Hoofdstuk 14 · 8 minuten lezen
Een boot en een kaart
Farah keek op van een stapel folders toen ze binnenkwamen. Ze hield haar vinger tussen twee bladzijden. Daarna zag ze wat er in het krat lag.
‘Hij is er.’
Bente knikte. Ze trok haar jas nog niet uit. Sami en Noor zetten het krat op de lage tafel die Farah vrijmaakte.
‘Onder de oude steiger,’ zei Sami.
Wim zette de bootshaak in de hoek. ‘En nu heeft hij een droge haven nodig.’
Farah haalde kranten en een rol keukenpapier. Noor keek naar de klok boven de balie. Het was bijna elf uur. Er was tijd, maar niet zoveel dat ze eerst uitgebreid konden vertellen.
Wim zette het model op een schone doek. Het losse water liep niet meer over het dek; de handdoek in het krat was zwaar geworden. Bente drukte een dubbelgevouwen vel keukenpapier tegen de vloer van de boot. Het papier werd meteen doorzichtig.
‘Niet wrijven,’ zei Wim. ‘Dan neem je misschien verf mee.’
Ze depte opnieuw, op een droog plekje van het papier. Noor hield de rol vast en scheurde nieuwe stukken af. Sami haalde het natte papier weg in een lege emmer. Toen hij een vel uit Noors hand wilde pakken, bleef het eraan kleven.
‘Deze geef ik terug,’ zei hij.
Bente grinnikte. Ze legde het natte vel in de emmer en pakte zelf een droog stuk.
Wim hielp de passagier los die tegen het raam hing. Zijn neus was nog heel. De stoel zat scheef op de vloer. Bente zette het mannetje op een omgekeerd dekseltje naast het model.
‘Hier wacht hij.’
Noor schoof het dekseltje naar een plek waar niemand zijn mouw doorheen zou halen. ‘Moet ik de stoel ook bewaren?’
‘Ja. Die wil ik houden.’
Het witte dak had vooral vuil opgevangen. Bente haalde de bruine spikkels er voorzichtig af met hulp van haar opa. Een randje verf bleef beschadigd. Ze keek er lang naar en legde haar doek neer.
‘Die werk ik later bij.’
Wim bekeek de onderkant en het uitgeschakelde lampje. Hij legde de batterijen apart. Het licht hoefde die middag niet aan. Eerst moest alles goed droog zijn en wilde hij het rustig nakijken.
De kleine passagier bleef wachten terwijl ze de tafel opruimden. Daarna zette Bente zijn stoel terug. Op een droog stukje kon ze hem met een beetje lijm vastzetten. Wim hield de boot stil. Bente schoof het mannetje op zijn plaats en zette er een leeg doosje naast, zodat niemand er per ongeluk tegenaan stootte.
‘Die laten we nu met rust,’ zei ze.
Noor legde het doosje met de laarzen voor haar neer. Bente deed het open en probeerde twee plekken uit. Op de achterbank zouden ze voor het raam staan. Naast de kapitein was nog ruimte op de vloer.
‘Daar,’ zei ze. ‘Binnen.’
Ze zette de twee linkerlaarzen naast elkaar. Ze hoefden niet meteen weer vastgelijmd. De boot ging vandaag nergens varen.
Wim haalde een nieuw touwtje tevoorschijn. Het zakje met het oude touw bleef op tafel liggen. Hij bevestigde het nieuwe aan de voorkant, bekeek zijn werk en begon opnieuw. Bente hield de boot vast.
‘Die eerste zat beter,’ zei ze.
Wim trok aan de draad. ‘Deze schuift toch minder.’
Hij maakte hem nog een keer vast en liet Bente daarna zelf voelen. Ze trok stevig terwijl hij het model ondersteunde. Het touw bleef zitten. Ze keek naar de voorkant en naar haar opa.
‘Voor de volgende keer testen we hem samen.’
‘En ik haal eerst mijn spullen,’ zei Wim.
Hij rolde het touwtje losjes op voor in het model. Noor pakte de kaart uit haar jas. Er was een hoek dubbelgevouwen die onder haar rits had gezeten. Ze streek hem met een boek plat.
Farah kwam vragen wat ze bij de boot wilden zetten.
‘De bouwfoto,’ zei Bente. ‘En de namen. Van opa en mij.’
‘Kunnen wij de kaart erbij leggen?’ vroeg Noor aan haar. ‘Dan snappen mensen waar we hebben gekeken.’
Bente keek naar het vel. ‘Ja. Naast de plaat, niet eronder. Dan kunnen mensen hem zien zonder de boot op te tillen.’
Noor pakte een nieuw kaartje voor de uitleg. Ze schreef eerst een te lange zin. Bij het woord modelveerboot was de regel al vol. Sami keek over haar schouder.
‘Kleiner schrijven helpt niet,’ zei hij. ‘Dan moet iedereen een bril lenen.’
Ze draaide het kaartje om. Nu schreef ze alleen wat de verschillende lijnen betekenden. Wat ze hadden gezien kreeg een gewone lijn. De mogelijke route van de boot bleef gestippeld. De vlag en de wind kwamen bij de molen. De pijl voor de gewone afvoer wees richting de sluis, apart van de route.
Bente schoof het kaartje dichterbij. ‘En je kassabon? Dat is waar jij het op had getekend.’
Noor legde de bon naast de kaart. Hij was veel kleiner en rommeliger. Je kon op de achterkant nog de prijs van melk zien.
‘Die kan hier wel blijven tot we alles neerzetten,’ zei ze.
Sami tekende een stip bij het gemaaltje en wees op de goede kant van het eiland. Ze controleerden samen of de smalle geul links lag als je daar naar de molen keek. Noor zette geen tweede boot op de kaart. Er kwam één klein modelletje bij de oude steiger, waar ze hem hadden gevonden.
Onder de bouwfoto zette ze het kaartje in zijn houder: Gebouwd door Wim en Bente. Hij kan echt drijven. Daaronder kwam een kort kaartje over het terugvinden. Voordat Farah het kon meenemen, liet Noor het aan Bente lezen.
‘Dat stukje over het touw hoeft niet,’ zei Bente.
Noor trok er een streep door en schreef een schoon kaartje. Ze vroeg niet waarom. Bente las het nog eens en gaf het toen zelf aan Farah.
Daan kwam met een zak broodjes. Ze aten aan de kleine tafel achterin, uit de buurt van de boot. Noor wilde tegelijk haar broodje en de kaart oppakken, bedacht zich en liet de kaart liggen. Er kwam kaas op haar bord in plaats van op de rivier.
Na het eten namen ze hun laatste spullen mee naar de grote tafel. De boot was droog genoeg om op de blauwe plaat te staan. Wim en Bente tilden hem samen uit de doek. De kleine passagier bleef rechtop bij zijn raam. De laarzen stonden binnen naast de kapitein.
Noor schoof een kaartje iets naar achteren, zodat het dak vrij bleef. Sami haalde de lege emmer weg. Farah legde de folders neer en maakte de deur van het halletje open.
Het was nog geen twee uur. Bente ging naast Noor op een stoel zitten en trok haar mouwen over haar handen. Ze keek naar de tafel, waar de blauwe rivier weer een boot had.