Hoofdstuk 1 · 8 minuten lezen
Een lichtje zonder huis
‘Nog één boek en je draagt je tas zelf,’ zei Sami.
Noor hield het boek over otters tegen haar buik. Het paste nog best. Ze hoefde alleen het boek over het heelal een beetje opzij te duwen.
‘Die is dun.’
‘Dat zeggen mensen die niet hoeven te fietsen.’
Ze waren allebei tien. Toch deed Sami of hij een heel transportbedrijf had, met haar als enige lastige klant. Op zijn bagagedrager mochten drie bibliotheekboeken. Vier als het vierde over voetbal ging. Noor had gevraagd waar dat in de regels stond. Toen had hij gezegd dat de regels nog gedrukt moesten worden.
Ze legde de otters op de balie.
Farah schoof het boek onder de scanner. Het apparaat piepte niet. Ze probeerde het nog eens en wreef met haar duim over de streepjescode.
‘Die wil hier blijven,’ zei Sami.
‘Deze was vanmiddag juist de hele tijd weg.’ Farah blies een stofje van de kaft. ‘Hij zat tussen de kookboeken. Bij de ovenschotels.’
Noor bekeek de otter op de voorkant. Het dier had iets tussen zijn voorpoten dat op een steentje leek. Dat kon ze onderweg uitzoeken. Ze stopte het boek boven op de andere drie en trok de rits dicht. Bij de hoek moest ze voorzichtig zijn.
Aan het raam stond een tafel met een houten plaat erop. Over de plaat liep een blauwe streep. Twee stoelen blokkeerden het stukje vloer ervoor. Noor wilde dichterbij, maar Farah knipte de lamp boven de leestafel uit.
‘Morgen weer. Je vader staat al buiten.’
Noor trok haar jas aan. Eén mouw was binnenstebuiten blijven zitten. Ze trok hem eerst naar buiten en stak toen haar arm erin. Sami stond al bij de deur te wachten.
‘Van zo kijken ga ik niet sneller,’ zei ze.
Hij keek vlug ergens anders naar.
Buiten rook het naar natte bladeren. De bibliotheek lag naast de brug, aan de kant waar Noor woonde. Haar vader Daan stond met zijn fiets onder de buitenlamp. Hij had een boodschappentas aan zijn stuur en probeerde een pak rijstwafels terug te duwen dat telkens omhoogkwam.
‘Gelukt?’ vroeg hij.
‘Vier,’ zei Sami.
‘Boeken, bedoel je?’
Noor hing haar tas aan Samis bagagedrager. Hij drukte de snelbinders eroverheen en trok aan een hengsel. De tas bleef zitten. Dat vond Noor een betere proef dan over vergunningen praten.
Bij de brug moesten ze achter Daan blijven, want van de andere kant kwam een bakfiets. Een kleuter stak zijn hand op uit de bak. Sami stak terug en vergat bijna dat hij moest remmen. Hij zette een voet op de grond.
Noor stapte ook af. Vanaf de brug kon ze over het water kijken zonder dat de geparkeerde fietsen voor haar gezicht stonden. Recht voor haar lag de overkant, met een strook riet langs de oever. In de zomer waren daar eenden tussen verdwenen. Nu waren de stengels bruin en stonden ze dicht op elkaar.
Farah deed achter hen de buitenlamp bij de zijdeur aan. Het water onder de brug werd heel even licht, daarna donkerder toen Noor naar de overkant keek.
Tussen het riet brandde een geel rondje.
Ze dacht eerst dat het een raam was. Maar aan die kant stonden geen huizen zo dicht bij het water. Ze kneep haar ogen half dicht. Het rondje verdween.
‘Wat is dat?’
Sami keek over haar schouder. ‘Wat?’
‘Daar.’
Het licht kwam terug, een stukje verder tussen twee stengels. Het hing laag. Er zat geen groot donker vlak onder, zoals bij een boot die mensen vervoerde.
‘Een visser,’ zei Sami.
Noor wachtte of er een hoofd boven het riet uitkwam. Ze zag niets. Geen hengel ook. Alleen het licht en een smalle gele vlek eronder, die telkens in stukjes brak.
‘Hij zou wel heel klein zijn.’
Sami zette zijn fiets steviger tegen zijn been. ‘Een vis met een zaklamp.’
‘Dan schijnt hij de verkeerde kant op.’
Noor boog niet verder over de leuning. Ze ging juist een stap opzij, om langs een dikke rietpluim te kijken. Het rondje was weg, maar nu zag ze iets wits vlak boven het water. Ze wees. Sami volgde haar vinger.
‘Ik zie alleen een stengel.’
‘Hij zit erachter.’
Haar vader was doorgereden tot het einde van de brug. Noor riep hem. Hij keek om en kwam terug met zijn fiets aan de hand.
‘Er zit iets met een lampje.’
Daan haalde de fietslamp van zijn stuur en richtte hem op het riet. De dichtstbijzijnde stengels werden fel en glanzend. Daarachter zag Noor juist minder.
‘Iets lager,’ zei ze.
Hij bewoog de lamp. Het gele rondje dook weer op, net buiten de witte bundel. Daan zag het nu ook.
‘Dat is geen straatlantaarn.’
‘Dat wist ik.’
‘Dan weten we in elk geval hetzelfde.’
Hij liet de fietslamp zakken. Aan de overkant liep geen pad waarmee ze dichter bij het licht konden komen zonder eerst een flink eind om te gaan. Het werd snel donker. Bovendien moest thuis de saus nog worden opgewarmd.
‘Morgen kun je hier beter kijken,’ zei hij. ‘Bij daglicht.’
Noor bleef naar de opening tussen de stengels turen. Het licht schoof naar links. Ze zag het duidelijk, want boven het riet staken de wieken van de molen uit. Eerst zat het rondje onder de rechterwiek, toen dichter bij de romp van de molen.
Boven het witte randje stak iets roods uit.
‘Daar! Rood!’
Daan keek weer, maar een brede pluk riet schoof voor het licht. De stengels bleven bewegen. Het gele rondje kwam niet terug.
Thuis had Noor haar otterboek al open voor haar vader de pannen op tafel zette. Ze zocht naar een lege hoek om in te tekenen en besefte op tijd dat het een bibliotheekboek was.
‘Papier?’ vroeg ze.
Daan voelde in zijn jaszak. Hij haalde een kassabon tevoorschijn, streek hem met zijn hand glad en draaide hem om. Op de achterkant was ruimte genoeg.
Noor tekende een geel rondje. Daaronder zette ze een wit randje, dat ze zichtbaar maakte door er met potlood omheen te kleuren. Daarboven kwam een rood ding. Ze tekende links een wiek en een klein pijltje bij het rondje.
Haar vader zette de kaas op tafel en keek mee.
‘Een ei op een boterham?’
Noor legde haar hand over de bon. ‘Dat witte is veel te smal voor brood.’
‘Dan een heel dunne boterham.’
‘Het is wat ik zag.’
Hij schoof haar bord dichterbij en vroeg of ze de kaas wilde doorgeven. Noor deed het. Voor ze begon te eten, schreef ze vrijdag bij de tekening. Het potlood prikte bijna door het papier.
Na het eten stuurde ze Sami een bericht. Morgenochtend terug naar de brug?
Zijn antwoord kwam toen ze haar tandenborstel al vast had. Eerst bibliotheek. Je boekenvergunning is verlopen.
Noor legde de kassabon onder haar horloge op het nachtkastje. Het boek over otters mocht erbij, maar niet erop. Het gele rondje moest zichtbaar blijven.