Hoofdstuk 12 · 8 minuten lezen
Onder de planken
Bij het gemaaltje vroeg Bente of ze even konden stoppen. Sami zette het krat op het pad en wisselde van hand. De handdoek stak over de rand; hij stopte hem weer naar binnen.
Noor pakte de kaart. Tegen het glas van het gemaaltje zat nog een enkele mug. Achter het hek bromde iets. Ze bleef met haar rug naar het hek staan, zodat ze naar de watergang kon kijken.
De brede tak lag rechts van het rieteiland. Een eend zwom er dwars overheen. Links zag Noor stukjes van de smalle geul, telkens een strook water tussen de stengels. Verderop stonden de wieken boven het riet.
‘Daar,’ zei ze tegen Bente. Ze wees op de kaart naar de geul en toen naar de plek ervoor. ‘Vanaf het pad kunnen we de laatste bocht niet zien.’
‘Dan kijken we daar straks,’ zei Bente. Ze streek de kaart niet recht en vroeg ook niet of Noor zeker wist dat het model er was. Ze pakte de andere kant van het krat. Samen met Sami liep ze verder.
Noor vouwde de kaart op tot hij weer in haar zak paste. Wim hield de bootshaak laag naast zich, met de punt van hen af. Soms moesten ze achter elkaar lopen om een wandelaar voorbij te laten.
Bij de oude aanlegplaats stond de man van gisteren, met zijn bril en de verfvlekken op zijn overall. Hij maakte het lint los dat voor de steiger hing. Naast hem stonden een verfblik en een tas met lege flesjes.
‘Mooi op tijd,’ zei Wim.
De man keek op zijn horloge. ‘Nog één minuut. Maar het hek is niet zo snel opgeruimd.’
Hij schoof het losse hek opzij, buiten het pad. Daarna liep hij met Wim de steiger op. Ze bleven even bij de leuning staan. De man vertelde waar nog spullen stonden die hij zou meenemen. Noor wachtte naast Bente. De letters op het bord waren een beetje scheef. STEIGER WEER OPEN: ZONDAG, TIEN UUR. Het woord zondag had ze sinds gisteren zo vaak bekeken dat het haar vreemd begon voor te komen.
Toen Wim zich omdraaide, wenkte hij hen.
‘Kom maar. Het krat kan achter de bank.’
Noor stapte op de planken. Onder haar schoenen klonk het hol. De leuning was breed genoeg om haar handen naast elkaar op te leggen. Er lag geen kapotte plank, geen gat waar je been door kon. Wel zaten er smalle spleten tussen de planken, donker van het water eronder.
Sami en Bente zetten het krat neer. Aan deze kant van het rieteiland was de molen beter te zien. De vlag hing even slap en strekte zich toen weer uit in de wind. Noor hoefde de kaart er niet voor uit te pakken.
Ze begonnen bij het stuk water dat vanaf de steiger vrij te zien was. Wim liep langs de bank. De kinderen bleven binnen de leuning. Noor zag een veertje, een rond blaadje met een steel en de weerspiegeling van een paal. Ze keek langer naar een lichte strook onder het water. Het was zand op de bodem. Er ging geen wit dak voorlangs.
‘Achter dat riet kan hij ook zitten,’ zei Sami.
Wim keek vanaf zijn plek. ‘Dat kan. Maar daar kan ik nu niets aanwijzen.’
Bente ging op de bank zitten om haar veter vast te maken. Haar handen bleven even op haar knieën liggen. Noor wilde naast haar gaan zitten, maar Sami stak één vinger op.
‘Hoor je dat?’
Er ratelde een fiets over het pad. Noor hoorde de banden nog even zoemen en daarna een vogel die hetzelfde korte stukje bleef roepen.
‘Wat?’ vroeg ze.
‘Tik.’ Sami wachtte. ‘Zo, maar dan niet van mij.’
Noor hield haar adem in. Haar jas kraakte toen ze haar arm bewoog. Ze liet hem zakken.
Tik.
Het geluid was heel zacht. Ze had het kunnen missen als ze door waren blijven praten. Het leek van onder hun voeten te komen, ergens aan de buitenkant van de steiger.
Wim legde de bootshaak op de bank. De man met de overall stond inmiddels bij het pad. Hij droeg zijn verfblik naar zijn fiets. Daar kwam het dus niet vandaan.
Sami zette een stap achteruit, dichter naar het midden. ‘Hier hoor ik het beter.’
Noor keek naar de planken. Tussen twee ervan liep een spleet die wat breder was dan de andere. Ze hurkte op het midden van de steiger. Haar handen bleven op haar eigen knieën. Door de spleet zag ze een donker stukje water en een balk die laag erboven lag.
Er bewoog iets onder de balk.
Ze schoof alleen haar voeten een klein stukje, tot ze haar hoofd anders kon houden. Het donkere water veranderde in een smalle lichte strook. Daarboven zat iets roods.
‘Bente.’
Ze zei het harder dan nodig was. Bente stond meteen naast haar.
‘Wat zie je?’
‘Rood. Hier. Je hoeft niet verder naar voren.’
Noor ging een beetje opzij. Bente hurkte op dezelfde plek. Sami bleef achter hen staan, zijn handen om de rand van de bank. Wim keek mee vanaf de ruimte naast de leuning.
Eerst zei Bente niets. Noor keek naar haar schoen, die precies op een spijkerkop stond. Ze hoorde weer het tikje.
‘Het zijn ze,’ zei Bente.
‘De laarzen?’
Bente knikte. ‘Ze wijzen allebei dezelfde kant op. Kijk, die ene ligt een beetje dwars.’
Ze schoof terug, zodat Noor opnieuw kon kijken. Nu zag Noor twee rode vormen boven een witte rand. De vormen raakten elkaar even toen het water bewoog. Daaronder schoof het witte dak een klein stukje heen en weer. Tik, tegen de lage balk.
‘Dat is hem,’ zei Noor.
Ze kwam overeind. Haar knieën voelden stijf van het hurken. Bente stond al en drukte haar handen tegen elkaar. Sami keek naar haar en toen naar Wim.
‘Kun je erbij?’
Wim bekeek het model vanaf zijn eigen plek. Hij kwam niet met de bootshaak tussen de kinderen door.
‘Als jullie daar achter de bank gaan staan, kan ik hier ruimte maken.’
Noor hurkte nog één keer bij de spleet voordat ze naar de bank liep. Aan de voorkant van het model zag ze een dof geel puntje. Ze moest wachten tot de schaduw van een rietblad erover viel om het zeker te weten. Zo zwak was het nu.
‘Zijn lampje doet het nog een beetje,’ zei ze tegen Bente.
Bente liep naar het krat en sloeg de handdoek open. Noor hielp haar met de hoek die onder de bodem was gekropen. Ze hielden het krat op de steiger, achter de bank. Deze keer maakten ze het klaar voor een boot die ze echt konden zien.