Hoofdstuk 2 · 8 minuten lezen
De lege rivier
Om negen uur hield Farah met haar voet de bibliotheekdeur open. In haar ene hand had ze plakband, in de andere een briefje. De hoek van het briefje rolde telkens terug.
‘Wil jij even?’ vroeg ze toen Noor aan kwam lopen.
Noor pakte de onderste hoek. Sami hield zijn fiets vast. Ze hadden afgesproken eerst aan de leestafel te gaan zitten. Hij wilde de platen in haar otterboek zien. De andere drie boeken had Noor in de tas laten zitten. Bij de fietsenstalling had ze hem aan Sami gegeven. Hij had de snelbinders er weer overheen getrokken.
Farah plakte het briefje aan de binnenkant van het raam. Noor las de bovenste regel van dichtbij.
BOOT VERMIST.
Onder de woorden stond een foto. Een kleine veerboot, met ramen in de zijkant en een wit dak. Vooraan zat een geel lampje.
‘Sami.’
‘Ik kan lezen.’
‘Dat is hem.’
Ze zette een stap achteruit. Op de foto lag de boot op een houten tafel. Het lampje brandde niet, maar ze wist ineens wat het gele rondje was geweest. Ze haalde de kassabon uit haar jaszak. Hij zat tussen haar handschoenen, nog maar één keer gevouwen.
‘Die heb ik gezien. Gisteravond, bij de brug.’
Farah stopte de plakbandrol in haar vestzak. ‘Wacht, dan roep ik Bente.’
Binnen stond de tafel bij het raam nog op dezelfde plek. De stoelen ervoor waren weggehaald. Op de houten plaat liep een blauwe rivier tussen twee geschilderde oevers. Er stonden piepkleine struiken op. Midden op het blauw was een rechthoek zonder stof.
Een meisje zat bij de leestafel met een bordje voor zich. Ze schilderde een letter bij. Naast haar stond een man die koffiekopjes in een krat zette.
‘Bente,’ zei Farah. ‘Noor denkt dat ze jullie boot heeft gezien.’
Het meisje legde meteen haar penseel neer. Er liep een blauwe verfveeg over de mouw van haar trui.
‘Waar?’
‘Bij de brug. Tussen het riet aan de overkant.’ Noor vouwde de bon open. ‘Hij gaf licht.’
De man zette zijn laatste kopje in het krat. ‘Gisteravond?’
Noor knikte en vertelde over het gele rondje. Ze wees op het wit van de foto en toen op haar eigen streepje. Op de bon zag het er kleiner uit. Het rood bovenop kon ze op de foto niet goed terugvinden.
‘Ik ben Wim,’ zei de man. ‘Bentes opa. Kom maar zitten. Dan laat ze je zien wat jullie zoeken.’
‘Wij zoeken nog niks,’ zei Sami. Hij keek naar Noor. ‘Tot nu toe.’
Bente draaide het bordje om, zodat de natte verf niet tegen haar arm kon komen. Er stond HET VEER op. De laatste R was glanzender dan de andere letters.
‘Hij hoort daar.’ Ze wees naar het stofvrije stukje op de blauwe plaat. ‘Er komen nog kaartjes bij. En foto's van de echte pont.’
‘Was hij zo groot?’ vroeg Noor. Ze hield haar handen uit elkaar.
Bente schoof ze iets dichter naar elkaar. Ongeveer zo lang als Noors onderarm. Op de echte pont had opa Wim vroeger gevaren, legde ze uit. Hij had mensen en fietsen naar de overkant gebracht, toen de brug er nog niet was.
‘Heeft u die zelf gebouwd?’ vroeg Sami.
‘De brug?’ zei Wim.
Sami keek even naar de foto. ‘De boot.’
‘Samen,’ zei Bente, voordat opa antwoord kon geven. ‘Ik heb de ramen gedaan.’
Ze pakte uit een bakje een klein poppetje. Het had een donkergroene jas en een ronde neus. Eén arm wees opzij.
‘Die paste niet meer. De andere passagiers zitten erin. Deze staat op het kaartje bij de halte.’
Noor mocht hem vasthouden. Hij was lichter dan ze dacht. Ze zette hem rechtop op haar vinger, maar zijn voeten waren niet plat genoeg.
‘Gewoon op tafel,’ zei Bente.
Noor zette hem neer. ‘En het lampje?’
‘Dat heb ik erin gemaakt,’ zei Wim. ‘Twee batterijen. Er zit geen motor in. We wilden wel dat hij echt kon drijven.’
Gistermiddag hadden ze het geprobeerd bij de steiger naast de bibliotheek. Eerst met de boot dicht bij de kant. Bente had de passagiers van tevoren nog even aangedrukt. Noor keek naar de lege rechthoek op de plaat. Er had dus niemand in gevaar verkeerd. Alleen de kleine mensen met hun geschilderde jassen.
‘Hij dreef goed,’ zei Bente.
Daarna was het touw losgeraakt. Wim was zijn lange bootshaak thuis gaan halen. Toen hij terugkwam, zagen ze nog net een stuk van het witte dak tussen het riet. Hij en Bente hadden vanaf het pad gezocht, tot er te weinig licht over was om verder iets te zien.
‘Dus hij kan nog gewoon ergens liggen,’ zei Noor.
Wim trok een lege stoel bij. ‘Dat hopen we. Onder de romp zit kurk. Het is een taaie kleine pont.’
Bente nam haar passagier terug en zette hem bij het bordje. Ze keek niet naar opa toen hij dat zei.
Farah kwam met een stapel boeksteunen terug. Ze legde de onderste op tafel en moest de rest tegen haar kin houden om ze niet te laten vallen. Sami pakte de bovenste drie.
‘Dank je. Daar, bij de kaart.’
Aan de wand hing een oude foto van de veerpont. Noor herkende de molen op de achtergrond. De brug stond er nog niet op.
‘Morgen om twee uur gaan we open voor de presentatie,’ zei Farah. ‘Ook als de boot er nog niet is. Ik heb foto's genoeg, en Bente kan laten zien hoe ze de ramen heeft gemaakt. Maar mét boot is het wel mooier.’
‘Dan zoeken we,’ zei Noor.
Bente keek op. ‘Ik ook.’
‘Natuurlijk.’ Noor had dat helemaal niet anders bedoeld. Ze voelde naar de bon, die ze nog vasthield. ‘Ik kan de plek aanwijzen.’
Wim ging met hen naar het raam. Vanaf daar zagen ze de brug en het begin van het pad langs het water. Verder naar rechts lag de sluis. Wim dacht dat de boot die kant op kon zijn gegaan. Het water stroomde daar gewoonlijk naartoe.
Noor wilde meteen naar buiten. Farah vroeg waar ze heen zouden gaan en of thuis iemand dat wist.
‘Mijn vader kan me om twaalf uur hier ophalen,’ zei Noor. ‘Ik zal hem vragen.’
Ze belde Daan. Sami stuurde zijn moeder een bericht, las haar antwoord en liet Wim zijn scherm zien. Met Wim erbij was het goed. Voor de lunch moesten ze terug zijn.
Bente trok haar jas van de stoel. Aan de rits hing een dun draadje blauwe wol. Ze peuterde het los en legde het in haar zak.
Farah nam het krat met de kopjes mee naar de keuken. Onder de leestafel stond nog een leeg krat. Wim legde er een opgevouwen handdoek in. Als ze de boot vonden, hoefden ze hem niet druipend in hun armen terug te dragen.
‘We moeten wel weten waar we kijken,’ zei Bente.
Noor zag de oude foto aan de wand. Daarnaast hing een plattegrond van het dorp.
‘Daar kunnen we iets mee.’