Hoofdstuk 22 · 11 minuten lezen
Een eigen opname
Op de onderste plank van het dressoir stonden vijf voorraadbussen zonder deksels. Els haalde ze er een voor een uit en zette ze op tafel. Bij iedere bus hield ze even haar hoofd schuin, alsof ze aan het gewicht kon voelen of dit de goede was.
‘Je hoeft niet alles eruit te halen,’ zei Liv.
‘Dat weet ik. Ik zoek iets.’
‘Een envelop is vrij plat.’
‘Die kan achter iets zijn gevallen.’
Bram had een adres op de achterkant van zijn werkbon geschreven. Els wilde de bon bewaren bij de rekening van de keuken, maar de grote envelop met papieren bleek niet in het dressoir te liggen. Nu stond het halve servies op tafel en had Liv een koffiekan in haar hand die ze nergens kwijt kon. Het aanrecht was vol. Bij de broodplank lagen twee uitgenomen laden met potloden, batterijen en een los handvat.
Ze zette de kan op de grond naast haar stoel.
‘Daar loop ik straks tegenaan,’ zei Els.
Liv pakte hem weer op.
‘Hier.’ Els schoof een bus opzij. ‘Die envelop is ook voor jou van belang. Dan weet je wat er al aan de keuken is gedaan.’
‘Ik geloof je over de keuken.’
‘Zo bedoel ik het niet.’
Ze klonk niet boos, maar ze liet de klep van het dressoir harder dichtvallen dan nodig was. Liv zette de kan in de vrijgemaakte kring op het tafelblad. Door het raam zag ze een man met een hond bij het lege fietsenrek wachten. De hond snuffelde, ging zitten, stond weer op. Een vrouw kwam uit de buurwinkel met een pak keukenrollen onder haar arm. Ze zei iets tegen de man. Hij schudde zijn hoofd, trok toen toch de tas open die aan het stuur van zijn fiets hing.
Liv wilde naar buiten. Ze wilde een pak keukenrollen kunnen vergeten zonder dat het consequenties had voor de vraag of ze iemand alleen mocht laten.
‘Waar zal ik dit neerleggen?’ vroeg ze.
Ze hield Brams bon nog vast.
‘Laat maar op tafel.’
Toen Els een stap achteruit deed, klonk Livs eigen stem tussen de kopjes vandaan.
‘Niet dichtdoen. Dan weten we niet waar het eindigt.’
Liv bleef staan. De stem was zacht, lager dan ze zichzelf hoorde praten, met die aarzeling voor het laatste woord. De tafel leek een ogenblik verkeerd te staan, te ver naar rechts, alsof ze door een vreemde woonkamer naar hun spullen keek.
Els draaide zich meteen om. Ze schoof een opgevouwen theedoek van een zwart kastje en drukte met haar duim op een knop.
De stem hield op.
Liv zag nu de luidsprekergaten, een rijtje knoppen, het kleine verlichte scherm. Een draagbare recorder. Hij was ouder en breder dan de hare; langs de zijkant zat een zilveren strook met afgesleten letters. Een snoertje liep naar een stopcontact achter de gordijnen.
Els trok de stekker eruit.
‘Die stond nog aan.’
Liv hoorde in haar hoofd het zachte ritsgeluid dat later in het bestand kwam, en wist pas toen dat de opname al gestopt was. Beneden sloeg alleen de echte koelkast aan. Een korte brom, een klik tegen het aanrecht. Het was een geluid dat bij deze keuken hoorde. Dat maakte de paar tellen daarvoor niet minder onaangenaam.
‘Wat stond er aan?’
Els legde het snoer op het apparaat. ‘Wat jij me hebt gestuurd.’
‘Je hebt het erop gezet.’
‘Op mijn telefoon hoor ik het niet goed.’
Liv keek naar het schermpje. Een bestandsnaam die op cijfers eindigde, een balk halverwege. Naast de recorder lag een kabel met twee verschillende stekkers. Geen oortjes. Els had aan tafel gezeten met het ding voor zich.
‘Hoelang doe je dat al?’
Els trok de theedoek naar zich toe en vouwde hem opnieuw. ‘Ik heb die al jaren. Voor afspraken. Toen ik de keuken liet doen nam ik gesprekken op, anders was ik de helft kwijt voor die mannen weg waren.’
‘Dat vraag ik niet.’
‘Je vraagt het wel alsof ik je iets heb afgepakt.’
Els schoof de koffiekan weer van tafel om bij de lade te kunnen en zette hem naast Livs stoel op de grond. Liv legde de werkbon neer. Hij bleef aan een druppel koffie kleven; toen ze haar vingers terugtrok, kwam het papier mee. Ze liet hem los.
‘We hadden afgesproken dat je hier niet in je eentje zou gaan zitten luisteren.’
‘Ik zat niet te luisteren. Ik was die envelop aan het zoeken.’
‘Hij stond aan.’
‘Ja. Nog.’
Het woord bleef tussen hen in liggen. Els tilde een voorraadbus van tafel en zette die op de verkeerde plank. Ze zag het, haalde hem terug, bleef ermee in haar handen staan.
Liv wilde de recorder pakken. Niet om iets af te luisteren, zei ze tegen zichzelf. Alleen om te zien hoe vaak het bestand was afgespeeld. Maar dit apparaat zou haar dat waarschijnlijk niet eens vertellen. Ze kende het model niet. Zelfs als er een teller was, zou die niets zeggen over wat Els ermee had gedaan.
Ze stak haar handen in de zakken van haar vest.
‘Heb je boven ook geluisterd?’
Els keek naar het raam.
‘Els.’
‘Ja.’
‘Alleen?’
‘Er was niemand anders.’
De man met de fiets tilde zijn hond in de krat voorop. Het was een te grote hond voor die krat; één voorpoot bleef een poosje buitenboord hangen. Liv zag hoe de man hem voorzichtig terugduwde en over de kop streek. Ze keek zo lang dat Els zei: ‘Je hoeft me niet de hele tijd aan te kijken.’
‘Dat doe ik niet.’
‘Dat bedoel ik.’
Liv ging zitten. Er was weinig ruimte tussen haar stoel en het dressoir. Ze schoof de stoel naar voren, raakte de koffiekan met haar knie en hield haar adem in tot hij weer stil stond.
‘Wat hoop je te horen?’
Els zette de bus neer. ‘Dat weet ik niet.’
‘Meer dan wat erop staat?’
‘Misschien dat ik het verkeerd heb gehoord.’
Liv keek naar het donkere scherm.
‘Door het nog een keer af te spelen?’
‘Jij doet het toch ook.’
Daar had ze geen direct antwoord op. Ze had het bestand thuis meer dan één keer aangezet, op verschillende dagen, soms nadat ze had besloten dat ze er die dag klaar mee was. Ze had niet telkens een nieuwe vraag gehad. Ze had dezelfde vraag nog een keer willen stellen.
‘Ja,’ zei ze. ‘Dat heb ik gedaan.’
‘Nou dan.’
‘Daarom hadden we die afspraak.’
Els trok een stoel naar achteren. Ze ging niet zitten. ‘Ik heb niet zitten wachten tot jij weg was om stiekem iets te doen. Ik kon er niet van slapen. Bij Roos hoor ik haar boven lopen en denk ik de hele tijd: straks roept ze. En dan denk ik: waarom zou ze? Ze hoeft mij helemaal niet te roepen. Ik lig in haar huis, zij woont daar, ik ben degene die—’
Ze beet op haar lip en wreef met twee vingers over de onderkant van haar neus.
Liv wachtte.
‘Hier weet ik tenminste wat de geluiden zijn,’ zei Els.
Ze keken allebei naar de recorder.
Els gaf een korte lach waar niets vrolijks aan was. ‘Ja. Dat is een stomme zin.’
‘Ik snap wat je bedoelt.’
‘Dat hoef je niet te zeggen.’
Liv hoorde een auto tegen de stoeprand parkeren. Een portier, voetstappen, de buurwinkelbel. Ze kon de volgorde volgen zonder op te kijken. Dat was wat Els bedoelde: een wereld die zich aan de hand van kleine geluiden liet terugvinden. De koelkast. Een sleutel die onder in een tas werd gezocht. Roos die haar schoenen uitschopte tegen een keukenkastje.
‘Heb je iets nieuws opgenomen?’ vroeg Liv.
‘Een paar keer.’
‘En?’
‘Niets waarvan ik denk: dat moet je horen.’
‘Laat dan maar.’
Els keek op.
Liv voelde hoe verleidelijk het was om de woorden terug te nemen. Een paar opnamen betekenden nog geen hele middag. Ze kon ze meenemen, onderweg beluisteren, iets uitsluiten. Ze wist hoe ze ruis onder spraak kon verminderen, hoe ze een zachte ademhaling apart kon laten horen. Ze wist ook hoe iemand na tien keer luisteren dezelfde ruis een antwoord kon laten worden. Aan deze tafel zou ze geen van beiden kunnen helpen door de recorder aan te zetten.
‘Echt,’ zei ze. ‘Laat maar staan.’
‘Je denkt dat ik het verzin.’
‘Nee.’
‘Dan wil je toch weten—’
‘Ik wil op dit moment vooral niet weer iets horen dat alleen ik moet beoordelen.’
De felheid verraste haar. Els trok haar hand van de recorder terug, hoewel ze hem niet had aangeraakt.
‘Dat heb ik je niet gevraagd.’
‘Je hebt hem wel aanstaan als ik hier ben.’
‘Ik wist niet dat je zo vroeg terug zou zijn.’
Ze zwegen.
Liv wreef over haar voorhoofd. ‘Dat kwam er verkeerd uit.’
‘Een beetje.’
‘Ik bedoel niet dat jij mij erin hebt geluisd.’
Els ging eindelijk zitten. Ze trok de dichtstbijzijnde lade naar zich toe en begon de batterijen die eruit waren gerold terug te leggen. Twee grote, drie kleine, één met een onleesbaar etiket. Bij de laatste hield ze op.
‘Die is leeg. Waarom bewaar ik die toch?’
‘Omdat er geen “leeg” op staat.’
Els legde hem apart. Het was zo'n klein antwoord dat Liv er bijna van moest huilen.
Ze schoof haar stoel naar achteren en liep naar het aanrecht voor water. Bij de kraan was de tegel gebarsten. Een oude barst, vuil in de onderste haarlijn. Ze zag hem vandaag voor het eerst en vroeg zich af hoeveel ze in dit huis al over het hoofd had gezien doordat ze op iets anders lette.
‘Ik kom morgen helpen,’ zei ze. ‘Zoals we met Bram hebben afgesproken.’
Els knikte zonder op te kijken.
‘Overdag. Met jullie erbij. Maar ik blijf hier vannacht niet. En ik ga ook niet ergens zitten om te horen of er iets gebeurt.’
‘Dat had ik niet gevraagd.’
‘Ik zeg het omdat ik het zelf soms vergeet.’
Ze dronk. Het water was lauw; ze had de warme kraan een slag mee opengedraaid. Ze draaide hem dicht en schonk opnieuw in.
‘En die dan?’ vroeg Els.
De recorder lag tussen de bussen, zwart en onopvallend nu het scherm niet meer brandde.
‘Neem hem mee in je tas. Uit. Naar Roos, of naar waar jij hem wilt bewaren. Maar niet boven klaarzetten.’
‘Het is mijn apparaat.’
‘Ja.’
‘Ik kan hem ook weggooien.’
‘Dat hoeft niet.’
‘Je kijkt alsof het giftig is.’
Liv keek naar het glas in haar hand. ‘Ik schrok van mijn eigen reactie. Ik hoorde mijn eigen stem en ik wist even niet waar ik stond. Dat was een opname. Hier, op tafel. En ik wist het niet.’
Els trok het snoer langzaam recht. Ze maakte geen strakke lussen maar legde het in een boog, zoals je een veter klaarlegt. Daarna schoof ze het onder het apparaat.
‘Ik zal hem meenemen.’
‘Dank je.’
Els keek haar aan. ‘Ik hoef geen dank je omdat ik mijn eigen spullen opruim.’
‘Goed.’
Ze waren allebei moe. Dat was zichtbaar in alles: de voorraadbussen op tafel, het te snel gegeven antwoord, de kan op de grond. Maar het was nog middag. De buurwinkel was open. Morgen zou Bram komen om te werken, met gereedschap dat bij het soort probleem hoorde dat hij kende. Liv kon hem helpen de bedden vrij te maken zonder nog één keer een koptelefoon op te zetten.
Els stond op en bracht de lege batterij naar het bakje bij de buitendeur. Op de rand van dat bakje lagen twee muntjes en een schroef. Ze viste de schroef ertussenuit en legde hem op de vensterbank.
‘Als je weg wilt, moet je gaan,’ zei ze.
‘Ik wil dit even opruimen.’
‘Dan moet je die koffiekan niet op de vloer laten staan.’
Liv pakte hem op. Deze keer vond ze een plek in het kastje naast het fornuis. Els zette de voorraadbussen terug. Niet in dezelfde volgorde: de brede achter, de smalle voor. Eén bus paste niet meer. Ze draaide hem, probeerde het nog eens, gaf hem aan Liv.
‘Die mag naar de ontbijtkamer.’
Liv droeg hem door de gang. Daar rook het naar poetsmiddel en een jas die niet droog wilde worden. Ze zette de bus op de lange tafel en bleef even bij een van de stoelen staan. Het gladde hout onder haar hand was koel. Geen geluid dat ze niet thuis kon brengen. Dat stelde haar niet gerust; het gaf haar alleen de gelegenheid haar adem weer normaal te laten gaan.
Toen ze terugkwam, had Els de grote envelop gevonden. Hij zat onder het losse vak in de onderste lade, waar hij te groot voor was geweest.
‘Zie je wel.’ Ze hield hem omhoog. ‘Je moet hier soms alles eruit halen.’
Ze stopte Brams bon erbij. Liv zag aan de voorkant een datum van negen jaar geleden, in blauwe inkt, en de naam van het bedrijf dat de keuken had gedaan. Els streek de flap plat en borg de envelop op de vrijgemaakte plank.
De recorder bleef op tafel liggen. Els legde hem niet onder de doek terug.