Hoofdstuk 4 van 8
De boog om het water
Bij de splitsing stopt Tuf. Opa zet de parkeerrem vast. Puck hoort de klik nu meteen. Ze weet wat hij betekent: de wielen blijven staan, ook als zij over het treeplankje stapt.
Naast het spoor ligt een laag heuveltje. Opa en Puck lopen het gras op. Tuf blijft beneden wachten. Boven kunnen ze over de struiken heen kijken.
De vijver ligt voor hen. Aan de overkant hangt een wilg met zijn takken vlak boven het water. Onder de boom is een kaal stenen plekje. Puck kan zelfs een houten haltepaaltje ontdekken.
‘Daar moet het bankje heen,’ zegt Opa.
Puck wijst naar de takken die in het water hangen. ‘Maar hoe komen we dan aan die kant?’
Opa gaat op één knie naast haar zitten. Samen volgen ze het andere spoor met hun ogen. Het buigt langs de rand van de vijver. Soms is het tussen het gras bijna weg. Bij een laag poortje komt het weer tevoorschijn.
Vlak bij de wilg ziet Puck twee spoorlijntjes naast elkaar. Daar komen de korte en de lange weg weer bij elkaar. De omgevallen tak ligt aan deze kant van de vijver, op de korte weg. De lange boog loopt er ver omheen.

‘Dus hij ligt niet op allebei,’ zegt ze.
‘Precies.’ Opa wijst naar de splitsing onder hen. ‘We kijken of de ingang van die lange baan vrij is. Onderweg moet Tuf rustig rijden. Dan kunnen we telkens zien wat er voor ons ligt.’
Puck vouwt haar kaart open. Ze draait de lege achterkant naar boven. Met haar gele krijtje tekent ze een kromme lijn. Onderaan komt een kastanje met een heel dikke stam. Bovenaan tekent ze een wilg. De takken lijken op een scheve snor.
Op de grote treinkaart staan alleen lijnen en stippen. Op haar eigen kant mag ook de boom komen. En het plekje waar de tak in de weg ligt. Puck tekent er een dikke dwarsstreep. Zo ziet ze straks nog waarom ze niet rechtdoor konden.
‘Dat is toch geen grote trein?’ bromt Tuf van beneden.
Puck houdt het papier omhoog. ‘Dit is voor jou.’
Tuf schuift geen centimeter op. Maar zijn mond wordt heel breed. ‘Vergeet de lange boog niet.’
Beneden ligt een hoop nat blad over het begin van de andere rails. Opa haalt de kleine borstel uit zijn rugzak. Hij veegt de bladeren opzij en bekijkt de wissel. Met de hendel kiest hij het spoor naar de vijver. Daarna kijkt hij nog eens van dichtbij.

Puck staat naast hem en houdt de rugzak vast. Er valt een nat bruin blad op haar laars. Ze schudt haar voet. Het blad blijft plakken. Ze moet het met haar andere hand weghalen.
‘Daar kan mijn borstel ook bij,’ zegt Opa.
‘Nee hoor. Ik kan zelf een blaadje.’
Opa geeft haar de borstel. Puck legt hem in de rugzak en zet die weer onder de gele bank. Haar kaart gaat terug in haar zak, boven het krijtje. Dan komt Opa naast haar zitten en laat de rem los.
Tuf rolt naar de vrijgemaakte wissel. Zijn wielen kiezen nu de andere kant. Eerst gaan ze verder bij de wilg vandaan. Puck kijkt achterom.
‘Dat hoort bij een omweg,’ zegt Opa. ‘Je moet soms eerst een stukje de andere kant op.’
Tuf kijkt strak naar zijn rails. ‘Als ze maar niet ineens ophouden.’