Hoofdstuk 8 van 8
Een kaart voor Tuf
Ze blijven zitten tot de krentenbollen op zijn. Puck hoort het water tegen de kant tikken. Verderop roept een vogel. Het bankje hoeft nergens meer heen. Het staat waar ze het naartoe wilden brengen.
Voor ze teruggaan, legt Opa het dekentje opgevouwen voorin de wagen. De twee opgerolde touwen komen erop. De borstel en het lege trommeltje gaan terug in de bruine rugzak. Die schuift hij weer onder de gele bank.
Puck geeft het bankje een klein tikje met haar hand. ‘Tot een andere keer.’ Ze pakt haar kaart en klimt in de wagen.
Opa laat de rem los. Tuf rijdt langzaam achteruit tot bij de aansluiting. De twee wissels staan nog goed voor de lange route. Opa kijkt achter de wagen langs het spoor. Ze gaan weer om de vijver terug, dezelfde vrije boog die ze hebben genomen.
‘Gaan we weer helemaal om de vijver?’ vraagt Puck.
‘Ja,’ zegt Opa. ‘Over dezelfde weg terug.’
Tuf rijdt rustig. Bij het houten poortje blijven de takken hoog boven het opgevouwen dekentje. Zonder het bankje lijkt de wagen heel leeg. Puck kan nu tot helemaal op de blauwe vloer kijken. Opa houdt zijn hoofd weer laag onder de takken. Puck duikt naast hem in elkaar. Pas als de wagen helemaal voorbij is, gaan ze rechtop zitten.
Ze wijst naar het poortje op haar kaart. Daarna naar het echte poortje. Die staan op dezelfde plek. Haar kromme lijn gaat langs de kikker, om de vijver en terug naar de kastanjeboom. Alleen het natte blad op haar laars heeft ze niet getekend. Dat ligt nog bij de eerste wissel.
Wanneer ze weer onder de kastanjeboom komen, hoort Puck een hommel. Misschien is het dezelfde van de paarse bloem. Misschien ook niet. Ze kan geen naam op zijn rug zien.
Bij de overkapping stopt Tuf. Opa zet de rem vast. Puck stapt uit en loopt naar de voorkant van de locomotief. De handkar staat er nog, precies waar Opa hem heeft neergezet.
‘Nu sta je wel op een kaart,’ zegt ze. Ze houdt het papier voor de twee ronde lampogen.

Tuf bekijkt de dikke gele lijn. Hij kijkt naar de wilg, het bankje en de twee rondjes van Puck en Opa. Dan wijst hij met zijn blik naar het poortje. ‘Daar stond ik bijna vast.’
‘Maar niet helemaal,’ zegt Puck.
‘Nee. Gelukkig niet helemaal.’
‘Hij kan bij ons op de keukentafel,’ zegt Opa over de kaart. Puck kijkt naar Tuf en houdt het papier wat hoger. ‘Maar dan kan hij hem niet zien.’ Ze denkt even na. ‘Ik neem hem de volgende keer weer mee.’
Opa steekt zijn handen in zijn zakken. Hij laat haar rustig staan. Tuf vertelt welke bocht hij het mooist vindt. Puck tekent een extra kring om de wilg.
‘Daar kan je uitstappen,’ zegt Tuf. ‘En zitten.’
Puck draait het papier één keer om. Aan de voorkant lopen de grote rode en zwarte treinlijnen. Aan de achterkant ligt de lange boog, met een klein bankje aan het eind.
Ze vouwt de kaart dicht met haar eigen kant aan de buitenkant. Opa pakt de handkar. Samen lopen ze naar huis. Achter de heg zegt Tuf nog één keer: ‘Tot de Wilgenhalte!’