Hoofdstuk 10 · 13 minuten lezen
Overdag open
Bram stond in de hal met een kleine gereedschapstas. Hij had zijn jas nog aan en veegde zijn schoenen op de mat zonder ernaar te kijken. Op zijn mouw zat een witte streep die bij de elleboog ophield. Hij gaf Els een hand en knikte naar Liv.
‘Jij had iets opgenomen.’
Liv keek naar Els. Die stak een hand op.
‘Ik heb gezegd dat je een opname had. Niet dat je hem nu ging laten horen.’
‘Dat hoeft voor mij ook niet meteen,’ zei Bram. ‘Laat eerst maar zien waar het zit.’
Els liep met hem naar de keuken. Liv legde de tekening op tafel en ging niet tussen hen in staan. Bram keek naar de hoek boven de voorraadkast. Hij vroeg of de kast losstond. Els zei ja, maar er zat meer in dan maandag. De pasta lag nog op dezelfde plank.
Ze haalden het bovenste deel leeg voordat ze de kast verplaatsten. Bram zette zijn tas niet op de eettafel maar eronder. Liv pakte twee zakken meel; één zak was al open, dus hield ze hem tegen haar lijf met de opening van zich af. Els haalde de potten eruit en zette ze bij elkaar op het aanrecht.
‘Waar kwam je voor?’ vroeg ze aan Bram. ‘Ik had eerst alleen die deur gevraagd.’
‘Die loopt niet weg.’
‘Hij gaat juist niet goed open.’
Bram keek haar aan en glimlachte pas toen zij het ook deed. Hij vroeg of Liv aan de andere kant van de kast wilde vasthouden. Ze kregen hem zonder gerammel van de muur. Het ronde pleisterstuk kwam weer tevoorschijn, lichter dan de verf eromheen.
‘Dat is dicht,’ zei Bram.
‘Ja,’ zei Liv.
Hij bukte, keek langs de rand en raakte het oppervlak met twee knokkels aan. Het was geen luikje dat je met een mesrand los kon wippen. Els vertelde wanneer de keuken gedaan was. Bram vroeg of het bovenste plafondvak toen ook was vernieuwd.
‘Volgens mij niet. Ze hebben alleen die kabel er later nog doorheen getrokken.’
Boven de kast zat een rechthoekige inspectieplaat met schroeven op de hoeken. De rand was met dezelfde verf als het plafond meegeschilderd. Liv had hem maandag gezien zonder hem als iets anders dan een vlakke plaat te onthouden.
Bram haalde een trapje uit zijn auto. Hij zette het niet op de schuine tegel bij de deur; hij verschoof het tot alle poten goed stonden. Els bleef er niet onder staan. Ze pakte de potten op die nog in de weg stonden en gaf er twee aan Liv.
De plaat kwam niet zomaar los. Bram sneed de verf langs de rand voorzichtig vrij en draaide de schroeven eruit. Hij hield ze in zijn hand tot hij beneden was en legde ze in een bakje uit zijn tas. Liv moest denken aan het losse klepje in acht. Niet ieder los onderdeel was iets dat iemand voorgoed vergeten had.
Achter de plaat liep een smal vak met leidingen. Geen ruimte waar een mens in kon. Bram scheen met een lamp langs een metalen buis, volgde hem tot een aansluiting en vroeg om de tekening. Els hield die omhoog, maar hij kwam eerst weer van het trapje af.
‘Die maakt hier zijn bocht. En dan deze kant op. Daar hoort die splitsing bij.’
Hij tekende niet op het oude papier. Hij wees in de lucht en liet hen om de beurt kijken vanaf het trapje. Liv zag het bereikbare verbindingsstuk, de aftakking die naar de oude keukenopening liep en de route die verder ging. Zij zou van dit ene zicht niet weten waar ieder stukje achter de wand eindigde. De tekening gaf de richting, geen zekerheid over een hele onzichtbare leiding.
Bram maakte een foto met zijn telefoon.
‘Voor straks,’ zei hij. ‘Dan weet ik wat ik bij me moet hebben als ik hier iets aan moet doen.’
Hij maakte er nog één van de plaat voordat hij zijn telefoon terug in zijn tas legde. De opening bleef voorlopig vrij. De voorraadkast stond opzij; de deur ervan had Els dichtgedaan zodat niemand er met een schouder tegenaan kon lopen.
‘En boven?’ vroeg Bram.
Els pakte de sleutel van acht. Ze liet de tekening op tafel liggen. Liv liep achter hen de trap op. Bram zei niet dat de trap gevaarlijk was toen hij de bocht nam. Hij zette zijn voeten op de brede kant, zoals Els altijd deed.
Boven opende zij acht met de gewone kleine beweging aan de klink. De deur schraapte over de drempel.
‘Die zakt,’ zei Bram.
Hij keek langs de scharnieren en hield de deur op verschillende standen stil. De schuurplek zat niet op een onzichtbare plek; er was een lichte rand waar de verf dunner was. Hij vroeg of de deur eerder zo had gelopen.
‘Ja,’ zei Els. ‘Het is alleen makkelijker om hem omhoog te trekken dan om jou te bellen.’
Bram trok niet meteen iets los. Hij bekeek de schroeven en schreef in zijn telefoon een maat op. Els vroeg of hij nu iets aan de onderkant af kon halen. Hij zei dat hij eerst wilde weten wat er aan het scharnier moest gebeuren.
‘Anders haal ik iets van je deur af en komt hij straks weer goed te hangen. Dan heb je onderaan een ander probleem.’
In de kamer schoof Els de strijkplank een eind opzij. Bram bleef bij de deur totdat zij ruimte had gemaakt. Het nest stoelen stond aan de rechterwand, buiten de draai van de deur. Hij keek naar de verschillende poten die niet helemaal in elkaar pasten.
‘Gaan die nog gebruikt worden?’
‘Soms. Die daar is eigenlijk te zwaar.’
Els wees naar het donkere frame. Bram bukte zonder eraan te trekken. Een lichte stoel zat er met één poot tussen. Hij raakte de gebarsten rubberdop aan, keek naar het materiaal eronder en maakte een foto van de stapel.
‘Als je dit wilt verplaatsen, eerst even los van elkaar. Dit til je niet lekker als één ding. Ik wil wel weten wat hier staat voordat ik beloof dat ik alles in een uur leeg heb.’
‘Ik vroeg nog niet of je alles leeg zou maken.’
‘Nee. Maar straks blijkt er iets achter te zitten en vraag je het toch.’
Els keek naar de wand. Er zat geen kastje achter de stoelen. Het houten kastje stond naast de deur, bereikbaar vanaf de vrije ruimte. Liv zag Bram de foto's bewaren en zijn telefoon wegsteken. Zij hoefde hem niet te vragen ook iets van de binnenplaats te maken om te weten dat er een raam was.
Hij keek er zelf naar. Hij controleerde of de hendel dichtzat, maakte hem open en duwde het raam een stukje naar buiten. Er kwam koude lucht binnen. Beneden lag de broodkrat van maandag niet meer naast de achterdeur. Bram sloot het raam en vroeg of het naar buiten draaide toen het opengewaaid was. Els liet de stand zien; hij zei dat de sluiting niet goed vast had gezeten, maar er nu wel op zat.
Bij het kastje hield Bram zijn lamp lager. Liv gaf hem geen gereedschap dat hij niet vroeg. Zij vertelde wat zij maandag op hun foto's hadden gezien en wat zij daarna hadden teruggezet. Bram keek naar het asje, de plaat en de hendel. Hij vroeg of de klep los in die doos had gelegen. Liv liet de eerdere foto zien.
‘Daar dus.’
‘Ja.’
Hij draaide de hendel niet meteen. Hij keek eerst naar het pijltje en naar de richting waarin de plaat nu stond. Liv zei dat zij de stand voor acht had gekozen. Bram wees op de aansluiting in het kastje.
‘Dat is in elk geval die kant. Zonder dat plaatje kun je die andere tak er niet buiten houden. Dan heb je een stuk leiding naar een dicht eind dat gewoon mee kan klinken.’
‘Dat zei zij ook,’ zei Els.
Bram keek naar Liv. Ze had niet nodig dat hij bevestigde dat zij gelijk had gehad, maar ze was toch opgelucht dat hij hetzelfde zag. Het maakte de andere dingen niet duidelijker.
Ze spraken af iets gewoons te proberen. Geen opname, geen zin die iemand moest raden. Bram bleef boven en zou zeggen waar hij stond, terwijl zij beneden luisterden. Eerst wilde hij dat Liv in zeven de bedrand liet zien. Zij opende de kamer. Bram bekeek het rooster zonder aan de schuif te trekken. Zij had er maandag de verf af geduwd en de krakende rand was nog te zien.
Hij vroeg waar haar recorder had gestaan. Ze wees de plek aan. Hij zei niet dat daar geen stem opgenomen kon zijn. Hij zei dat hij de bron daarvan niet kon bepalen door naar een plek op een bed te kijken.
Els ging als eerste naar beneden. Liv bleef even in zeven om de sleutel uit de deur te nemen en liep achter haar aan. In de keuken stonden de potten nog op het aanrecht. De inspectieplaat lag naast Brams tas. Els deed de deur van de keuken open naar de ontbijtruimte, zodat zij ook de gewone route door het huis konden horen.
Van boven klonk Brams stem. Hij zei dat hij nu in acht stond. Het klonk gedempt en zonder gezicht; toch zat er niets geheimzinnigs in. Liv hoorde tegelijk een tik van een schoen op de vloer. Hij riep nogmaals, deze keer duidelijk van de deur af.
Els keek naar het plafond. ‘Daar kun je dus wel van alles denken.’
‘Hij zegt nu wat hij doet,’ zei Liv. ‘Dat is ook een verschil.’
Bram kwam naar beneden en vroeg hoe het klonk. Els zei dat zij hem door het huis hoorde en langs het open plafondvak iets dichterbij. Het pleisterstuk achter de kast was stil gebleven, voor zover zij dat had kunnen onderscheiden. Bram zei dat geluid niet netjes op de route bleef die op een oude tekening stond. Een aansluiting, metaal tegen hout, een open stukje boven een plafond: je kon je snel in een afstand vergissen.
‘Kun je het dan dichtmaken?’ vroeg Els.
‘We kunnen dat hele oude systeem buiten gebruik stellen als je het niet wilt houden. Bereikbaar los, uiteinden netjes afzonderlijk dicht. Maar eerst moeten we hier en boven ruimte hebben. Dat doe ik niet half tussen spullen door omdat je vandaag van dat geluid af wilt.’
Els keek naar de kast, die met één poot op de voeg tussen twee tegels stond. Ze zette hem niet alvast terug. Ze vroeg wat hij daarvoor nodig had en wanneer hij kon. Bram zei dat hij de maten mee zou nemen, het werk zou beschrijven en haar een prijs zou geven. De deur hoorde bij hetzelfde bezoek, als hij er toch aan werkte. Hij moest de volgorde weten voordat hij iets bestelde.
‘Ik wil niet opnieuw laten pleisteren voordat ik weet of alles weg moet,’ zei Els.
‘Dat lijkt me verstandig.’
Hij liep naar de gang om de maat van de kastdeur op te schrijven. Liv en Els bleven aan het aanrecht staan. De deur van de voorraadkast was dicht. Ze konden het pleisterstuk erachter zien omdat de kast nog niet terug stond. Liv keek naar de potten die weer naar binnen moesten. Ze wilde haar handen ergens voor gebruiken, maar niet net onder de opening in het plafond gaan staan schuiven.
Els pakte een doek en vouwde hem op. Toen hield zij hem stil tussen haar handen.
‘Kun je even boven komen?’
De stem kwam van de kant van de leiding, hoger dan hun hoofden. Het was Els’ stem. Niet uit de mond waar Liv naar keek. Haar lippen bleven gesloten; haar keel bewoog toen ze slikte.
Liv zette de pot die zij had vastgepakt terug. Hij tikte tegen een andere pot. Els keek niet naar het plafond, maar naar haar.
‘Ik was het niet.’
‘Dat zag ik.’
Er kwam niets achteraan. Geen zachter geroep, geen gelach. Bram stond in de gang. Hij draaide zijn hoofd toen Liv hem riep.
‘Ben jij nog boven geweest?’
‘Nee. Ik sta hier.’
Hij kwam tot de deuropening en zag dat zij allebei stil bij het aanrecht stonden. Els pakte de doek anders vast. Liv merkte dat zij niet wist hoe ze het moest uitleggen zonder eerst hetzelfde gesprek over een stem en een plaats te voeren.
‘Er klonk een stem boven ons,’ zei ze. ‘Zoals Els. Terwijl ik naar haar keek en zij niets zei.’
Bram keek naar Els. Zij knikte. Hij vroeg niet om het nog een keer te laten gebeuren. Hij liep ook niet naar de hendel alsof hij moest kijken of iemand een knop had aangeraakt.
‘Ik kan zeggen wat ik hier aan de leiding zie,’ zei hij. ‘Niet wat jullie net gehoord hebben.’
‘Dat snap ik,’ zei Els.
Haar stem was laag. Het klonk niet alsof zij plotseling genoegen nam met minder uitleg. Ze legde de doek neer en vroeg hem nogmaals het verwijderen op te nemen in zijn voorstel. Niet alleen kijken of het rammelen minder werd.
Bram zei dat hij dat zou doen. Hij maakte de inspectieplaat terug vast voordat ze de kast gingen terugzetten. Alle schroeven gingen er weer in. Ze zetten de potten terug en lieten de zak met meel op de onderste plank staan. Liv veegde met haar vlakke hand over haar trui om het witte stof eraf te halen.
Bij de balie schreef Bram op welke toegang vrij moest zijn. Op het blaadje stonden de buis, de deur en de kast. Acht bleef opslag en kreeg geen gast. Voor de deur wilde hij het juiste scharniermateriaal meenemen. De doorgang moest vrij blijven. Liv hoorde Els de volgorde hardop herhalen en liet haar zelf vragen wat zij nog niet begreep.
Toen Bram weg was, bleef de voordeur even openstaan. Els keek naar zijn bus. Zij had haar ene hand nog op de klink toen Liv haar tas pakte.
‘Ik ga straks naar huis,’ zei Liv.
‘Dat moet je doen.’
‘En jij?’
Els sloot de deur. ‘Ik heb Roos gevraagd of ik kan komen. Die zei ja.’
Liv knikte. Ze wilde niet zeggen dat alles bij Roos rustig zou zijn. Ze had daar geen stem uit een muur gehoord; ze wist ook niet hoe de koelkast er klonk. Een ander huis hoefde niet bewezen stil te zijn om een werkelijke andere plek te zijn.
Els haalde haar telefoon en belde Roos. Ze liep nu wel de ontbijtruimte in, niet om Liv buiten te sluiten maar omdat zij moest vragen hoe laat zij kon komen en wat er aan eten was. Liv hoorde haar zeggen dat ze zelf brood had. Daarna begon Els over de sleutel van de achterdeur.
Liv wachtte bij de balie. Op haar scherm stond een bericht van Anouk dat de drie proeven ontvangen waren. Zij zou de keuze voor de luistermiddag met haar bespreken. Er was niets dat nu onmiddellijk opgelost moest worden.
Els kwam terug. Zij zou vanavond gaan, zei ze. Eerst de spullen klaarzetten en de gewone taken afmaken. Roos wist dat zij geen hele week kon blijven; ze zouden het voor een paar nachten bekijken. Els moest ook haar eigen pension in, al was het alleen om de post en de was.
‘Ik kom morgen wel even kijken,’ zei Liv, en hoorde zelf hoe vanzelf dat klonk.
Els keek op. ‘Dat hebben we niet afgesproken.’
‘Nee. Ik bedoelde dat ik kan bellen.’
‘Dat kan.’
Ze spraken een tijd af waarop Els meestal na het ontbijt koffie dronk. Het was geen wacht aan een microfoon, geen hele dag telefoon in de hand. Liv pakte haar sleutels. De sleutel van zeven zat er niet meer bij; die hing achter de balie.
Buiten deed zij de jas dicht die zij binnen al had aangetrokken. Els bleef niet staan wuiven. Ze ging terug naar haar keuken. Liv liep naar de auto en zag de rand van het open dakraam van een huis aan de overkant. Iemand leunde naar buiten om een kleed uit te schudden. Zij wachtte tot het stof was neergedaald, stapte in en reed naar huis.