Hoofdstuk 7 van 8
Vier poten op hun plek
Puck stapt op het lage stenen perronnetje. Ze kijkt tussen de wilgentakken door. Op de vijver glijden twee eenden naast elkaar. De ene duikt met zijn kop onder. Zijn staart blijft recht overeind.
‘Kijk,’ zegt ze tegen Tuf.
‘Ik kijk al,’ zegt Tuf.
Opa haalt de twee touwen los en rolt ze ieder apart op. Puck legt ze achter in de wagen op de gele bank. Dan neemt Opa het groene bankje van het dekentje. Hij houdt het zelf met beide handen vast. Puck zorgt dat de weg naar de vier lichte vlekken vrij is.
Er liggen een paar natte bladeren. Opa zet het bankje ernaast op de stenen. Hij haalt de borstel uit zijn rugzak en veegt het plekje schoon. Puck raapt een lange dunne tak op. Die legt ze bij de wilg, buiten het looppad.
‘Hier vandaan kun je de hele vijver zien,’ zegt Opa.
Puck knikt. Opa tilt het bankje nog één keer op en zet het op zijn plek. Vier poten op de droge stenen. Hij duwt voorzichtig op de zitting en daarna op de rugleuning. Niets wiebelt.
‘Mag ik?’ vraagt Puck.
‘Graag.’
Ze gaat zitten. De leuning voelt glad onder haar hand. Het bankje is klein, maar Opa kan naast haar zitten als ze een beetje opschuift. Haar laarzen komen niet bij de grond. Ze houdt ze een stukje naast elkaar in de lucht.

Opa haalt het trommeltje uit zijn rugzak. Er zitten twee krentenbollen in. Voor ieder één. Puck breekt een stukje van de hare af. Ze kijkt naar Tuf.
‘Wil jij ook?’
‘Dat kruimelt,’ zegt Tuf. ‘En ik eet niet.’
Puck stopt het stukje in haar eigen mond. Tuf kijkt nog steeds naar het bankje. ‘Hij staat recht,’ zegt hij.
‘Dat hoort zo,’ zegt Puck.
‘Ja. Maar het is wel fijn om te zien.’
Een wilgentak schommelt vlak voor haar gezicht. Ze schuift hem voorzichtig opzij. Daarachter zit het water vol kleine zilveren rimpels. Aan de overkant ziet ze het heuveltje waar ze naar het spoor hebben gekeken.
‘Wij waren daar,’ zegt ze.
Opa volgt haar vinger. ‘En nu zijn we hier.’
Puck legt de kaart op haar knieën. Het gele krijtje is warm geworden in haar zak. Onder de wilg tekent ze een bank met vier poten. Daarna tekent ze twee rondjes erop. Eén voor haar. Eén voor Opa.
Ze kijkt naar Tuf. Zijn wielen staan naast het perron. Op het bankje kan hij niet komen. Ze tekent hem ernaast, met vier wielen en een grote neus.
‘Komt mijn wagen erop?’ vraagt hij.
Puck tekent een lange blauwe wagen. Nou ja, een gele. Ze heeft alleen haar gele krijtje. ‘Dit is blauw,’ vertelt ze erbij.
‘Prima,’ zegt Tuf. ‘Als ik maar weet waar het bankje staat.’