Hoofdstuk 4 · 5 minuten lezen
Het werk van de handen
Sela stond in de werkplaats te wachten met droge kousen, ontbijt en een blik die Iona het gevoel gaf dat ze weer elf was.
“Je bent met een boot onder het Poortkantoor geweest.”
“Heeft Kes dat verteld?”
“Kes riep het vanaf de kade naar een man aan wie ze geld schuldig is. Blijkbaar was dat een goede reden om niet te stoppen.”
Tarin stond bij de deur met de boeken.
Sela keek hem aan. Ze herkende hem eerst langzaam, toen ineens helemaal.
“Jij.”
“Ja”, zei hij.
Iona begon: “Hij heeft—”
“Ik weet wat hij heeft meegebracht. Ik kan zijn handen zien.” Sela legde de kousen op de werkbank. “Ik herinner me dat andere bezoek.”
Tarin zette de boeken neer.
“Ik ook.”
“O ja? Ik vraag me af wat het jou kost om het je te herinneren.”
Hij antwoordde niet meteen.
“Minder dan het u heeft gekost.”
Sela schoof een kruk naar zich toe en ging zitten. In haar donkere vlecht zat grijs, meer dan vorige zomer. Haar vingers waren blauw van het zeildoek dat ze boven had zitten verstellen. Ze had nooit al haar herinneringen nodig gehad om helemaal zichzelf te blijven.
“Waarom deed je dat werk?” vroeg ze.
Tarin keek naar het raam voor hij antwoordde.
“Ik was er goed in. Dat zeiden ze. Ik vond het prettig iets te betekenen voor mensen die zo zeker van hun zaak leken.”
“Meer niet?”
“Nee. Het salaris beviel me. Ik kon mijn zus geld sturen. Ik hield mezelf voor dat de heffing noodzakelijk was, en dat iemand die moest innen.”
“Was het noodzakelijk onze luiken weg te halen?”
“Nee.”
Iona keek naar haar moeder. Zijn eerlijkheid leek Sela niet op te luchten. Ze keek alsof ze eindelijk een rekening op de juiste naam in handen had gekregen.
“Leg die boeken dan op de lange werkbank”, zei ze. “Niet op de kleine. Die wiebelt.”
Het was geen vergeving. Tarin leek dat te begrijpen.
Ze werkten tot de middag. Iona vergeleek de oorspronkelijke intervallen met de dichtgestopte kanalen in het gebroken hart. Tarin tekende de wijkschema’s over. Sela boog zich over de tekening van de Negende Kade en verbeterde de loop van een oude trap.
“Jij hebt daar geluid”, zei Iona.
“Zeventien jaar.”
“Kun je het nog?”
Sela keek beledigd.
“De heffing heeft me de herinnering afgenomen aan de dag dat jij voor het eerst de toren beklom. Niet mijn handen.”
Ze haalde een stuk touw van een haak en liet de oude volgorde zien: trekken, vasthouden, loslaten, wachten op het antwoord van de volgende klok. De klank van iedere wijk gaf een stukje van de last door aan de volgende. Een laat antwoord belastte de hele keten. Bij een ontbrekend antwoord moesten de naburige klokken harder werken.
“Daarom had elke wacht twee klokkenluiders”, zei ze. “Een om te luisteren. Een om te trekken. Je hebt mensen nodig die elkaar genoeg vertrouwen om zich te laten verbeteren.”
Tarin schreef het op.
“Je hoeft niet alles op te schrijven”, zei Sela.
“Volgens mij”, zei hij, “moet ik dat juist wel.”
Tegen de avond had Kes de klepels met een gehuurde schuit uit het magazijn gehaald, op een bevel dat Tarin met zijn eigen naam had ondertekend. Ze bracht ook zes havenarbeiders mee, een zak lege taxatievatjes en het bericht dat het Poortkantoor hem zocht.
“Ze zullen die handtekening vinden”, zei Iona.
“Dat was de bedoeling”, antwoordde hij.
Kes bekeek het gebroken hart op de werkbank.
“Kun je het laten werken?”
“Ik kan het op het oude patroon laten antwoorden. Of de torens de storm aankunnen, is een andere vraag.”
“Prachtig. Ik was al bang dat je goed nieuws had.”
Die avond, toen de anderen weg waren, trof Iona Tarin aan terwijl hij zijn gescheurde mouw probeerde te herstellen met een naald voor zeildoek.
“Hou op.”
Hij keek op.
“Je maakt er nog meer gaten in.”
“De eerste leken me zo eenzaam.”
Ze nam de jas van hem over. Hij gaf hem met een nauwelijks verholen opluchting af.
Zonder jas leek hij jonger, al wist ze inmiddels dat hij vierendertig was. Op zijn onderarm zat een streep verbleekte inkt: hij had ooit zijn eigen huid gebruikt om een maat te onthouden. Het verband dat ze bij zonsopgang had aangelegd, was nog schoon.
Ze haalde draad door een fijnere naald.
“Heb je ooit een heffing betaald?”
Zijn blik gleed naar haar handen.
“Voor ik bij het Kantoor kwam. Twee keer. De eerste was een dag met mijn zus, toen we klein waren. Ik weet waar we heen zijn geweest, omdat zij het me vertelt. De andere was een winterochtend. Daar weet ik niet veel meer van.”
“En daarna?”
“Havenwachters zijn vrijgesteld zolang ze in dienst zijn.”
Ze duwde de naald door de stof.
“Natuurlijk.”
“Ja.”
Hij had kunnen beginnen over de rapporten, het gestolen glas, de handtekening die hem zijn baan kon kosten. Ze was blij dat hij dat niet deed.
“Praat je zus nog met je?”
“Als ze vindt dat ik iets moet horen.”
“Woont ze op Glasheuvel?”
“Ja.”
“En betaalt ze anderen om herinneringen af te staan?”
Hij knikte.
Iona hechtte de draad af en knipte hem door.
“Zou ze luisteren als je haar vroeg de klok te komen luiden?”
“Misschien luistert ze beter als jij het vraagt.”
“Ik ken haar niet.”
“Dat vindt zij een voordeel aan iemand die met mij in discussie gaat.”
Iona gaf zijn jas terug. Hun vingers raakten elkaar. Geen van beiden bewoog meteen.
Ze wilde dingen vragen die niets met de poorten te maken hadden. Of er thuis iemand op hem wachtte. Of het litteken naast zijn mond verschil maakte bij het zoenen. Of hij doorhad dat hij nu dichter bij haar stond dan toen ze begonnen.
In plaats daarvan vroeg ze of hij honger had.
“Ja”, zei hij. “Ontzettend.”
Ze aten koude gerstekoeken van hetzelfde bord met een afgebroken rand. Hij brak de grootste scheef doormidden en gaf haar het grotere stuk, zonder er iets van te maken. Ze merkte het toch.
Later ging ze boven in haar eigen bed liggen. Hij kreeg de bank in de werkruimte. Lang luisterde ze naar de kleine geluiden van een man die zijn plek zocht in een kamer waar zij van elk voorwerp wist waar het hoorde.