Hoofdstuk 16 · 10 minuten lezen
Niet wat ik zei
Toen Els belde, stond Liv met een stift in haar hand. Op het deksel van de bak van Roos wilde ze haar naam schrijven. Er zat nog vet op; de letters werden korrelig en hielden halverwege op. Ze legde de stift neer voordat ze opnam.
‘Je hoeft morgen niet vroeg te komen,’ zei Els.
Liv trok een stoel naar zich toe. ‘Had ik dat gezegd?’
‘Nee. Maar je zou het wel doen.’
Ze had een stem willen horen waarin zij kon vaststellen of de middag nog tussen hen in stond. Els klonk opgewekter. Dat kon betekenen dat zij bij Roos zat, dat ze goed gegeten had of haar eindelijk een stoel was aangeboden die zij niet hoefde te verplaatsen. Liv vroeg waar ze was.
‘In de keuken bij Roos. Ik zal haar even geven.’
‘Wacht.’
Maar Els liep al. Liv hoorde hoe het toestel van hand wisselde, het zachte schuren van een vinger over de microfoon. Daarna Roos.
‘Ja?’
Liv keek naar het bakje. Er stond alleen Roo op. Ze zette haar vingertop op het eerste teken; de inkt was al droog.
‘Over vanmiddag,’ zei ze.
Roos wachtte. Ze vulde de stilte niet voor Liv in.
‘Ik heb gezegd dat jij iets vroeg. Dat was niet zo. Jij vroeg of ik wilde wachten.’
‘Dat zei ik.’
‘Ik heb het door elkaar gehaald.’
De zin klonk te klein voor wat er gebeurd was. Zij had geen twee boodschappen op het aanrecht verwisseld. Ze had een hand weggehaald waarop Roos rekende. Liv verbeterde zichzelf niet nog een keer. Roos wist wat ze bedoelde.
‘Ik had hem nog,’ zei Roos. ‘Er is niets gebeurd. Maar ik wil het niet nog eens.’
‘Nee.’
‘Dus als ik morgen kom, ga ik niet met jou de trap af met iets tussen ons in.’
Liv hoorde Els iets vragen op de achtergrond. Roos zei dat zij nog even bezig was.
‘Ik kan beneden ruimte maken,’ ging ze verder. ‘Ik kan een deur vasthouden. Ik kan iets aanpakken als het al veilig beneden staat. Voor de rest moet er iemand komen die met die meubels overweg kan. Bram, desnoods iemand van hem erbij. Dat moeten jullie regelen.’
‘Dat zal ik met Els bespreken.’
‘Zij is ermee bezig. Dat hoeft niet opnieuw van jou.’
Liv knikte, al zag niemand dat. Ze streek met haar vrije hand over het tafelblad, tot ze merkte dat er een klein plasje water op stond. Het kwam uit de voet van het bakje dat zij had afgewassen.
‘Goed dat je het zegt,’ zei ze.
Roos maakte een geluid dat zowel ja als nou kon zijn. Ze vroeg hoe laat Liv aan haar werk moest. Liv zei dat zij er nog mee bezig was en morgenochtend verder moest. Toen vroeg ze of zij Roos het bakje terug kon geven.
‘Dat komt wel,’ zei Roos. ‘Je hoeft niet met ieder ding een afspraak te maken.’
Ze gaf de telefoon terug aan Els.
‘We kunnen een paar dozen doen,’ zei die. ‘Niet de hele kamer. Roos heeft gezegd tot wanneer ze tijd heeft.’
‘En ik moet eerst werken.’
‘Dat hoorde ik. Dus na jouw werk.’
Liv keek naar haar open notities. Het ene fragment kon nog steeds niet zonder de vraag. In het andere had ze de overgang opgelost, maar het geheel duurde langer dan Anouk waarschijnlijk wilde. Dat kon ze niet vannacht net zo lang bewerken tot er vanzelf een goed maandagplan uit kwam.
‘Ik laat weten als ik klaar ben met wat er morgen moet,’ zei ze. ‘Niet meteen zodra ik mijn computer opstart.’
Els zei dat het prima was. Op de achtergrond verschoof een stoel. Roos moest ergens langs. Liv hoorde Els excuseer zeggen en stelde zich voor hoe zij haar knieën optrok om Roos langs te laten. Zo maakte zij aan de telefoon vanzelf een hele kamer van een paar geluiden.
‘Slaap je daar ook?’ vroeg zij.
‘Ja.’
‘Goed.’
‘Tot morgen dan.’
Ze verbraken de verbinding. Liv bleef met het toestel tegen haar borst zitten. Het was nog warm. Zij wist nu waar Els sliep doordat Els het zelf had gezegd, niet doordat ze haar bed kon zien. Dat was normaal. Zo ging bijna elk gesprek dat ze voerde. Ze kon het hele leven niet terugbrengen tot wat binnen handbereik lag.
Ze stopte de stift in de la en zette het bakje naast haar tas. Toen deed ze de televisie aan, zonder geluid. Na een paar minuten zette ze het geluid erbij. Een vrouw stond in een tuin over een hek te praten. De wind trok hoorbaar aan haar microfoon. Liv keek tot het reclame werd en ging naar bed.
Maandagochtend vroeg had Mara een bericht gestuurd dat zij na de lunch ruimte had. Tot drie uur, niet langer. Of Liv haar selectie plus de bronverwijzingen wilde meenemen. Geen nieuwe serie bestanden van nog andere versies; ze wilde weten wat zij naast elkaar moest zetten.
Liv antwoordde dat ze kwam. Ze stuurde ook Anouk een kort overzicht: de pilot bleef een selectie met vragen, de drie eerdere interviews bleven twee, vijf en negen, en zij zou vóór de afgesproken tijd laten weten welke fragmenten daadwerkelijk bruikbaar waren. Ze bleef bij het woord pilot staan. Het kon klinken alsof er niets af hoefde. Daarom schreef zij eronder wat er na die middag nog openstond.
Ze werkte tot haar benen stijf werden. Toen ze opstond om koffie te maken, waren de handen die uit haar mouwen kwamen nog steeds de handen waarmee zij gisteren had losgelaten. Ze waste ze te lang onder de kraan en draaide het water kouder. Dat hielp tenminste tegen de warmte.
Om kwart voor elf belde Els. Niet met een vraag waar Liv bleef, maar met de mededeling dat Bram het zwaardere werk samen met zijn andere werk aan het huis kon plannen. De drempel van acht moest hij toch doen. Els wilde eerst beneden ruimte maken; daarna pas een afspraak om de verbinding weg te halen, als zij daartoe besloot.
‘Jij hoeft hem niet te bellen,’ zei ze.
‘Dat was ik niet van plan.’
Er viel een korte stilte. Liv dacht aan het gesprek van gisteren. Els had gelijk gehad om het te zeggen, en ze was ook werkelijk nog niet van plan hem te bellen. Ze had geen ruimte om beide dingen tegelijk uit te leggen.
‘Mag ik je iets vragen?’ zei ze.
‘Dat doe je meestal.’
‘Luister je die opname vaak af?’
Het bleef aan de andere kant stil. Niet alsof Els zich had verplaatst. Liv hoorde de kleine tikjes van iets tegen het aanrecht. Daarna werden ze ook stil.
‘Soms.’
‘Sinds ik ben weggegaan?’
‘Ja.’
Liv wachtte. Ze had gevraagd wat ze wilde weten. Dat betekende niet dat het eerste antwoord onvolledig was omdat het haar niet geruststelde.
‘Als ik bij Roos ben, zet ik hem niet aan,’ zei Els uiteindelijk. ‘Daar heb ik geen zin in dat gesprek.’
‘En thuis?’
‘Daar ook niet de hele dag.’
Els had zelf thuis gezegd. Liv vroeg niet waarom zij daar nu alweer was. Het kon de ochtend zijn waarop ze haar gewone voorraad naliep, haar koffie pakte, de post opende. Er moest iemand het leven uit dat huis halen als ze ergens anders sliep.
‘Je had het me niet verteld.’
‘Je vroeg niet hoe vaak.’
Dat was niet helemaal waar, dacht Liv. Maar ze wist niet meer wanneer ze wat had gevraagd, of ze een antwoord had afgewacht. Els begon over iets anders: ze had de stem van de vrouw uit het kastje alleen die ene nacht gehoord, samen met Liv. Daarna waren het bekender klinkende stemmen geweest, of niets. Het niets had ook een manier gekregen waarop je bleef wachten.
‘Dat begrijp ik,’ zei Liv.
‘Begrijp je het of denk je dat ik er straks vanzelf mee stop als je het begrijpt?’
Liv schoof haar aantekeningen van zich af. Er kwam een lege strook tafel tussen haar en de computer.
‘Ik heb hem thuis ook meer dan één keer aangezet.’
‘Hoe vaak?’
‘Ik weet het niet.’
Els lachte niet. Liv zag in gedachten haar hand op het houten kastje, die eerste nacht. Toen hadden ze aan niemand hoeven uitleggen waarom ze daar stonden. Er was een vraag geweest, ze hadden geantwoord, de lucht was koud geworden. Ze hadden beiden gewacht tot iets anders in het huis begon. Pas later hadden zij er een volgorde van geprobeerd te maken die iets moest helpen begrijpen.
‘Gisteren hoorde ik jou,’ zei Liv. ‘Ik wist heel zeker dat jij iets vroeg.’
‘Ja.’
‘En ik liet los.’
‘Dat zei Roos.’
Liv keek naar haar handen. Ze wilde zeggen dat zij het niet nog eens zou doen. Dat was een zin die precies het geruststellende geluid had waar zij bang van geworden was.
‘Ik kan daar niet bij blijven zitten om telkens te luisteren of ik het goed hoor,’ zei ze. ‘En ik denk dat jij dat ook niet alleen moet doen.’
‘Denk je dat of spreek je dat met me af?’
‘Ik wil het afspreken.’
Els zei niets.
‘Geen stoel erbij zetten om op een antwoord te wachten,’ zei Liv. ‘Niet uren alleen boven blijven. Gewone dingen halen of je post doen kan natuurlijk. Ik ga je niet verbieden naar je eigen keuken te lopen.’
‘Dat laatste zou ook niet lukken.’
‘Nee.’
Ze hoorde hoe Els de telefoon anders vasthield. Een mouw streek over de microfoon en Liv voelde een kort rillen tussen haar schouders. Het geluid was normaal. Zij kon horen waar het langs streek doordat er daarna een vinger tegen de rand tikte. Ze vroeg niet of Els dat ook had gehoord.
‘Roos weet wanneer ik hier ben,’ zei Els. ‘En ik ga niet meer alleen in acht zitten luisteren.’
‘Goed.’
‘Jij ook niet.’
‘Nee.’
‘En niet toch komen omdat je bang bent dat ik het wel doe.’
Liv keek naar de afspraak met Mara. Naar haar eigen ochtend die al bijna geen ochtend meer was. Zij zei dat zij straks naar haar werkgesprek ging en daarna kon helpen met de afgesproken spullen, als Roos er ook nog was. Els zei dat zij dat even met haar zou bespreken. Het voorbehoud was prettig om te horen. Niet elke zin hoefde op slag de volgende dag vast te leggen.
Na het telefoongesprek maakte Liv haar bestanden klaar. Ze gebruikte de aanduidingen die Mara had gevraagd. Geen map met de vreemde opname, geen losse foto van het rooster die tussen de werkschermen kon opduiken. Toen zij de drive veilig had losgekoppeld, legde ze haar notitieboek erbij en deed de tas dicht.
Ze had een uur over voordat ze moest vertrekken. Ze nam zich voor die niet alvast in het pension door te brengen.
In plaats daarvan liep ze naar de winkel voor koffie en iets voor haar lunch. Ze herkende een van de dakdekkers aan zijn jas voordat ze zijn gezicht zag. Hij stond voor het schap met kaas, met een klein mandje aan zijn arm. Toen zij gedag zei, had hij twee tellen nodig om haar te plaatsen.
‘Lekt het?’ vroeg hij.
‘Nee.’
‘Dan is het goed.’
Liv vertelde over het lege schroevendoosje. Hij glimlachte en zei dat er iemand de hele dag naar had lopen zoeken. Ze haalde het telefoonscherm niet tevoorschijn om er een foto van te laten zien. Ze wist wat er op de vensterbank had gestaan. Hij vroeg of hij het bij gelegenheid terug kon krijgen; hij bewaarde kleine doppen in zulke doosjes.
‘Ik dacht dat het afval was.’
‘Dan is het dat nu. Geeft niet.’
‘Ik heb het nog.’
Ze beloofde het apart te leggen. Hij zocht verder naar de kaas die hij moest hebben, met een boodschappenlijstje op zijn telefoon. Liv liep naar het einde van het gangpad en pakte haar koffie. Ze was bijna opgelucht dat iets dat zij niet had weggegooid gewoon een klein nut voor iemand bleek te hebben.
Buiten controleerde ze de tijd. Ze kon thuis eten, de sleutels van haar auto pakken en op tijd naar Mara. Geen haast. Er was niets te winnen door er sneller te zijn dan de afspraak.
In haar keuken droogde ze het bakje van Roos nog een keer af en zette het bij de andere spullen die zij later mee moest nemen. Ze legde het doosje schroeven er niet in. Dat bleef op het plankje voor de dakdekker. Daarna sneed ze haar brood, zette haar telefoon op tafel en at zonder koptelefoon.