Hoofdstuk 2 van 8
Een wolk om te houden
De tandenborstelbeker staat weer op de wastafel. Papa zet de groene waskom onder de regen. Eerst vallen de druppels keurig in het midden. Ze maken zachte tikjes op het plastic.
Maja hurkt naast de badmat. In de kom liggen al een paar haren. Ze had er vorige week haar pop in gewassen. Dat hoeft de wolk niet te weten.
‘Mag hij even blijven?’ vraagt ze.
Papa vouwt een handdoek dubbel. ‘Hier?’
‘Gewoon bij ons.’
Het wolkje zakt tot net boven Maja’s hoofd en drijft naar de deur. Papa schuift de kom mee. Maja gaat ervoor staan, alsof er iemand langs haar heen wil. De wolk schuift boven haar hoofd door. Ze moet zich omdraaien om hem nog te zien.
‘Wacht nou.’ Ze zegt het vanzelf. De wolk wacht niet.
In de spiegel ziet Maja een grijze plek boven papa’s schouder. Papa tilt de kom op. Een druppel valt naast zijn duim.
‘Je moet iets naar links,’ zegt ze.
Papa stapt naar links. De volgende druppel valt op zijn mouw.
‘Niet jij. De kom.’
Hij zet de kom onder de nieuwe plek. Maja moet lachen. Papa kijkt even naar haar. ‘Fijn dat iemand het hier naar zijn zin heeft.’
Ze maakt een kommetje van haar handen en brengt ze langzaam omhoog. Haar vingers gaan door het grijs. Er blijft iets koels aan haar knokkels hangen, maar als ze haar handen sluit, heeft ze alleen een natte pink.
‘Je kunt hem niet pakken.’
Papa legt de handdoek over een paar druppels op de tegels. ‘Dat merk ik.’
Maja neemt een droge punt van de handdoek. Ze houdt hem als een zakje omhoog. Misschien kan ze de wolk er vanonder in duwen. Een stuk grijs verdwijnt achter de stof. Aan de andere kant komt het gewoon weer tevoorschijn. De wolk krijgt heel even een platte buik en wordt daarna weer rond.

Het zakje blijft leeg. De punt is nat.
Maja legt de handdoek terug op de vloer. ‘Je kunt hem niet eens afdrogen.’
Papa zet de waskom neer en schuift met zijn voet een tweede handdoek onder een nieuwe druppelplek. Ze hebben nu een rijtje zachte stapstenen tussen de deur en het bad.
Maja trekt haar natte sokken uit. Ze legt ze op de badrand, naast de steel van de paraplu. Op blote voeten blijft ze op de droge stukken staan.
Ze stelt zich het wolkje boven haar bed voor. Niet boven haar kussen. Meer boven het voeteneind. Ze zou er vanuit haar bed naar kunnen kijken, zelfs als het buiten helemaal blauw is.
Dan valt er weer iets naast de kom. Papa’s haar heeft op één plek een donkere streep gekregen.
Maja kijkt naar de wolk. Hij hoeft misschien niet pal boven haar bed. Boven haar planten zou ook kunnen. Ze heeft er alleen geen. En de plant van papa is veel te groot voor haar kamer.
‘Het raam,’ zegt ze. ‘Dan kan hij zelf kiezen waar hij heen gaat.’
Papa kijkt op. Boven het bad zit een klein raam. ‘Dat is in elk geval een uitgang.’