Hoofdstuk 29 · 11 minuten lezen
De eerste avond elders
Roos had haar huissleutel in een bloempot gelegd, hoewel ze die plek zelf onveilig vond. Ze had er een bericht over gestuurd met drie uitroeptekens en daarna een tweede bericht dat Liv de sleutel niet onder de pot moest terugleggen.
Liv vond hem tussen de aarde en de binnenrand. Ze veegde hem af aan haar broek, stak hem in het slot en hield de deur open voor Els.
‘Eerst die tas,’ zei Els.
Liv zette de tas binnen en ging opzij. Els ging langzaam over de drempel. Het waren maar een paar stappen, toch zag Liv aan haar mond hoe graag ze wilde zitten. Ze legde de sleutel op het kastje in de gang, naast een stapel kranten die niet van haar waren.
In de woonkamer brandde een kleine lamp. Roos had de stoel vrijgemaakt waarop zij gewoonlijk zat en een briefje op de zitting gelegd: geen glas op de vensterbank, onderzetters in de la. Er stond geen uitleg bij. Els las het en zei dat ze zich behandeld voelde als een logé.
‘Dat ben je ook.’
‘Dank je.’
Liv hielp haar zitten. Het ging zonder overleg beter dan die ochtend. Els wist waar ze steun wilde, Liv hield op zodra ze die steun zelf had gevonden. Daarna brachten ze de spullen naar de keuken. Liv hoorde haar eigen voetstappen in een huis waar ze de vloer niet kende. Een plank veerde licht bij de tafel. De koelkast zat aan de andere kant van de kamer dan ze verwachtte.
‘Er is soep,’ riep Els.
‘Welke?’
‘Die van gisteren.’
Liv opende de koelkast. Op de bovenste plank stond een bak met een verkeerd doorgestreepte datum. Ze pakte hem en zocht een pan.
Ze waren vroeg. Roos kwam nog van haar werk en zou bij binnenkomst eten willen. Liv zette drie kommen klaar, vond een zak brood in een lade en vroeg of die op tafel kon blijven staan. Els gaf antwoord vanuit de woonkamer. Het klonk zacht, door de afstand en de deurpost, maar ze kon ieder woord verstaan.
Het huis deed niets om het haar gemakkelijk te maken. Ze schrok toen de cv-ketel aansloeg. Daarna ergerde ze zich aan zichzelf omdat ze op het geluid wachtte tot ze wist wat het was. Een gewoon huis had geen verplichting zich iedere keer opnieuw bekend te maken.
Ze zette het vuur lager. Op het aanrecht stond Roos’ telefoonoplader. Er hing een foto aan de koelkast met een magneet van een eiland. Roos met iemand op een bankje, allebei in te dunne jassen. Liv keek er niet langer naar dan nodig was om te zien dat het een prettige dag was geweest.
Els wilde de blauwe tas naast haar stoel. Liv bracht hem. Els zocht er haar papieren in, haalde de verkeerde envelop eruit en vroeg toen waar de bril was gebleven. Hij lag op de armleuning aan de andere kant.
‘Ik ben de hele dag dingen kwijt,’ zei ze.
‘Je zit op een andere plek.’
‘Ik zie ze alleen niet.’
Liv legde de bril naast haar hand. Els bladerde tot ze de informatie van gisteren had gevonden. Ze las zwijgend, keek naar de klok en las verder.
Toen Roos thuiskwam, rook ze naar brood en koude buitenlucht. Ze had nieuwe sokken aan; één schoen piepte bij het uittrekken. Ze groette Els, zette haar tas onder de kapstok en zei dat de soep lekker rook.
‘Hij is niet nieuw,’ zei Els.
‘Dat proef ik straks wel.’
Ze waste haar handen, trok een andere trui aan en kwam aan tafel zitten. Er lag een envelop op haar plaats. Ze schoof hem onder het brood zonder hem open te maken.
Tijdens het eten vroeg ze naar het werk. Bram had de delen losgemaakt, de verbindingen waren apart afgesloten, er moest nog afgewerkt worden. Els vertelde het. Liv vulde alleen iets aan toen er naar de bovenkamers werd gevraagd.
‘Dus het kastje is weg,’ zei Roos.
‘Alles wat er af moest is eraf,’ zei Els.
‘Goed.’
Er kwam geen andere vraag. Liv merkte dat ze erop had gewacht: of er nog iets was gehoord, of ze zekerheid hadden gekregen. Roos schepte een tweede halve kom soep op en maakte een opmerking over de hoeveelheid zout.
‘Dat was een pakje,’ zei Els.
‘Dan moet je daar gaan klagen.’
Els hield haar lepel boven de kom. ‘Ik heb hem niet zelf bedacht.’
‘Dat zeg ik toch.’
Ze aten verder. Liv wist pas hoeveel trek ze had toen het brood bijna op was. Ze nam het laatste stukje niet, Roos schoof de zak naar haar toe en zei dat er nog een half brood in de vriezer lag. Ze wilde hem wel aanvullen als Liv dat gemakkelijker vond.
‘Nee, hoor.’
‘Eet dan.’
Na het eten wilde Els naar haar eigen huis bellen. Ze zei het zo terloops dat Liv haar niet meteen begreep.
‘Naar wie?’
‘Naar de telefoon. Ik wil iets terugluisteren.’
Roos zette de kommen in de vaatwasser. Ze keek over haar schouder.
Els zag de twee gezichten en trok haar hand terug van de telefoon. ‘Mijn begroeting. Ik moet die nog aanpassen.’
Liv voelde zich warm worden. Ze had onmiddellijk aan het andere geluid gedacht. Aan een leeg huis dat een stem kon opnemen terwijl zij hier soep zaten te eten.
‘Dat kan morgen ook,’ zei Roos.
‘Morgen zijn er weer mensen die bellen.’
‘Die begrijpen “tijdelijk gesloten” ook als jij er morgen iets bij zegt.’
Els legde de telefoon op tafel, maar draaide hem niet om. ‘Jij hebt de hele dag antwoord gegeven aan mensen. Ik niet. Er zijn gasten van wie ik het nog niet heb kunnen afhandelen.’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Je zegt dat ik het morgen kan doen.’
Roos sloot de vaatwasser. Ze bleef met haar handen op de rand van het aanrecht staan.
‘Ik bedoel dat je niet alles vanavond hoeft.’
‘Dat beslis ik graag zelf.’
Het was niet hard gezegd. Liv keek naar haar lege kom, die nog voor haar stond. Ze had hem op kunnen pakken en zich bij het werk kunnen voegen, maar dan zou ze weer precies doen alsof er alleen maar meer opgeruimd moest worden.
‘Wil je dat ik je laat?’ vroeg ze.
Els keek op. ‘Daar gaat het niet om.’
‘Ik weet niet waar het dan wel om gaat.’
‘Dat merk ik.’
Ze waren even stil. Roos trok de stoel naast Els naar achteren en ging weer zitten. Het was een gewone keukenstoel, zonder armleuningen, en ze leek er kleiner op dan toen ze bij het aanrecht stond.
‘Je kunt tot maandag hier zijn,’ zei ze. ‘Dat weet je. Daarna moet ik die kamer terug hebben. Dat had ik je verteld voordat dit allemaal gebeurde.’
Els knikte.
‘Ik wil dat niet iedere dag moeten zeggen alsof ik je eruit stuur.’
‘Ik vraag toch ook niet om langer te mogen blijven.’
‘Nee. Maar ik voel me er wel rot over.’
Liv keek naar de foto op de koelkast. Ze hoefde niet te weten wie er kwam of waarom de kamer weer nodig was. De twee vrouwen kenden die afspraak. Voor haar was het een muur geweest waarachter vanzelf genoeg ruimte lag.
Els pakte de rand van het tafelblad vast. ‘Ik ga maandag naar huis.’
Roos haalde adem.
‘Niet om jullie iets te bewijzen,’ zei Els. ‘Ik woon beneden. De wand is dan dicht. Ik hoef niet de trap op. Ik kan mezelf verzorgen. Als er iets niet gaat, regel ik hulp. Maar ik wil mijn huis terug.’
Liv dacht aan haar voor het raam van acht, één hand op het hout, de kou in haar hals. Ze wilde niet dat Els daar binnenkort weer alleen stond. Dat betekende niet dat ze nu een beter adres voor haar kon verzinnen.
‘Bram moet nog bevestigen wat er maandag klaar is,’ zei ze.
‘Dat vraag ik hem morgen.’
Roos knikte langzaam. ‘En als het niet klaar is?’
Els keek naar haar telefoon. ‘Dan boek ik iets voor een paar dagen. Beneden. Ik kan zelf ook een kamer huren.’
‘Je zit niet hier omdat ik denk dat jij geen kamer kunt betalen.’
‘Dat weet ik.’
Roos keek haar aan. Het duurde even voor Els terugkeek.
‘Ik weet het,’ zei ze nogmaals, zachter.
Liv schoof haar lege kom naar zich toe. Er zat een streep soep aan de rand. Ze liet hem staan.
‘Ik kan maandag de boodschappen meenemen als ik terug ben van mijn werk,’ zei ze. ‘Maar ik ga niet elke dag vragen of je iets hoort.’
Els sloot haar ogen even.
‘Dat wil ik ook niet.’
‘Ik denk dat ik het toch zou gaan doen. Dus dan liever meteen zeggen.’
Roos stond op om de waterkoker aan te zetten. Ze deed de klep twee keer open omdat ze de eerste keer vergat te vullen. Els keek naar haar en begon te lachen, voorzichtig, met een hand op haar been.
‘Je bent net zo moe als ik.’
‘Alleen zonder die behandeling van gisteren.’
‘Zal ik je straks voorlezen?’
‘Dan lig ik na twee zinnen al te slapen.’
Liv bracht de kom naar het aanrecht. Het gesprek was niet opgelost; er waren tijden, kamers, dingen die nog bevestigd moesten worden. Roos stak haar hand achter zich uit voor de kom. Ze nam hem aan zonder om te kijken en zette hem in de vaatwasser.
Ze dronken thee in de woonkamer. Els nam haar telefoon mee en paste haar begroeting aan zonder naar het pension te bellen. Ze schreef eerst een zin op papier, las hem zacht voor, haalde het woord “even” eruit en sprak hem daarna in. Tijdelijk gesloten. Bij bestaande boekingen zou ze zelf contact opnemen. Nieuwe aanvragen beantwoordde ze later.
Ze speelde haar eigen begroeting eenmaal terug. Haar stem klonk gehaast, te dicht bij de telefoon. Ze maakte geen tweede.
Liv keek naar het apparaat in Els’ hand en liet haar eigen hand stil op de knie liggen. Er was niets mis met een opgenomen stem. Er was iets gebeurd in dat huis wat ze niet kon uitleggen. Ze was niet verplicht die twee zinnen tot één geruststellend antwoord samen te drukken.
Roos vroeg welke winkel Els wilde voor haar boodschappen. Ze kregen ruzie over de aardappelen, niet groot, maar met meer overtuiging dan over de geboden hulp. Els wilde een soort die Roos altijd te lang moest koken. Roos zei dat zij niet voor de hele week ging bepalen hoe snel Els haar aardappelen gaar moest willen. Liv zat op het puntje van haar stoel en at een koekje dat ze niet lekker vond omdat ze het al had aangenomen.
Om negen uur ging ze naar huis. Buiten was het droog. Roos liep mee tot de deur en zei dat ze wel zou bellen als er iets geregeld moest worden. Liv vroeg niet of Els goed zou slapen.
Ze reed met de radio uit. Niet om aandachtig te luisteren; ze had genoeg stemmen gehad. Bij een rood licht zag ze haar gezicht in de zijruit. Ze draaide de binnenspiegel een stukje terug naar de juiste stand en reed verder toen het groen werd.
Thuis zette ze water op en vergat de thee. Mara belde op het afgesproken moment. Liv ging met de telefoon aan tafel zitten en vertelde eerst dat Els veilig bij Roos was en dat het werk aan de verbindingen gedaan was. Daarna spraken ze over de interviews.
Mara had aantekeningen gemaakt. Er waren keuzes voor de overige negen, dingen die zij kon overnemen, één passage die Liv zelf nog moest doen omdat ze de eerste bewerking had gemaakt. Ze verdeelden het werk. Bij het noemen van de uren merkte Liv hoe weinig er overbleef van de week waarin ze dacht alles zelfstandig te kunnen doen.
‘Dat kost me dus meer,’ zei ze.
‘Ja,’ zei Mara.
Geen verzachting. Geen voorstel om het voor niets af te maken. Liv keek naar de betaalde dakrekening die nog op de hoek van haar bureau lag, en zei dat ze de afspraak bevestigde.
Daarna vertelde ze wat ze in acht had gehoord terwijl ze zelf in de deuropening stond. Niet ieder geluid, niet de hele middag. Alleen dat ene: haar stem die iemand liet wachten terwijl er al mensen waren om te helpen.
Mara zei een poosje niets.
‘Ik kan je niet zeggen wat dat was.’
‘Dat weet ik.’
‘Wil je dat ik nog iets beluister?’
Liv keek naar de gesloten laptop. Ze had van dat moment geen opname.
‘Nee.’
‘Goed.’
Er kwam een stem op de achtergrond, een gewone vraag in Mara's huis. Ze gaf antwoord en kwam terug. Liv vertelde dat ze maandag boodschappen ging brengen. Mara zei dat het haar verstandig leek om dan ook weer weg te gaan. Liv zei dat ze dat van plan was.
Na het gesprek spoelde ze haar lege glas om. Het water in de ketel was afgekoeld. Ze keek naar de tijd en liet het daarbij. Voor ze naar bed ging zette ze de wekker, controleerde of de achterdeur dicht was en deed de lamp boven het aanrecht uit.
Ze had geen idee hoe stil het pension die nacht zou zijn. Ze was er niet.