers10 minuten

Leesinstellingen

Kies wat voor jouw ogen prettig leest.

Tekstgrootte
100%

Leesgereedschap

Mijn leesnotities

Alleen in jouw browser. Ook opgenomen in je boekenplank-back-up. Maximaal 2000 tekens.

Mijn bladwijzers

Gebruik het bladwijzericoon naast een alinea om een stukje terug te vinden.

FABLIVA

Vind je volgende verhaal

Zoek op titel, onderwerp of genre.

FABLIVA

Een idee of iets dat beter kan?

Help ons Fabliva mooier te maken. Een account is niet nodig.

Je bericht gaat per e-mail naar hello@fabliva.com. We gebruiken het alleen om je feedback te behandelen. Vul je een e-mailadres in, dan kunnen we reageren.

Liever via e-mail? hello@fabliva.com
FABLIVA

Je verhalen, een tik dichterbij.

Zet Fabliva op je beginscherm. Je kunt hier ook gewoon verder lezen.

Je offline boeken

Bewaarde boeken staan op dit apparaat. Je kunt per boek ruimte vrijmaken; je leesplek en notities blijven bewaard.

Boektaal: Nederlands

Verder in de nieuwe editie

Neem je leesplek en passende bladwijzers over. De eerdere editie, leesplek en notities blijven bewaard.

Wat betekent dit woord?

De korte verklaringen en vertalingen hieronder staan op je apparaat en werken ook offline.

Dit opent een externe website met alleen het gekozen woord. Er gaat geen zin of boektekst mee.

Laat dit hoofdstuk voorlezen

Kies een stem en luister eerst naar een korte proef. De beschikbare stemmen verschillen per apparaat.

Bij een online stem ontvangt de spraakdienst de tekst die je laat voorlezen. Lokale stemmen verwerken deze op je apparaat.